Onderwerp: Fiscaal procesrecht/rechtsbescherming
Inleiding
Materieel belastingrecht betreft het geheel aan bepalingen over het ontstaan, de omvang en het tenietgaan
van de belastingschuld.
Formeel belastingrecht regelt:
- de wijze waarop de belastingschuld wordt vastgesteld (heffing);
- de omvang van de bevoegdheden die de fiscus daarvoor toekomen (invordering); en
- de waarborgen voor de belastingplichtige tegen overschrijding of onjuist gebruik van die
bevoegdheden (rechtsbescherming).
Wetgeving
Awb
- Het bestuursrecht betreft alle rechtsverhoudingen tussen burgers en overheid, met uitzondering
van het strafrecht.
- Het formele belastingrecht is een onderdeel van het bestuursrecht.
AWR
- Specifiek gericht op het belastingrecht.
- Bevat bepalingen die afwijken van of aanvullend zijn op de Awb. Bijvoorbeeld 8:1 Awb: elke
belanghebbende kan tegen elk besluit beroep instellen bij de bestuursrechter (open stelsel van
rechtsbescherming).
o In het belastingrecht is het beroep beperkt tot belastingaanslagen, aangiftebelastingen
(voldoening of afdracht op aangifte), inhoudingen door inhoudingsplichtigen en
beschikkingen die volgens de wet als voor bezwaar vatbaar zijn aangemerkt (26 AWR). Dit
wordt het gesloten stelsel van rechtsbescherming genoemd.
o Alleen een beperkt aantal belanghebbenden kan beroep instellen tegen een
belastingaanslag of voor bezwaar vatbare beschikking (26a AWR).
▪ Je kunt dus bijvoorbeeld niet in bezwaar gaan tegen het besluit van de inspecteur
om een boekenonderzoek in te stellen (47 AWR), tegen besluiten op grond van 63
& 65 AWR en 25 & 26 Iw. Wordt er toch bezwaar gemaakt, dan volgt niet-
ontvankelijkheid.
▪ Wel kun je een hoger administratief orgaan benaderen (de minister van
Financiën), de Nationale Ombudsman inschakelen, of een civiele procedure
starten wegens onrechtmatige daad.
- De AWR wordt mede beïnvloed door de Awb, het EVRM, het IVBPR en het Unierecht. Bijvoorbeeld
6:2 Awb: het niet tijdig nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit waartegen
bezwaar openstaat, indien een wettelijke termijn voor besluitvorming bestaat.
Twee heffingsmethoden in het belastingrecht
Aanslagbelastingen (hoofdstuk 3 AWR)
- De belasting wordt vastgesteld door de inspecteur via een aanslag (11 AWR).
- Door middel van de aanslag wordt de materieel reeds bestaande belastingschuld geformaliseerd.
Dit heeft twee effecten:
1. De belastingschuld wordt vastgesteld (declaratoir effect).
2. De aanslag verschaft de ontvanger de bevoegdheid om invorderingsmaatregelen te
nemen (constitutief effect).
- Voorbeelden van aanslagbelastingen: IB (9.1/1 IB) en Vpb (24/1 Vpb).
- Een aanslag kan ook zonder aangifte worden vastgesteld, maar meestal wordt eerst aangifte
gedaan omdat dit de meest juiste informatie oplevert (11/2 AWR).
Aangiftebelastingen (hoofdstuk 4 AWR)
- De belasting wordt vastgesteld door de belastingplichtige of inhoudingsplichtige via de aangifte
(“doe-het-zelf-belasting”).
- Sub methodes:
o Voldoening op aangifte = degene die betaalt is de belastingplichtige.
Voorbeeld: OB (14/1 OB). De ondernemer berekent zelf welk bedrag hij aan OB moet
afdragen aan de fiscus en maakt dit over. Hier komt in principe geen inspecteur aan te pas.
, o Afdracht op aangifte = de belasting wordt afgedragen door een ander dan de
belastingplichtige.
