FITNESSTRAINER A
Inhoudsopgave
1. Gedrag en gedragsverandering bij training en voeding .............................................................................. 2
2. Functionele anatomie ................................................................................................................................. 4
3. Biomechanica .............................................................................................................................................. 9
4. Inspanningsfysiologie ................................................................................................................................ 11
5. Trainingsleer .............................................................................................................................................. 15
6. Krachttraining met musculaire trainingsapparatuur ................................................................................. 24
7. Klantbegeleiding ........................................................................................................................................ 26
8. Blessurepreventie en behandeling ............................................................................................................ 27
9. Voeding en sport ....................................................................................................................................... 30
10. Dopingpreventie ...................................................................................................................................... 34
,1. Gedrag en gedragsverandering bij training en voeding
Bewust vs onbewust gedrag
Bewust = maakt een overweging en voert het daarna pas uit
Onbewust = niet over na gedacht, gebeurt automatisch
Preventief vs curatief
Preventief = het voorkomen van ziekte/blessure
Curatief = het genezen van ziekte/blessure
Groot vs klein (gewoonte)
Big habit = een gedrag dat veel vergt van de meeste mensen (kost veel tijd en moeite)
Medium habit = een gedrag dat redelijk eenvoudig is vol te houden (minder discipline)
Tiny habit = zeer kleine verandering in gedrag (weinig moeite kosten om vol te houden)
Basisbehoeften
= fundamentele behoefte van mensen
Motieven
= stabiele factoren die mensen kunnen aanzetten tot het vertonen van specifiek gedrag
Doelen
= de gewenste uitkomst van het gedrag, SMART opgesteld
Motivatie
= gedrag van een persoon dat tot stand komt door een combinatie van persoons- en
omgevingsfactoren
Zelfmotivatie
= de persoonlijke en algemene neiging of instelling van iemand om gedrag vol te houden
Factoren van invloed op overlijden (1 meest belangrijk)
1. Lage fitheid
2. Roken
3. Bloeddruk > 140
4. Cholesterol > 240
5. BMI > 27
BRAVO / BRAVOZ
- Bewegen
- Roken
- Alcohol
- Voeding
- Ontspanning
- (Zitten)
2
,Gedragscoaching bij training en voeding
Beslissingsbalans = de klant weegt voordelen en nadelen bewust of onbewust af (taak van
gedragscoach is om deze voordelen en nadelen bewust te helpen overwegen)
Kan op de volgende manier:
Wel veranderen
Voor jezelf Voor anderen
Voordelen
Nadelen
Niet veranderen
Voor jezelf Voor anderen
Voordelen
Nadelen
Doelen (3 theorieën over het stellen van doelen)
1. Self-effectiviteitsverwachting: de verwachting van een persoon om een specifieke
activiteit te kunnen volbrengen (VB. stoppen met roken) → kan op 4 manieren
worden beïnvloed:
- Eigen ervaring met het specifieke gedrag
- Observeren van anderen die succesvol het specifieke gedrag uitvoeren
- Uitleg of motivatie van een ander dat je het gedrag kunt uitvoeren
- Je eigen ervaringen van fysiologische aard (zoals zweten tijdens inspanning)
2. Resultaatverwachtingen: welk resultaat denkt de persoon te kunnen bereiken met
het specifieke gedrag
3. Resultaatwaardering: hoe iemand de verwachte uitkomst waardeert
3 type doelen
1. Resultaatdoelen → specifieke en meetbare uitkomst: een resultaat
2. Procesdoelen → gekoppeld aan gedrag en niet zo zeer de uitkomst
3. Prestatiedoelen → wordt behaald als de zelfgekozen prestatie wordt volbracht
(marathon lopen)
SMART
S = specifiek
M = meetbaar
A = acceptabel
R = realistisch
T = tijdsgebonden
3
, 2. Functionele anatomie
Het skelet
Functie:
- Geeft vorm aan het lichaam
- Geeft steun aan het lichaam
- Aanhechtingsplaats voor spieren, pezen en banden
- Geeft mogelijkheid tot bewegen
- Bescherming aan organen
