Samenvatting Geschiedenis hst 4 – Verlichting en Revolutie
Par 1, par 2, par 3, par 4, par 5, par 6
Blz. 88 t/m 90 – 90 t/m 94 – 95 t/m 98 – 99 t/m 101 – 101 t/m 105 – 106 t/m 109
4.1 Oriëntatie Burgers in opstand | 88 t/m 90
Een grondwet voor alle Fransen
Precies een jaar na het uitbreken van de Franse revolutie was (bijna) alles in orde:
De grondwet was bijna af
Frankrijk was weer een eenheid en dat moest gevierd worden (1790)
De leden van de Nationale Vergadering (het nieuwe parlement) zworen trouw aan koning
Lodewijk XVI, de wet en de grondwet
Doel van de Franse Revolutie: alle inwoners van Frankrijk hebben dezelfde rechten
Lodewijk XVI werd in 1793 veroordeeld voor hoogverraad en werd onthoofd
Kritiek op de koning
De periode voorafgaand aan de Franse Revolutie:
Positie van de koning:
o Hij had alle macht in handen
o Regeerde als absolute heerser
De samenleving was in die tijd opgedeeld in 3 standen
Elke stand had andere rechten en plichten – er was geen sprake van gelijkheid
Koning Lodewijk XIV (1643-1715): “de zonnekoning”
Voerde zoveel oorlogen, dat hij geen geld meer had
Er kwam steeds meer kritiek op:
o De manier van regeren van de koningen
o De ongelijkheid in de samenleving
De Fransen eisten meer gelijkheid en meer inspraak in het bestuur
Tijdens de Franse revolutie (1789-1799) werd een belangrijk document opgesteld:
De ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger’
Er kwam een grondwet waarin de macht van de koning werd beperkt
Deze idealen werden overal steeds populairder: de idealen van de Verlichting
Waarom is de geschiedenis van de Verlichting en de Franse Revolutie belangrijk?
In de tijd van de Franse Revolutie:
Hadden gewone burgers (en boeren) weinig te zeggen (deze behoorden tot de 3 e stand)
De samenleving was verdeeld in 3 standen
Er werd geprobeerd een aantal nieuwe ideeën over de rechten van de mens en een goed
bestuur in de praktijk te brengen
Ook werd de guillotine uitgevonden (onthoofding, vorm van de doodstraf op een
menswaardige manier)
, 4.2 Lodewijk XIV, een absolute heerser | 90 t/m 94
Een moeizame start (1649)
Het gaat niet goed met Frankrijk
Er was oorlog met Spanje – kostte veel geld
Er braken opstanden uit – de troon was in gevaar (Lodewijk vluchtte - hij was 11)
Kardinaal Mazarin was een belangrijk adviseur (van Lodewijk en zijn moeder)
Hij redde de troon door verdeeldheid te zaaien
Toen Lodewijk 15 was, werd hij officieel tot koning gekroond
Mazarin overlijdt (1661) Lodewijk besluit alleen te regeren
De adel onder de duim
Lodewijk vertrouwde de adel niet:
Liet het Kasteel van Versailles bouwen, in de bijgebouwen woonden veel adellijke families
Zo kon hij de adel in de gaten houden (ook feesten - de adel moest aanwezig zijn)
In Kasteel Versailles moet je je aan de regels van de koning houden
Mensen die te machtig waren, liet hij opsluiten
Lodewijk zag zichzelf als middelpunt van Frankrijk liet zich ‘de Zonnekoning’ noemen
Een nationaal leger
Lodewijk bedacht een manier om de macht van de adel binnen het leger te beperken én tegelijkertijd het
leger te reorganiseren:
Hij wilde af van huurlegers (want die waren trouw aan hun aanvoerders) werd nationaal leger
Hij bedacht nieuwe rangen werden op basis van talent en verdiensten toegewezen
Het leger werd uiteindelijk alleen door Lodewijk aangestuurd
Het leger werd veel beter getraind
In heel Europa was iedereen bang voor het Franse leger
Eén vorst, één geloof, één wet
Lodewijk XIV had de adel onder controle, maar hij wilde nog meer macht!
Lodewijk XIV verklaarde het document ‘Het Edict van Nantes’ (de rechten van de protestanten)
ongeldig, omdat hij één vorst en één geloof wilde
Voor de protestanten (hugenoten) had dit grote gevolgen:
Ze moesten zich bekeren tot het katholicisme óf vluchten
200.000 hugenoten vluchtten, de grootste Europese migratie in die tijd
Het ‘Droit Divin’
Lodewijk XIV was op het toppunt van zijn macht:
Er was één koning die zijn burgers de wetten toeschreef
Er was één geloof
Hij stond zelf aan het hoofd van het leger
Hij wilde het volk een goede uitleg geven waarom hij zoveel macht had.
Het ‘Droit Divin’ (het goddelijke recht):
God heeft de koning aangewezen als zijn vertegenwoordiger op aarde
De koning is alleen verantwoording schuldig aan God
Hij moest zijn best doen om die macht te gebruiken om zijn volk zo goed mogelijk te dienen.
