Tentamen 7 april
Bestaande uit:
HOORCOLLEGE 2 – 17 feb...........................................................5
HOORCOLLEGE 3 – 24 feb...........................................................8
HOORCOLLEGE 4 – 3 maart.......................................................11
HOORCOLLEGE 5 – 10 maart.....................................................13
HOORCOLLEGE 6 – 17 maart.....................................................19
HOORCOLLEGE 7 – 24 maart.....................................................22
WERKGROEP 1........................................................................27
WERKGROEP 2........................................................................32
WERKGROEP 3........................................................................39
WERKGROEP 4........................................................................42
WERKGROEP 5 komt 26 maart..................................................44
LITERATUUR............................................................................ 45
BEGRIPPENLIJST......................................................................86
QUIZLET LINKS........................................................................ 98
In de werkgroepen heb ik de oefententamenvragen en vo’s verwerkt met
uitleg :)
HOORCOLLEGE 1 – 10 feb
LEERDOELEN
1
, 1. Kun je uitleggen wat ‘interdisciplinariteit’ betekent en waarom dit
een belangrijk perspectief kan zijn bij het verklaren en oplossen van
sociale problemen.
2. Kun je bij een sociaal probleem voorbeelden geven van relevante
invloedfactoren die zich situeren zowel binnen een individu als in de
omgeving. Verder kun je uitleggen hoe deze relevante
invloedfactoren elkaar, en het sociaal probleem, wederzijds
beïnvloeden en hoe de invloedfactoren in interactie met elkaar het
probleem beïnvloeden.
3. Kun je methodologische en theoretische tekortkomingen en sterktes
in onderzoek naar sociale problemen identificeren en beschrijven.
WAT ZIJN SOCIALE PROBLEMEN
Een sociaal probleem is een situatie die als problematisch wordt ervaren
door een belangrijke groep van personen, omdat ze een bedreiging vormt
voor hun centrale waarden en belangen en waarvan wordt verondersteld
dat ingrijpen noodzakelijk is om tot een aanvaardbare oplossing te komen.
Kenmerken:
Complex
Onvoldoende of tegenstrijdige informatie
Verschillende
perspectieven
DISCIPLINES COMBINEREN
- Psycholoog
- Pedagoog
- Socioloog
- Antropoloog
“The problems in the world are not within-discipline problems. We have to
bring people with different kinds of skills and expertise together. No one
has everything that’s needed to deal with the issues that we’re facing.”
Sharon Derry
VORMEN VAN SAMENWERKING
1. Bij monodisciplinariteit werkt
één discipline afzonderlijk.
2. Bij multidisciplinariteit werken
meerdere disciplines naast
elkaar, maar zonder echte
integratie.
3. Bij interdisciplinariteit worden
perspectieven geïntegreerd en
met elkaar verbonden.
4. Bij transdisciplinariteit worden
ook niet academische partners
betrokken.
VOORBEELD ALCOHOL EN AGRESSIE
2
, - Geneticus Welke genetische factoren spelen een rol bij het
ontstaan van agressief gedrag na alcoholconsumptie?
- Socioloog Welke culturele normen en maatschappelijke factoren
dragen bij aan agressief gedrag na alcoholconsumptie?
- Psycholoog Welke persoonlijkheidskenmerken of individuele
factoren verklaren agressief gedrag na alcoholconsumptie?
- Pedagoog Wat is de rol van ouders of opvoedingsstijl bij het
ontstaan van agressief gedrag na alcoholconsumptie?
NIVEAUS
Het schema laat zien dat sociale problemen ontstaan door een samenspel
van factoren binnen het individu en in de sociale context.
- Op individueel niveau gaat het om intrapersoonlijke factoren zoals
attitudes en percepties, persoonlijkheid en mentale gezondheid.
Deze bepalen hoe iemand situaties ervaart en erop reageert.
- Op sociaal niveau spelen interpersoonlijke en omgevingsfactoren
een rol, zoals opvoeding, de groep waartoe iemand behoort en de
sociaal culturele context.
Deze beïnvloeden
gedrag, normen en
kansen.
- Sociale problemen zijn
dus niet terug te voeren
op één oorzaak, maar
ontstaan uit de interactie
tussen individu en
omgeving.
BRONFENBRENNER BIO ECOLOGISCH MODEL
Dit schema laat het bio ecologisch model
van Bronfenbrenner zien. De ontwikkeling
van een individu en het ontstaan van
sociale problemen worden beïnvloed door
verschillende, met elkaar verbonden
systemen.
- In het microsysteem gaat het om de
directe
omgeving van het individu, zoals
familie, klas en peers.
- Het mesosysteem verwijst naar de
wisselwerking tussen deze directe
omgevingen, bijvoorbeeld tussen
ouders en school.
- Het exosysteem omvat omgevingen
waar het individu niet direct deel van
uitmaakt, maar die wel invloed
hebben, zoals het werk van ouders of
media.
3
, - Het macrosysteem bestaat uit bredere maatschappelijke factoren
zoals economische omstandigheden, wetgeving, beleid en culturele
normen en waarden.
- Het chronosysteem verwijst naar de invloed van tijd, zoals de
levensloop en historische context. Al deze niveaus beïnvloeden
elkaar en samen bepalen ze de ontwikkeling en het ontstaan van
sociale problemen.
UPDATE VAN BRONFENBRENNER: PROCES PERSOON CONTEXT TIJD
In de latere versie van het model staan proximale processen centraal. Het
PPCT model bestaat uit vier onderdelen:
1. Proces verwijst naar deze proximale processen. Ontwikkeling vindt
plaats via proximale processen, die regelmatig voorkomen, over
langere tijd, in de nabije omgeving; en variëren afhankelijk van
kenmerken van de persoon, de omgeving, de ‘uitkomst’, en de tijd
2. Persoon verwijst naar persoonlijke eigenschappen die individuen
meenemen naar elke sociale situatie. Bronfenbrenner
onderscheidt drie categorieën:
Demand kenmerken die een ander direct ziet, zoals leeftijd of
uiterlijk
Resource kenmerken hebben te maken met mentale,
emotionele, sociale en materiele bronnen, zoals vaardigheden
of toegang tot gezond voedsel,
Force kenmerken zoals motivatie of temperament.
3. Context/omgeving verwijst naar de 4 systemen die onderling
verbonden zijn: micro, meso, exo en macro.
4. Tijd bevat 3 verschillende niveau’s:
Micro tijd Wat er gebeurt tijdens een specifieke activiteit of
interactie (‘real-time’)
Meso-tijd De mate van continuïteit waarin activiteiten of
interacties plaatsvinden (bijv. hoeveel dagen/weken/jaren, hoe
vaak per week etc.)
Macro-tijd Chronosysteem
Ontwikkeling ontstaat dus uit de wisselwerking tussen processen,
persoonskenmerken, context en tijd.
MEDIATIE EN MODERATIE
- Bij mediatie wordt het verband tussen twee
variabelen verklaard door een derde
variabele. Bijvoorbeeld: online communicatie
hangt samen met vriendschapskwaliteit via
zelfonthulling.
- Bij moderatie hangt het verband tussen twee
variabelen af van een derde variabele.
Bijvoorbeeld: het effect van sociale media
gebruik op sociale verbondenheid kan
verschillen afhankelijk van het type gebruik,
actief of passief.
4