Turnen
Mechanica van het balanceren;
Bij balanceren gaat het om het bewaren van het evenwicht in een bepaalde houding(statisch
balanceren) en om het bewaren van balans tijdens het bewegen (dynamisch balanceren). De
aspecten die daar hun invloed op hebben zijn:
- Steunvlakken
o De grootte van het steunvlak is bepalend voor het evenwicht. Hoe groter het
steunvlak, hoe beter de balans is. Het LZP moet voor een goede balans in het
steunvlak vallen. Bij dynamische balans hoeft dit niet altijd het geval te zijn.
- Ligging van het LZP
o Hoe stevig iemand staat heeft ook te maken met de hoogte van het LZP. Als de
afstand van het LZP ten opzichte van het steunpunt/draaipunt groter wordt, zal de
persoon minder stevig staan.
- Som van de krachten
o Je bent in balans als de som van alle krachten ‘’0’’ is. hierdoor worden translaties
(verplaatsing) uitgesloten.
- Som van de momenten.
o Doordat de som van alles momenten ook gelijk is aan ‘’0’’, worden rotaties ook
uitgesloten. Als het LZP buiten het steunvlak/draaipunt komt, is er dus sprake van
rotatie.
Veiligheid:
Veiligheid binnen een bewegingsonderwijsleersituatie wordt door verschillende dingen gekenmerkt:
- Kennis van de docent
o Je bent als docent verantwoordelijk voor het op- en in orde houden van je lessen en
de keuzes die je maakt met betrekking tot het bewegen van de kinderen. Onderdeel
hiervan zijn bijvoorbeeld: Voldoen kinderen aan de voorwaarden die nodig zijn om
een bepaalde beweging uit te voeren?, Wie kan er al naar de volgende stap in de
methodiek?, Welke leerlingen blijven achterlopen qua niveau? En kunnen leerlingen
elkaar hulpverlenen.
- Werken vanuit een plan
o Een plan van aanpak vindt plaats op verschillende
Plan van
niveaus. Bijvoorbeeld het vakwerkplan, leerlijnen, lessenseries etc.
aanpak Door dit soort dingen te gebruiken wordt de veiligheid ook
(plan)
gewaarborgd in de les. De kinderen doorlopen een consequente
opbouw met consequente regels.
Verbeteren Uitvoering
(act) (Do)
Evaluatie
(check
, - Faseren van bewegingen.
o Als een docent de beweging in fases kan onderverdelen, kan de veiligheid voor een
deel gewaarborgd worden. Het faseren van bewegingen draagt ertoe bij dat de
docent inzicht heeft in bewegingen waardoor verantwoorde keuzes gemaakt kunnen
worden.
- Bouwstenen
o De basis van een turnbeweging op school. Als leerlingen deze beheersen, kunnen ze
het verder uitbouwen, maar ze kunnen er ook op terugvallen.
- Bewegingsondersteuning.
o Hulpverlenen
Hulpverlenen is ervoor te zorgen dat de beweging, die de beweger nog niet
zelfstandig kan maken, lukt.
Heffen en dragen
Beweger zo vroeg mogelijk in de beweging vast vakken, als voor de
beweger begint of voor de hoofdfase.
Zo lang mogelijk de beweging begeleiden.
Steunen
Geven van een zetje/steuntje om de beweging te voltooien.
Toevoegen van ontbrekende fysieke kracht.
Sturen
Leerlingen de beweging laten voelen.
Je bent aan het vangen als een beweging die fout gaat of fout dreigt te gaan.
o Vangen
Beveiligen
Lijkt op hulpverlenen maar het verschil is dat er bij beveiligen pas
wordt ingegrepen om het moment dat het dreigt fout te gaan.
Taak voor een ervaren iemand of leraar.
Sturen
Bij vangend sturen is er tijdens de beweging geen lichamelijk
contact. Dat gebeurt pas wanneer het fout dreigt te gaan. Vangend
sturen heeft hier een coachende rol.
o Dingen die je je als docent moet afvragen bij bewegingsondersteuning
Doel van de ondersteuning
Intentie van de ondersteuning.
