Opvoeding = alle omgang tussen ouder en kind waarbij gericht een relatie wordt
aangegaan. In deze omgang biedt de ouder het kind liefde, geborgenheid, veiligheid,
intimiteit, aandacht, grenzen, instructie, ondersteuning en controle
Opvoeding is er als er:
o sprake is van wederzijds respect tussen ouder en kind
o het kind ervaart voldoende veiligheid bij, heeft vertrouwen in, kan reken op, voelt
zich geaccepteerd door en krijgt ondersteuning van de ouder
o het kind wordt door de ouder uitgedaagd om eigen beslissingen te nemen en te
experimenteren met nieuwe dingen, waardoor hij vertrouwen krijgt in zijn omgeving
Opvoedkunde = gericht op de vaardigheden van de opvoeder
Opvoedingsleer = gericht op het vergaren van kennis over opvoeden
Opvoedingswetenschap = gericht op het ontwikkelen van theorieën over en methoden
met betrekking tot opvoeden
In de meeste gevallen maakt men gebruik van de psychologische sociologische
filosofische theologische en andere agogische wetenschappen -> pedagogen noemen
deze hulpwetenschappen
De vier basisdimensies van opvoeden (zijn met elkaar verbonden en niet afzonderlijk
toegepast):
1. Ondersteuning bieden: betekent dat ouders liefde, warmte en zorg tonen voor het
fysieke en emotionele welzijn van het kind -> hierdoor voelt het kind zich begrepen
en geaccepteerd. Een gebrek hieraan, in combinatie met harde fysieke straffen kan
leiden tot problemen zoals agressie
o sensitiviteit: het aanvoelen van de behoeften van het kind
o responsiviteit: hier op een passende manier op reageren
Ondersteuning kan worden gegeven door belonen en straffen: belonen zorgt voor
een prettig gevoel en stimuleert gewenst gedrag, straffen heeft meestal een
negatieve lading en werkt alleen goed als ouders consequent zijn
2. Instructie geven: betekent dat ouders duidelijk maken wat de bedoeling is en welk
gedrag verwacht wordt -> het kind krijgt zo informatie om kennis en vaardigheden
te ontwikkelen:
o problemen oplossen
o verantwoordelijkheid nemen voor beslissingen
o zelfstandig en zelfredzaam worden
Ouders moeten inspelen op de behoeften van het kind. Te veel instructie kan
negatieve gevolgen hebben: kind durft geen eigen initiatief te nemen, kind is te veel
bezig met wat de ouder zal denken
3. Controle uitvoeren: gaat over hoe ouders regels stellen en gedrag sturen, er zijn
twee belangrijke vormen:
o autoritaire/ restrictieve controle = strikte regels, machtsmisbruik en druk
om gehoorzaam te zijn -> wordt vaak gebruikt door ouders die rust, regelmaat
en gehoorzaamheid belangrijk vinden
o autoritatieve controle = ouders leggen uit waarom iets wel of niet mag en
geven aanwijzingen en informatie zodat het kind het gedrag vrijwillig kan
begrijpen en volgen
4. Grenzen stellen: betekent dat ouders duidelijk maken welk gedrag wel en niet
mag, vaak via belonen en straffen -> komt vanuit het behaviorisme (Pavlov en
Skinner)
, Het toepassen van opvoedingsdoelen noemen Malschaert en Traas een kenmerk van de
opvoeding dat valt onder intentioneel opvoedgedrag -> opvoedingsdoelen van Kuipers:
o zelfstandigheid (individu): in staat om zelf keuzes te maken en recht op eigen
leven en uitvinden wat van belang is
o zelfredzaamheid (samenleving): is in staat keuzes te maken en deze te
verantwoorden, positieve manier toekomstige rol in samenleving nemen
o zelfvertrouwen (toekomst): bijdrage leveren aan de toekomst en in staat zijn om
technische en praktische problemen op te lossen
Opvoeden is een circulair proces, er is sprake van actie en reactie in de omgang. Als
opvoeden op positieve manier is kan het voorkomen dat beide partijen in
een vicieuze cirkel en daarbij een neerwaartse spiraal terecht komen.
Uniciteit = het feit dat ieder mens anders is en dus andere karaktereigenschappen heeft
Opvoeding heeft een materiele (fysieke) en een emotionele (psychische) kant, beide
hebben invloed op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind
1. materiele opvoeding: gaat over lichamelijke verzorging en basisbehoeften van het
kind, zoals voeding, huisvesting, kleding en lichamelijke verzorging
Hier wordt soms al voor de geboorte rekening mee gehouden, bijvoorbeeld door het
inrichten van een kinderkamer. Culturen gaan hier verschillend mee om:
o Antilliaanse cultuur: vroeger babyshowers rond de 8e maand (nu minder
gebruikelijk)
o Surinaamse cultuur: cadeaus pas rond de 7e maand kopen, omdat er nog iets
mis kan gaan met de zwangerschap
o Nederlandse cultuur: vaak al vroeg spullen voor de baby kopen
2. emotionele opvoeding: gaat over liefde, aandacht, veiligheid en sensitief en
responsief reageren op een kind -> behoeftehiërarchie van Maslow
De levensovertuiging en cultuur van ouders beïnvloeden opvoeding en rituelen rond
geboorte en gezondheid:
o Surinaams-Creoolse cultuur: moeder krijgt kruidenbad voor de bevalling, baby
krijgt een zwarte kraal tegen het ''boze oog'', ouders mogen geen ruzie maken
o Marokkaanse cultuur: naam van het kind wordt bekendgemaakt na het offeren van
een schaap
o Turkse cultuur: een blauw oog beschermt tegen het boze oog
2.5 Communicatiepatronen in het gezin
Een bevelshuishouden (autoritair) wordt gekenmerkt door duidelijke
gezagsverhoudingen en rolpatronen tussen ouder en het kind. De mening van het kind is
ondergeschikt aan die van de ouder.
o ouder maakt gebruik van machtspositie
o er wordt geen waarde gehecht aan de mening van het kind
Nadelen: het kind vind het vaak moeilijk eigen mening te vormen, kind kan vaak moeilijk
omgaan met feedback, kind doet dingen vaak stiekem en kind is vaak wantrouwend naar
andere
Een onderhandelingshuishouden (democratisch) wijst erop dat de intermenselijke
verhoudingen tussen ouder en kind zo zijn veranderd dat deze steeds minder passen bij
een zogenoemd bevelshuishouden.
o er is ruimte voor hoor en wederhoor