Samenvatting
,Inhoudsopgave
Studietaak 0 4
Studietaak 1 5
Studietaak 2 17
Studietaak 3 22
Studietaak 4 31
Studietaak 5 40
Studietaak 6 47
Studietaak 7 57
Studietaak 8 69
Studietaak 9 75
,Thema 1
Studietaak 0 4
Studietaak 1 5
Studietaak 2 17
Studietaak 3 22
Studietaak 4 31
,Studietaak 0
Wetenschap is een manier om tot kennis te komen.
→ Epistemologie = kennisleer
Kennis = opvatting die waar en gerechtvaardigd is
● Opvatting
● Opvatting moet waar zijn
● Rechtvaardiging voor de opvatting: toeval uitsluiten
→ Meningen hebben vaak een gebrekkige rechtvaardiging
Peirce: van nature bepaalde opvattingen, twijfel veroorzaakt onrust
2 mogelijke toestanden van de mens
1. Overtuiging toestand
2. Toestand van twijfel
Manieren om van twijfel af te komen
Volharden en vermijden, autoriteit, a-priori methode (voorkeuren), wetenschappelijke methode.
Ryle ‘The concept of the mind’
● Fundamenteel onderzoek → systematisch, verklarend
● Toegepast onderzoek → voorspellen
Craap-criteria → betrouwbaarheid en kwaliteit van bronnen
1. Currency (recent)
2. Relevance
3. Authority
4. Accuracy (nauwkeurigheid)
5. Purpose
Wetenschap = verzameling kennis door zintuigen (ervaringen en waarneming)
● empirisch
● gekenmerkt door methoden en werkwijze
Ontstaan van empirische methode door geocentrisch model (aarde als middelpunt) te vervangen door
heliocentrisch model (zon als middelpunt) a.d.h.v directe waarneming via telescoop
→ Start wetenschappelijke revolutie 1593
→ Copernicus
Descriptieve uitspraken = ‘wat is’
Normatieve uitspraken = ‘wat wenselijk is’
,Wetenschap gebruikt en leunt op theorieën (ideeën, gedachten, modellen) → objectiviteit belangrijk
Studietaak 1
Wetenschappelijke revolutie = periode na
middeleeuwen, dogmatische kerkelijke wereldbeeld
werd vervangen door een mechanistisch beeld.
→ Mechanisering maakte wetenschappelijke studie
van de wereld mogelijk.
→ Begin wetenschappelijke revolutie: revolutionibus
orbium coelestium van Nicolaus Copernicus (1543) →
loslaten meer christelijke wereldbeeld voor een
mechanisch wereldbeeld.
Aristotelisch-christelijke wereldbeeld = universum in
perfecte, goddelijke balans met aarde als middelpunt.
Het enige die de balans verstoort is de zondige mens.
Het doel van dit wereldbeeld is om de zondige mens
voor te schrijven hoe de wereld, en de plaats van de
mens daarin, begrepen moet worden. Het gaat niet om de ware aard van de wereld achterhalen.
,Belangrijke namen
● Copernicus → beginpunt wetenschappelijke revolutie (heliocentrisch model en publicatie van
‘de revolutionibus orbium coelestium'). Van christelijk denkbeeld naar meer mechanisch. Meer
kritische denkers.
● Kepler en Galilei → ondersteunen met verdere mathematische modellering het wereldbeeld van
copernicus.
● Newton ‘Philosophiae naturalis principia mathematica’ → principe van zwaartekracht. Ontwerpt
de klassieke mechanica (1687) daarmee is de mechanisering van het wereldbeeld in de
natuurkunde een feit (begin).
● Darwin ‘on the origin of species’ → voltooiing van de wetenschappelijke revolutie (eind).
Psychologische revolutie
Belangrijke namen in psychologie
● Wundt, James en Freud → grondleggers moderne psychologie.
● Skinner → systematisch mechaniseren van ons mensbeeld met zijn behavioristische programma
en publicatie van ‘the behavior of organisms' → voltrekking van wetenschappelijke revolutie in
de psychologie.