Sluit de sfeer in de leersituatie aan bij bewegingsondersteuning.
Heeft de ondersteuner de kwaliteit.
Welke kant ga je staan
Zorg voor duidelijk contact met de beweger
Maak afspraken over het moment van uitvoeren.
- Pedagogisch klimaat.
o Creëren van een goede turnsfeer.
, Het leren van een motorische taak:
Expliciet leren: Leren wat gekenmerkt wordt doordat tijdens het leerpr oces
door de beweger kennis wordt opgedaan die hij expliciet kan verwoorden
(verbaal).
Impliciet leren: Bij impliciet leren heeft de beweer wel de noodzakelijke kennis
opgedaan om de beweging uit te voeren maar op et moment dat de beweger
gevraagd wordt naar specifieke kennis dat weet hij dit niet. het bewegen vind
onbewust plaats.
Vormen van impliciet leren:
- Foutloos leren:
o Bij foutloos leren wordt het maken van fouten voorkomen. Je bent continue bezig
om de foutmarges af te stemmen op het prestatieniveau van de leerling. Hierdoor
maken de leerlingen geen of weinig fouten. Met foutloos leren is de beweging
haalbaar.
- Analogie leren:
o Analogie leren is leren door middel van beeldspraak. ‘’maak je zo klein als een
tennisbal’’ is een goed voorbeeld hiervan.
- Differentieel leren:
o Bij differentieel leren wordt de beweger in het leerproces geconfronteerd met een
groot aantal oplossingen van een bewegingsuitdaging.
Inrichten van oefensessies:
Blocked Een beweging in 1 arrangement.
practice
Random 3 verschillende bewegingen in afwisseling met elkaar en
practice met verschillende arrangementen
Constant 3 verschillende bewegingen afwisselend in 1
practice arrangement.
Varied 1 beweging in verschillende arrangementen.
Practice
Mechanica van het balanceren;
Bij balanceren gaat het om het bewaren van het evenwicht in een bepaalde houding(statisch
balanceren) en om het bewaren van balans tijdens het bewegen (dynamisch balanceren). De
aspecten die daar hun invloed op hebben zijn:
- Steunvlakken
o De grootte van het steunvlak is bepalend voor het evenwicht. Hoe groter het
steunvlak, hoe beter de balans is. Het LZP moet voor een goede balans in het
steunvlak vallen. Bij dynamische balans hoeft dit niet altijd het geval te zijn.
- Ligging van het LZP
o Hoe stevig iemand staat heeft ook te maken met de hoogte van het LZP. Als de
afstand van het LZP ten opzichte van het steunpunt/draaipunt groter wordt, zal de
persoon minder stevig staan.
- Som van de krachten
o Je bent in balans als de som van alle krachten ‘’0’’ is. hierdoor worden translaties
(verplaatsing) uitgesloten.
- Som van de momenten.
o Doordat de som van alles momenten ook gelijk is aan ‘’0’’, worden rotaties ook
uitgesloten. Als het LZP buiten het steunvlak/draaipunt komt, is er dus sprake van
rotatie.
Veiligheid:
Veiligheid binnen een bewegingsonderwijsleersituatie wordt door verschillende dingen gekenmerkt:
- Kennis van de docent
o Je bent als docent verantwoordelijk voor het op- en in orde houden van je lessen en
de keuzes die je maakt met betrekking tot het bewegen van de kinderen. Onderdeel
hiervan zijn bijvoorbeeld: Voldoen kinderen aan de voorwaarden die nodig zijn om
een bepaalde beweging uit te voeren?, Wie kan er al naar de volgende stap in de
methodiek?, Welke leerlingen blijven achterlopen qua niveau? En kunnen leerlingen
elkaar hulpverlenen.
