, Week 1 – Kartelverbod
Art. 101 lid 1 VWEU
Toepassing, vereisten
1. Sprake van
a. Een overeenkomt
b. Besluit van ondernemingsvereniging
c. Onderling afgestelde feitelijke gedraging
2. Tussen ondernemingen
3. Deze afspraken ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen
de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst
4. Handel tussen lidstaten beïnvloedt (eHect)
AD 1)
A. Overeenkomst = wilsovereenstemming tussen 2/ meer ondernemingen
- Ook schijnbare eenzijdige maatregelen ondernemingen + langdurige
betrekkingen met anderen > maatregelen aanvaarden)
- Collectieve overeenkomsten: (immuniteit)
HVJEU Brentjes: Collectieve overeenkomst immuun voor kartelverbod indien:
o Afspraken resultaat van collectief overleg tussen vakbonden –
werkgeversorganisaties/ werkgevers
o Afspraken betrekking hebben op arbeids- of
werkgelegenheidsvoorwaarden
Hieraan moet worden voldaan! (Niet zomaar al het sociaal beleid valt hieronder)
o ‘Echte’ collectieve overeenkomsten vallen dus niet onder kartelverbod ->
zijn immuun.
- Zzp’ers vallen onder art. 101 lid 1 VWEU
o Uitzondering schijnzelfstandigen
B. Onderling afgestemde feitelijke gedragingen = HVJEU ICI: een vorm van
coördinatie tussen ondernemingen die, zonder dat er een ovk wordt gesloten, de
risico’s van onderlinge concurrentie bewust vervangt door feitelijke
samenwerking
- Causaal verband tussen gedrag partijen op de markt en afstemming
- HVJEU T-Mobile: vermoeden indien partijen na te hebben deelgenomen aan de
afstemming op de markt actief blijven.
C. Besluiten van ondernemingsverenigingen = organisaties waar de
ondernemingen bij zijn aangesloten -> organisaties moet belangen van de
aangesloten ondernemingen behartigen en zo gedrag sturen met het oog op
bepaalde economische activiteit (alleen aangesloten ondernemingen moeten de
economische activiteit verrichten)
- Besluiten van deze verenigingen vallen onder art. 101 VWEU
,AD 2)
Beperking van de mededinging
In hoeverre geven de beperkingen uit afspraken aanleiding tot reële eHecten op de markt
‘Afspraken die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de
interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst’
‘Merkbaar eJect’ -> hangt af van type afspraak
HVJEU Expedia:
- Strekkingsafspraken
- Gevolgafspraken: onderzocht moet worden of daadwerkelijk merkbaar is
(problematiek van de merkbaarheid)
Strekkingsbeperking: (Kijken naar feitelijke, economische en juridische context ->
merkbare beperking?)
- Als een mededinginsbeperking een strekking is, dan hoeven we de gevolgen niet
te weten (HVJEU Consten en Grundig)
- Strekking berust op een aanname: aangenomen wordt dat een bepaalde praktijk
de mededinging gaat beperking
- Kijken naar het eHect op de mededinging
- Beoordeling op basis van: (HVJEU Cartes Bancaires)
o Bewoordingen
o Doelstellingen
o Economische en juridische context
o Marktstructuur
- Wanneer kun je dit aannemen: Als een voldoende robuuste ervaring (Budapest
Bank, R.O. 76) (meerderheid van economen moet het over een zijn dat schadelijk
is) ons leert dat de acties schadelijk zijn voor productie, prijzen en
consumenten (Cartes Bancaires, R.O. 51), tenzij er bewezen, relevante,
voldoende grote en specifieke mededinging bevorderende gevolgen zijn
(EDP, R.O. 104)
- Merkbaarheid is gegeven
Gevolgbeperking:
- Is het gevolg merkbaar, heeft de afspraak merkbare negatieve eHecten?
- Minimis-regel
- Kijkt naar marktaandelen
- Horizontale en verticale afspraken
o Horizontaal = (wel concurrenten) -> marktaandeel van alle betrokken
partijen tezamen <10% van de relevante markt -> horizontale
overeenkomst beperkt de markt NIET merkbaar
o Verticaal (gewoonlijk niet elkaars concurrent) -> marktaandeel per
onderneming <15% van de relevante markt -> verticale overeenkomst
beperkt de markt NIET merkbaar
§ Verticaal profiteert sneller van minimisregeling
- HVJEU Expedia: minimisregel niet verbindend voor nationale autoriteiten en
rechterlijke instanties
, HVJEU Cartes Bancaires
53 Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de beoordeling of een overeenkomst
tussen ondernemingen of een besluit van een ondernemersvereniging de mededinging
in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende
„strekking” in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, worden gelet op de
bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische
context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de
aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden
voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten
Wouters-exceptie
HVJEU Wouters
Mededinging beperkt -> gerechtvaardigd door professionele deontologie (diende ter
bescherming)
Afspraken/ regel vallen formeel onder art. 101 lid 1 VWEU -> maar toch geen schending
1. Wordt er een legitiem algemeen belang nagestreefd?
2. Mededinginsbeperking inherent noodzakelijk voor doel
3. Maatregel proportioneel (niet verder dan nodig)
Uitzonderingen op art. 101 lid 1 VWEU -> art. 101 lid 3 VWEU
Groepsvrijstelligen en wettelijke uitzonderingsgrond + art. 106 lid 2 VWEU
- Groepsvrijstellingen: zonderen bepaalde categorieën overeenkomsten uit van
kartelverbod
Wettelijke uitzonderingsgrond lid 3
Cumulatieve vereisten: ontheJingscriteria:
1. Ovk moet bijdragen aan verbetering productie/ distributie producten of
verbetering economische/ technische vooruitgang
2. Billijk aandeel voordelen ovk ten gunste van gebruikers
3. Beperking concurrentie moet onmiskenbaar zijn voor de te realiseren doelstelling
4. Voldoende restconcurrentie overblijven
Ø Negatieve gevolgen alleen geoorloofd indien verbeteringen van de eHiciëntie als
gevolg van de afspraak hiertegen opweegt -> beide op dezelfde relevante markt
Ø Ook bij duurzaamheid moet worden voldaan aan de 4 voorwaarden
AD 1) EJiciëntie winsten
HVJEU Consten en Grundig (92)
Objectieve voordelen opwegen tegen de nadelen voor de mededinging die daaruit
voortvloeien