Voorbeeld: LB (27/5 LB). De werkgever (inhoudingsplichtige) draagt de belasting
namens de werknemer (belastingplichtige) af aan de fiscus.
o In de AWR is het systeem bij voldoening op aangifte en afdracht op aangifte hetzelfde. Het
verschil zit in de benaming: bij afdracht op aangifte wordt gesproken van de
inhoudingsplichtige. Dus als in de wet de term ‘inhoudingsplichtige’ wordt gebruikt, weet
je dat het gaat om afdracht op aangifte.
- Hoe weet je of het om een aanslag- of aangiftebelasting gaat?
Dat blijkt uit de desbetreffende heffingswet, meestal aan het einde van de wet.
Rechtsbescherming: standaardprocedure
Voorbeeld: er is een aanslag Vpb opgelegd door de inspecteur en de bestuurder van de vennootschap is
het niet eens met de hoogte van de aanslag. Wat nu?
De eerste stap is het indienen van een bezwaarschrift. Je maakt dus bezwaar tegen de aanslag.
Stappenplan bezwaar
- De aanslag wordt opgelegd door de inspecteur (11/1 AWR).
- Bezwaar maken bij de inspecteur (6:4/1 Awb).
- Eisen waaraan het bezwaarschrift moet voldoen (6:5 Awb).
Als niet aan deze eisen wordt voldaan, is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk (6:6 Awb). De
inspecteur moet echter eerst de gelegenheid geven het verzuim binnen een gestelde termijn te
herstellen.
- De bezwaartermijn is zes weken (6:7 Awb).
o De termijn begint op de dag na die waarop het besluit is bekendgemaakt (6:8 Awb).
o Let op 22j AWR: bij de IB en Vpb begint de termijn op de dag na de dagtekening van het
aanslagbiljet, tenzij deze dagtekening vóór de feitelijke bekendmaking ligt. In dat geval
geldt de dag van bekendmaking.
De aanslag komt tot stand op het moment dat de inspecteur het aanslagbiljet
opmaakt (5 AWR). Omdat dit niet voor de belastingplichtige zichtbaar is, geldt de
dagtekening als uitgangspunt.
o Staat er geen dagtekening op het aanslagbiljet? Dan geldt de dag van bekendmaking (6:8
Awb).
- Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen (6:9/1 Awb)
– de ontvangsttheorie. Als het bezwaarschrift per post wordt verzonden, is het ook tijdig als het voor
het einde van de termijn is gepost en binnen een week na afloop van de termijn wordt ontvangen
(6:9/2 Awb) – de verzendtheorie. De datum van bezorging blijkt uit de poststempel. Is de late
ontvangst te wijten aan een grove fout van het postbedrijf, dan kan dat niet aan de belanghebbende
worden toegerekend – gemitigeerde verzendtheorie.
- Voortijdig ingediend bezwaarschrift: in beginsel niet-ontvankelijk (6:6 Awb) als het bezwaar vóór
aanvang van de termijn is ingediend, om te voorkomen dat mensen preventief bezwaar maken.
Niet-ontvankelijkheid blijft achterwege (6:10/1 Awb) als het besluit al tot stand is gekomen of
dit kan worden aangenomen. Bijvoorbeeld: je ontvangt een aanslag met een toekomstige
dagtekening en dient direct bezwaar in.
- Te laat ingediend bezwaarschrift (6:11 Awb): in principe niet-ontvankelijk (6:6 Awb), tenzij
redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest
(“verschoonbaarheid”).
Alleen bijzondere, persoonlijke omstandigheden kunnen daartoe leiden. Vakantie, detentie of
zakenreis zijn géén geldige redenen.
- Doorzendplicht (6:15 Awb): wordt het bezwaarschrift ingediend bij een onbevoegd orgaan of
rechter, dan moet het zo spoedig mogelijk worden doorgezonden naar het bevoegde orgaan, met
gelijktijdige mededeling aan de afzender. Dit geldt ook als per abuis beroep is ingesteld in plaats
van bezwaar, of andersom.
- Inspecteur heroverweegt het bestreden besluit bij een ontvankelijk bezwaar (7:11/1 Awb).
- Uitspraak op bezwaar: rechtsmiddelenverwijzing (6:23 Awb). Hierin wordt vermeld wat je kunt doen
als je het niet eens bent met de beslissing op bezwaar.
