De cel als basiseenheid van het leven
Kenmerken van levende wezens:
1. Gestructureerd:
cellen, celorganellen, macromoleculen, bouwstenen
2. Dynamisch evenwicht:
metabolisme, signaaloverdracht
3. Groei + reproductie:
synthese van macromoleculen, celdeling, vorming van geslachtscellen
Korte geschiedenis van de celtheorie
Historisch overzicht
Robert Hooke (1665): cellula (kamertje) in kurk (dode cel): 30x vergroting
Antonie van Leeuwenhoek (eind 17e eeuw): zag voor het eerst levende cellen: 300x vergroting.
Rond 1830: 1 µm onderscheidbaar: microscopen met twee lenzen (oogdeel en objectief)
1838: Matthias Schleiden: alle planten bestaan uit cellen.
1839: Theodor Schwann: alle dieren bestaan uit cellen.
Celtheorie, Schwann, 1839
1. Alle organismen bestaan uit één of meerdere cellen.
2. De cel is de basiseenheid van het leven.
3. Alle cellen ontstaan uit andere cellen (omnis cellula e cellula) (1855).
Diversiteit in vorm en grootte
vorm ≈ functie
-6
µm (10 m)
-9
nm (10 m)
-10
Angstrom (10
m)
2 2
Bacterial cell: V3= r h = (3.14)(0.5) (2.0) = 1.57
µm
3 3 3
Liver cell: V = 4r /3 = 4(3.14)(10) /3 = 4200 µm
2 2
Palisade cell: V 3= r h = (3.14)(10) (35) = 11,000
µm
1
, Het ontstaan van de moderne celbiologie
- Cytologie: beschrijving van celstructuur en organellen (optische
technieken)
- Biochemie: chemie van de cel (macromoleculen + bouwstenen),
metabolisme, signaaltransductie
- Genetica: erfelijke informatie (DNA)
Cytologische streng: microscopie
Algemeen: Fig.: tijdlijn van de celbiologie, gescheiden
- Lichtbron (of elektronenbundel), specimen(=voorbeeld), serieel strengen versmelten tot één
georganiseerde lenzen (of elektromagnetisch veld)
Principe:
- Een beeld wordt gevormd doordat het specimen de fysische
karakteristieken van een fotonen- of elektronenbundel wijzigt.
- De graad van interactie tussen de ‘lichtbron’ en het specimen hangt
af van het verband tussen de grootte van het object en de golflengte
van de ‘lichtbron’.
Resolutie:
(=Minimale afstand tussen 2 punten om ze als afzonderlijke punten te kunnen herkennen)
- Hoe ver moeten objecten gescheiden zijn om ze afzonderlijk waar te
nemen? Resolutie is recht evenredig met de golflengte van de
lichtbron. (kleine golflengte=kleine objecten)
- Lichtmicroscopie: > 200 nm (vergroting: < 1000x): objecten minsten
200nm van elkaar
- Elektronenmicroscopie: > 0,2 – 2 nm (vergroting: 100 000x): objecten
minstens 0,2nm van elkaar
- Oog: > 0,2 mm
Lichtmicroscopie Elektronenmicroscopie
Visueel licht Elektronenbundel
Glaslens Elektromagnetische lens
Lange golflengte Korte golflengte
Kleinere resolutie Grotere resolutie
Celorganellen
Lichtmicroscopie (5mm-0,8µm)
2