4
Inhoudsopgave
1. Gedrag en gedragsverandering bij training en voeding .............................................................................. 2
2. Functionele anatomie ................................................................................................................................. 4
3. Biomechanica .............................................................................................................................................. 9
4. Inspanningsfysiologie ................................................................................................................................ 11
5. Trainingsleer .............................................................................................................................................. 15
6. Krachttraining met musculaire trainingsapparatuur ................................................................................. 24
7. Klantbegeleiding ........................................................................................................................................ 26
8. Blessurepreventie en behandeling ............................................................................................................ 27
9. Voeding en sport ....................................................................................................................................... 30
10. Dopingpreventie ...................................................................................................................................... 34
,1. Gedrag en gedragsverandering bij training en voeding
Bewust vs onbewust gedrag
Bewust = maakt een overweging en voert het daarna pas uit
Onbewust = niet over na gedacht, gebeurt automatisch
Preventief vs curatief
Preventief = het voorkomen van ziekte/blessure
Curatief = het genezen van ziekte/blessure
Groot vs klein (gewoonte)
Big habit = een gedrag dat veel vergt van de meeste mensen (kost veel tijd en moeite)
Medium habit = een gedrag dat redelijk eenvoudig is vol te houden (minder discipline)
Tiny habit = zeer kleine verandering in gedrag (weinig moeite kosten om vol te houden)
Basisbehoeften
= fundamentele behoefte van mensen
Motieven
= stabiele factoren die mensen kunnen aanzetten tot het vertonen van specifiek gedrag
Doelen
= de gewenste uitkomst van het gedrag, SMART opgesteld
Motivatie
= gedrag van een persoon dat tot stand komt door een combinatie van persoons- en
omgevingsfactoren
Zelfmotivatie
= de persoonlijke en algemene neiging of instelling van iemand om gedrag vol te houden
Factoren van invloed op overlijden (1 meest belangrijk)
1. Lage fitheid
2. Roken
3. Bloeddruk > 140
4. Cholesterol > 240
5. BMI > 27
BRAVO / BRAVOZ
- Bewegen
- Roken
- Alcohol
- Voeding
- Ontspanning
- (Zitten)
2
,Gedragscoaching bij training en voeding
Beslissingsbalans = de klant weegt voordelen en nadelen bewust of onbewust af (taak van
gedragscoach is om deze voordelen en nadelen bewust te helpen overwegen)
Kan op de volgende manier:
Wel veranderen
Voor jezelf Voor anderen
Voordelen
Nadelen
Niet veranderen
Voor jezelf Voor anderen
Voordelen
Nadelen
Doelen (3 theorieën over het stellen van doelen)
1. Self-effectiviteitsverwachting: de verwachting van een persoon om een specifieke
activiteit te kunnen volbrengen (VB. stoppen met roken) → kan op 4 manieren
worden beïnvloed:
- Eigen ervaring met het specifieke gedrag
- Observeren van anderen die succesvol het specifieke gedrag uitvoeren
- Uitleg of motivatie van een ander dat je het gedrag kunt uitvoeren
- Je eigen ervaringen van fysiologische aard (zoals zweten tijdens inspanning)
2. Resultaatverwachtingen: welk resultaat denkt de persoon te kunnen bereiken met
het specifieke gedrag
3. Resultaatwaardering: hoe iemand de verwachte uitkomst waardeert
3 type doelen
1. Resultaatdoelen → specifieke en meetbare uitkomst: een resultaat
2. Procesdoelen → gekoppeld aan gedrag en niet zo zeer de uitkomst
3. Prestatiedoelen → wordt behaald als de zelfgekozen prestatie wordt volbracht
(marathon lopen)
SMART
S = specifiek
M = meetbaar
A = acceptabel
R = realistisch
T = tijdsgebonden
3
, 2. Functionele anatomie
Het skelet
Functie:
- Geeft vorm aan het lichaam
- Geeft steun aan het lichaam
- Aanhechtingsplaats voor spieren, pezen en banden
- Geeft mogelijkheid tot bewegen
- Bescherming aan organen
4