, HR BNB 2019/184
- De inspecteur moet bij het bieden van een hersteltermijn uitdrukkelijk vermelden dat, indien het
verzuim niet wordt hersteld (ex 6:6 Awb), het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
- Indien de inspecteur heeft nagelaten deze mededeling te doen, moet aan de hand van de
omstandigheden van het geval worden beoordeeld of de niet-ontvankelijkverklaring van het
bezwaar in stand kan blijven.
Aanvulling: beoordeling ambtshalve van tijdigheid bezwaar of beroep in vorige instantie
Zoals bekend, wordt een bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard indien het te laat is
ingediend. Dit betekent dat in de bezwaarfase de inspecteur moet beoordelen of het bezwaar tijdig is
ingediend, en dat de rechtbank respectievelijk het gerechtshof moeten beoordelen of het (hoger) beroep
tijdig is ingesteld. In de fiscale praktijk kwam het voor dat de rechter ook ambtshalve – dus zonder dat een
van de partijen daarover klaagde – de tijdigheid van een bij de inspecteur ingediend bezwaarschrift
beoordeelde. Tot voor kort accepteerde de Hoge Raad deze praktijk. In BNB 2021/140 heeft de Hoge Raad
echter een ander standpunt ingenomen.
In zijn noot geeft Albert de essentie van dit arrest goed weer:
- Als de inspecteur het bezwaarschrift als tijdig ingediend heeft aangemerkt, moet de
rechtbank bij de beoordeling van belanghebbendes beroepschrift de ontvankelijkheid van het
bezwaarschrift respecteren.
- Als de rechtbank belanghebbendes beroepschrift tijdig ingediend acht en belanghebbende in het
gelijk stelt, moet het hof bij de beoordeling van het hogerberoepschrift van de inspecteur de
ontvankelijkheid van belanghebbendes beroepschrift respecteren (tenzij de inspecteur die
ontvankelijkheid in hoger beroep bestrijdt).
- Als de rechtbank belanghebbendes beroepschrift tijdig ingediend acht en de inspecteur in het
gelijk stelt, moet het hof bij de beoordeling van belanghebbendes hogerberoepschrift de
ontvankelijkheid van het beroepschrift respecteren (tenzij de inspecteur die ontvankelijkheid in
incidenteel hoger beroep bestrijdt).
- Als het Hof het hogerberoepschrift tijdig ingediend acht en een partij stelt beroep in cassatie in
tegen de uitspraak van het hof, moet de Hoge Raad de ontvankelijkheid van het hogerberoepschrift
respecteren (tenzij een partij die ontvankelijkheid in cassatie bestrijdt, zodat de ontvankelijkheid
voorwerp van geschil is).
- De rechtbank moet wel ambtshalve beoordelen of een bij haar ingekomen beroepschrift tijdig
ingediend is en het hof moet ambtshalve beoordelen of een bij hem ingekomen
hogerberoepschrift tijdig ingediend is. In die ambtshalve beoordeling heeft het arrest geen
verandering gebracht.’
Als de belastingplichtige geen gelijk heeft gekregen in de bezwaarprocedure, kan hij beroep instellen bij de
bestuursrechter door middel van een beroepschrift.
Stappenplan beroep
- Instellen van beroep (8:1 Awb).
- Indienen bij de rechtbank (8:6 via 8/9 bijlage 2 Awb).
- Termijn: zes weken.
- Griffierecht: te betalen door de indiener (8:41/1 Awb). Voor andere dan natuurlijke personen (bv,
nv, vof): € 385 (lid 2/c).
o HR BNB 2014/153: geen niet-ontvankelijkverklaring als de indiener het griffierecht niet kán
betalen. Dit vanwege 6 EVRM: eenieder moet toegang hebben tot een onafhankelijke
rechter.
o HR BNB 2015/197: geen niet-ontvankelijkverklaring wanneer een natuurlijk persoon
aannemelijk maakt dat het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken
minder bedraagt dan 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande én hij geen
vermogen bezit.
- Uitspraak (8:70 Awb)
o Onbevoegd: dit is relevant als er buiten het bestuursrecht wordt getreden, bijvoorbeeld
wanneer je een civiele procedure wilt starten en per abuis de bestuursrechter hebt
geadresseerd. Doorgaans geldt de doorzendplicht voor onbevoegde organen (6:15 Awb).