- Werken vanuit een plan
o Een plan van aanpak vindt plaats op verschillende
Plan van
niveaus. Bijvoorbeeld het vakwerkplan, leerlijnen, lessenseries etc.
aanpak Door dit soort dingen te gebruiken wordt de veiligheid ook
(plan)
gewaarborgd in de les. De kinderen doorlopen een consequente
opbouw met consequente regels.
Verbeteren Uitvoering
(act) (Do)
Evaluatie
(check
, - Faseren van bewegingen.
o Als een docent de beweging in fases kan onderverdelen, kan de veiligheid voor een
deel gewaarborgd worden. Het faseren van bewegingen draagt ertoe bij dat de
docent inzicht heeft in bewegingen waardoor verantwoorde keuzes gemaakt kunnen
worden.
- Bouwstenen
o De basis van een turnbeweging op school. Als leerlingen deze beheersen, kunnen ze
het verder uitbouwen, maar ze kunnen er ook op terugvallen.
- Bewegingsondersteuning.
o Hulpverlenen
Hulpverlenen is ervoor te zorgen dat de beweging, die de beweger nog niet
zelfstandig kan maken, lukt.
Heffen en dragen
Beweger zo vroeg mogelijk in de beweging vast vakken, als voor de
beweger begint of voor de hoofdfase.
Zo lang mogelijk de beweging begeleiden.
Steunen
Geven van een zetje/steuntje om de beweging te voltooien.
Toevoegen van ontbrekende fysieke kracht.
Sturen
Leerlingen de beweging laten voelen.
Je bent aan het vangen als een beweging die fout gaat of fout dreigt te gaan.
o Vangen
Beveiligen
Lijkt op hulpverlenen maar het verschil is dat er bij beveiligen pas
wordt ingegrepen om het moment dat het dreigt fout te gaan.
Taak voor een ervaren iemand of leraar.
Sturen
Bij vangend sturen is er tijdens de beweging geen lichamelijk
contact. Dat gebeurt pas wanneer het fout dreigt te gaan. Vangend
sturen heeft hier een coachende rol.
o Dingen die je je als docent moet afvragen bij bewegingsondersteuning
Doel van de ondersteuning
Intentie van de ondersteuning.
Sluit de sfeer in de leersituatie aan bij bewegingsondersteuning.
Heeft de ondersteuner de kwaliteit.
Welke kant ga je staan
Zorg voor duidelijk contact met de beweger
Maak afspraken over het moment van uitvoeren.
- Pedagogisch klimaat.
o Creëren van een goede turnsfeer.
, Het leren van een motorische taak:
Expliciet leren: Leren wat gekenmerkt wordt doordat tijdens het leerpr oces
door de beweger kennis wordt opgedaan die hij expliciet kan verwoorden
(verbaal).
Impliciet leren: Bij impliciet leren heeft de beweer wel de noodzakelijke kennis
opgedaan om de beweging uit te voeren maar op et moment dat de beweger
gevraagd wordt naar specifieke kennis dat weet hij dit niet. het bewegen vind
onbewust plaats.
Vormen van impliciet leren:
- Foutloos leren:
o Bij foutloos leren wordt het maken van fouten voorkomen. Je bent continue bezig
om de foutmarges af te stemmen op het prestatieniveau van de leerling. Hierdoor
maken de leerlingen geen of weinig fouten. Met foutloos leren is de beweging
haalbaar.
- Analogie leren:
o Analogie leren is leren door middel van beeldspraak. ‘’maak je zo klein als een
tennisbal’’ is een goed voorbeeld hiervan.
- Differentieel leren:
o Bij differentieel leren wordt de beweger in het leerproces geconfronteerd met een
groot aantal oplossingen van een bewegingsuitdaging.
Inrichten van oefensessies:
Blocked Een beweging in 1 arrangement.
practice
Random 3 verschillende bewegingen in afwisseling met elkaar en
practice met verschillende arrangementen
Constant 3 verschillende bewegingen afwisselend in 1
practice arrangement.
Varied 1 beweging in verschillende arrangementen.
Practice