Hoofdstuk 1, Het begrip opvoeding
1.2 – beschrijving van het begrip pedagogiek
Pedagogiek word ook wel het volgende genoemd
1. Opvoedkunde = Richt zich op de vaardigheden van de opvoeder.
2. Opvoedingsleer = Richt zich op het vergaren van kennis over
opvoeden.
3. Opvoedingswetenschap = Richt zich op het ontwikkelen van
theorieën over methoden met betrekking tot opvoeden.
Hulpwetenschappen is een verzamelnaam van: psychologische,
sociologische filosofische, theologische en andragogische wetenschappen.
Een definitie voor opvoeding is lastig te zeggen, dit zeiden de pedagogen:
Langeveld (1971) – opvoeding is alle omgang tussen het kind en de
volwassenen. In de omgang moet liefde, geborgenheid en aandacht een
rol spelen.
Rispens, Hermanns en Meeus (1996) – geven aan de hand van 4
dimensies: grenzen stellen, instructie, ondersteuning en controle hoe
opvoeding gestalte krijgt.
Kuipers (2008) – beschrijft opvoedingsdoelen die gericht zijn op
zelfstandigheid, zelfredzaamheid en zelfvertrouwen bij het kind.
Malschaert en Traas (2009) – nadruk op opvoedrelatie waarbij intimiteit
en veiligheid een rol spelen.
Definitie opvoeding (Becker) opvoeding is alle omgang tussen
ouder en kind waarbij gericht een relatie wordt aangegaan. In die omgang
bied ouder het kind liefde, geborgenheid, veiligheid, intimiteit, aandacht,
grenzen, instructie, ondersteuning en zelfontplooiing. Hierdoor ontstaat bij
het kind zelfvertrouwen, en zelfstandigheid/zelfredzaamheid voor het
leven.
Er is sprake van opvoeding, als dit speelt tussen omgang van ouder en
kind:
1. Er is wederzijds respect tussen ouder en kind.
2. Het kind vertrouwt, kan rekenen op, voelt zich veilig en
geaccepteerd door ouder.
3. Het kind word uitgedaagd in eigen beslissingen te maken en nieuwe
dingen te gaan experimenteren.
,1.3 – de vier basisdimensies van opvoeden
Wat ouders doen in de opvoeding van het kind kan opgedeeld worden in 4
basisdimensies. Deze worden beschreven door Rispens, Hermanns en
Meeus (1996)
1. Ondersteuning bieden
2. Instructie geven
3. Controle uitoefenen
4. Grenzen stellen
Deze dimensies zijn eigenlijk niet alleen voor een kind, maar ook student
of werknemer. In de school- en of werksituatie heb je te maken me deze
dimensies.
Warmte en affectie hebben kinderen nodig van ouders voor het welzijn.
Sensitief = accuraat leren interpreteren van signalen.
Responsiviteit = directe of juiste reactie, zodat aan behoefte word
voldaan.
Responsieve ouder is gericht op de signalen die het kind uitzend. En die
worden door de ouder opgemerkt (sensitief) en er word adequaat op
gereageerd (responsief)
Belonen, straffen en ondersteunen
Een beloning aan een kind voor zijn gedrag kan als bekrachtiger worden
opgevat.
Een straf word ter ondersteuning ingezet.
Alle vormen van ondersteuning leiden tot een emotioneel goed gevoel
Ondersteuning doormiddel van belonen, voorbeeld: Elke keer als het kind
goed opruimt krijgt hij een sticker. Het kind word ondersteunt in het leren
van opruimen door belonen.
Ondersteuning door middel van straffen, voorbeeld: Het kind heeft na
een uitbarsting een time-out plek, waar hij uit de situatie word gehaald en
even naderhand nabespreekt met ouders over zijn gedrag, hij leert van
zijn daden en er is sprake van gedragsregulatie
Straffen moet niet uit frustratie worden gedaan. Het kind moet leren
reflecteren op zijn ongewenste gedrag en het niet meer vergeten. De straf
moet daarom ook niet onredelijk zijn en ouders moeten consequent
gedrag vertonen betreft de straf, zodat het kind er iets van leert inplaats
van volledig gefrustreerd raken.
Instructie geven, duidelijk maken wat de bedoeling is en welk gedrag
verwacht word.
Wanneer een kind teveel instructie krijgt ontstaat er geen eigen
initiatieven nemen en teveel bezig met de mening van de ouder en dus
niet tot actie durven te komen.
,Autoritaire controle / restrictieve controle: Opvoedgedrag waarbij de
ouder druk uitoefent op het kind. ‘’Macht en gezag van ouder tegen over
het kind’’.
Ouders die houden van rust, regelmaat en gehoorzaamheid.
Autoritatieve controle: De ouder geeft uitleg en eisen worden gesteld.
De ouder geeft instructie, aanwijzingen en suggesties voor gewenst
gedrag. In overleg met het kind en houd rekening met de persoonlijkheid
van het kind. (ouder doet straffen en belonen
Grenzen stellen, wijze waarop de ouder het kind bestraft of beloont om
gewenst gedrag aan te leren. respect voor autonomie van het kind.
Gedrag verandering vindt plaats doormiddel van beïnvloeding.
1.4 pedagogische opvoedingsdoelen
Malschaert en Traas (2009) – opvoedgedrag van de ouder is erop gericht
om het kind te helpen ontplooien, zijn mogelijkheden en kwaliteiten te
ontwikkelen.
Intentioneel opvoedgedrag = de ouder is erop gericht om bewust of
onbewust doelstellingen te bereiken bij het kind
Kuiper – 3 algemene opvoedingsdoelen (de drie Z’s)
1. Zelfstandigheid (individu) = Het kind is in staat zelf keuzes te
maken. Het kind leert zelf beslissingen maken en leert een eigen
leven te leiden en mogelijkheden ontdekken.
2. Zelfredzaamheid (samenleving) = Kind is in staat zijn keuzes te
verantwoorden. Mondigheid en verantwoordelijkheid worden
gestimuleerd. Het kind word geleerd een positieve vorm te geven
aan zijn rol in de samenleving.
3. Zelfvertrouwen (toekomst) = Het kind kan een bijdrage leveren
aan de toekomst en is in staat om technische en praktische
problemen op te lossen.
1.5 opvoeden is een circulair proces
Opvoeding is een circulair proces. Er vind actie en reactie in omgang
plaats, elke vorm van reactie is interactie tussen de beide partijen (ouder
en kind)
Uniciteit = Ieder mens is anders en heeft dus andere
karaktereigenschappen.
Wisselwerking = het gedrag van het kind blijkt te zijn gekoppeld aan het
opvoedgedrag van de ouder. (Traas) De ouder geeft het kind warmte en de
ouder ontvangt dit ook van het kind. De ouder heeft de
verantwoordelijkheid van het goed verlopen van deze relatie.
,