Wanneer een heerser alle macht in handen heeft én vindt dat hij aan niemand verantwoording
schuldig is, behalve aan God, noemen we dat absolutisme
Par 1, par 2, par 3, par 4, par 5, par 6
Blz. 88 t/m 90 – 90 t/m 94 – 95 t/m 98 – 99 t/m 101 – 101 t/m 105 – 106 t/m 109
4.1 Oriëntatie Burgers in opstand | 88 t/m 90
Een grondwet voor alle Fransen
Precies een jaar na het uitbreken van de Franse revolutie was (bijna) alles in orde:
De grondwet was bijna af
Frankrijk was weer een eenheid en dat moest gevierd worden (1790)
De leden van de Nationale Vergadering (het nieuwe parlement) zworen trouw aan koning
Lodewijk XVI, de wet en de grondwet
Doel van de Franse Revolutie: alle inwoners van Frankrijk hebben dezelfde rechten
Lodewijk XVI werd in 1793 veroordeeld voor hoogverraad en werd onthoofd
Kritiek op de koning
De periode voorafgaand aan de Franse Revolutie:
Positie van de koning:
o Hij had alle macht in handen
o Regeerde als absolute heerser
De samenleving was in die tijd opgedeeld in 3 standen
Elke stand had andere rechten en plichten – er was geen sprake van gelijkheid
Koning Lodewijk XIV (1643-1715): “de zonnekoning”
Voerde zoveel oorlogen, dat hij geen geld meer had
Er kwam steeds meer kritiek op:
o De manier van regeren van de koningen
o De ongelijkheid in de samenleving
De Fransen eisten meer gelijkheid en meer inspraak in het bestuur
Tijdens de Franse revolutie (1789-1799) werd een belangrijk document opgesteld:
De ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger’
Er kwam een grondwet waarin de macht van de koning werd beperkt
Deze idealen werden overal steeds populairder: de idealen van de Verlichting
Waarom is de geschiedenis van de Verlichting en de Franse Revolutie belangrijk?
In de tijd van de Franse Revolutie:
Hadden gewone burgers (en boeren) weinig te zeggen (deze behoorden tot de 3 e stand)
De samenleving was verdeeld in 3 standen
Er werd geprobeerd een aantal nieuwe ideeën over de rechten van de mens en een goed
bestuur in de praktijk te brengen
Ook werd de guillotine uitgevonden (onthoofding, vorm van de doodstraf op een
menswaardige manier)
, 4.2 Lodewijk XIV, een absolute heerser | 90 t/m 94
Een moeizame start (1649)
Het gaat niet goed met Frankrijk
Er was oorlog met Spanje – kostte veel geld
Er braken opstanden uit – de troon was in gevaar (Lodewijk vluchtte - hij was 11)
Kardinaal Mazarin was een belangrijk adviseur (van Lodewijk en zijn moeder)
Hij redde de troon door verdeeldheid te zaaien
Toen Lodewijk 15 was, werd hij officieel tot koning gekroond
Mazarin overlijdt (1661) Lodewijk besluit alleen te regeren
De adel onder de duim
Lodewijk vertrouwde de adel niet:
Liet het Kasteel van Versailles bouwen, in de bijgebouwen woonden veel adellijke families
Zo kon hij de adel in de gaten houden (ook feesten - de adel moest aanwezig zijn)
In Kasteel Versailles moet je je aan de regels van de koning houden
Mensen die te machtig waren, liet hij opsluiten
Lodewijk zag zichzelf als middelpunt van Frankrijk liet zich ‘de Zonnekoning’ noemen
Een nationaal leger
Lodewijk bedacht een manier om de macht van de adel binnen het leger te beperken én tegelijkertijd het
leger te reorganiseren:
Hij wilde af van huurlegers (want die waren trouw aan hun aanvoerders) werd nationaal leger
Hij bedacht nieuwe rangen werden op basis van talent en verdiensten toegewezen
Het leger werd uiteindelijk alleen door Lodewijk aangestuurd
Het leger werd veel beter getraind
In heel Europa was iedereen bang voor het Franse leger
Eén vorst, één geloof, één wet
Lodewijk XIV had de adel onder controle, maar hij wilde nog meer macht!
Lodewijk XIV verklaarde het document ‘Het Edict van Nantes’ (de rechten van de protestanten)
ongeldig, omdat hij één vorst en één geloof wilde
Voor de protestanten (hugenoten) had dit grote gevolgen:
Ze moesten zich bekeren tot het katholicisme óf vluchten
200.000 hugenoten vluchtten, de grootste Europese migratie in die tijd
Het ‘Droit Divin’
Lodewijk XIV was op het toppunt van zijn macht:
Er was één koning die zijn burgers de wetten toeschreef
Er was één geloof
Hij stond zelf aan het hoofd van het leger
Hij wilde het volk een goede uitleg geven waarom hij zoveel macht had.
Het ‘Droit Divin’ (het goddelijke recht):
God heeft de koning aangewezen als zijn vertegenwoordiger op aarde
De koning is alleen verantwoording schuldig aan God
Hij moest zijn best doen om die macht te gebruiken om zijn volk zo goed mogelijk te dienen.
Wanneer een heerser alle macht in handen heeft én vindt dat hij aan niemand verantwoording
schuldig is, behalve aan God, noemen we dat absolutisme