De wetenschappelijke revolutie in het kader van de psychologie legt de focus op de mens.Deze laat
psychologische verandering die ten grondslag ligt aan de wetenschappelijke revolutie zien. De basis van
ons begrip komt door ons feilbaar perceptueel en cognitief systeem.
Correspondentie
Kernprobleem van wetenschap is hoe de wetenschapper kennis over de wereld kan vergaren.
Essentie wetenschap = Verzamelen nieuwe gegevens over wereld om opvattingen te vormen die stroken
met de werkelijkheid.
→ Om opvattingen in lijn te krijgen met werkelijkheid: actief zoeken naar empirische (waarneembare)
gegevens om deze opvattingen te toetsen.
Wetenschappelijke kennis = de wereld en ons begrip van de wereld wisselen informatie uit: wij
verzamelen informatie over de wereld, waardoor ons beeld van die wereld gevormd wordt, en via ons
handelen beïnvloeden wij de wereld, waardoor de wereld vorm krijgt, ook wel→ Correspondentie:
totale verzameling van die informatie-uitwisseling (is perfect wanneer kennis overeenkomt met de
werkelijkheid).
Perfecte correspondentie = perfecte afstemming tussen onze opvattingen over de wereld en de wereld
zelf. Kennis komt overeen met de werkelijkheid.
Correspondentie Probleem = is er een wereld buiten ons, en een ervaring van die wereld in ons, en hoe
corresponderen die twee met elkaar.
, Scepticisme, rationalisme en empirisme: correspondentie probleem
De griekse oudheid
● Socrates
● Plato
● Aristoteles
Scepticisme → we zullen nooit zekere kennis bezitten
Socrates: nooit volledig vertrouwen op onze zintuigen en zekere kennis is onmogelijk omdat iedereen
vanuit een ander perspectief kijkt met andere levenservaringen en andere ideeën.
● Gaat niet uit van waarheden maar staat onderzoekend in de wereld.
● We zullen nooit zeker weten of de kennis in ons bewustzijn correspondeert met de wereld
buiten ons bewustzijn.
● Je weet 1 ding zeker, en dat is dat je niets weet.
Rationalisme → kennis ontlenen aan het verstand (ratio) omdat we in dit verstand aangeboren
zekerheden bezitten.
Plato: Zintuigen zijn geen betrouwbare bron maar we kunnen wel zekere kennis hebben. Deze zekere
kennis hebben we niet omdat we dingen waarnemen maar omdat wij in ons verstand een beeld hebben.
In ons aangeboren verstand hebben wij het ideaalbeeld en dat hoeven wij ons enkel te herinneren.
● Gaat uit van het denken
● De wereld van ideeën: wereld van het verstand, kan alleen worden verkregen door middel van
rede.
● Deductie (redenering van algemeen naar specifiek, uit geldigheid volgt niet per definitie
waarheid)
Empirisme → zintuigen juist gebruiken.
Aristoteles → vond de bovenstaande standpunten beperkt omdat dat betekent dat we kennis beperken
tot alles wat wij al weten en dus nooit iets nieuws kunnen leren.
● Om kennis op te doen moeten wij onderzoeken met onze zintuigen. Hiermee hebben we geen
zekere kennis, daarvoor zouden we meerdere onderzoeken moeten doen om erachter te komen
wat de gemeenschappelijke factoren zijn. Op den duur hebben we dan voldoende onderzocht
om te concluderen wat de essentie is (inductie). Op dat moment maken we een intuïtief
sprongetje naar algemene geldige kennis over dat onderwerp.
● Ervaring staat centraal: dat wat zij zintuigelijk ervaren & de opgedane ervaring waarvan de
optelsom leidt tot intuïtie: een speciale eigenschap van onze geest die helpt om op basis van
een beperkt aantal waarnemingen toch tot algemeenheden te komen.
● Tabula rasa geboren en de omgeving laat haar indrukken achter.
● Inductie (van specifiek naar algemeen principe, elke observatie verhoogt de waarschijnlijkheid
van de veronderstelling maar maakt het nooit met zekerheid waar).