H1 Krachten
1 Krachten
1
1
Krachten om je heen
a Een kracht kan de beweging of de vorm van een voorwerp veranderen.
b Bij een elastische vervorming is het voorwerp tijdelijk vervormd, terwijl een plastische
vervorming blijvend is.
c Fz = m ∙ g = 10 × 9,8 = 98 N
d Het aangrijpingspunt van een kracht geeft de plaats aan waar de kracht op het voorwerp
werkt.
e de richting van de pijl, de lengte van de pijl en het beginpunt van de pijl
2 a elastisch; zwaartekracht, veerkracht
b elastisch; zwaartekracht, spankracht
c plastisch; spierkracht
d elastisch; zwaartekracht, veerkracht
3 a spierkracht
b veerkracht Ca
4 a Bijvoorbeeld: verplaatsing, snelheid, versnelling, uitrekking.
b Bijvoorbeeld: temperatuur, tijd, lengte.
Z
5 Zie figuur 1.
Ca
b
c
Ca Z
b
Z
Ca
c d
▲ figuur 1 b
, Nova © Uitgeverij Malmberg
H1 Krachten
6 a De pijl heeft een lengte van 2,3 cm.
76 N
= 33 N per cm
2,3 cm
<
De schaal is dus: 1 cm = 33 N.
b De zwaartekracht is 30 × 9,8 = 294 N.
294 Iwan
Dit komt overeen met een pijl van = 8,9 cm. (55 kg)
33
zwaartepunt
7 a Elise: Fz = m ∙ g = 40 × 9,8 = 392 N zwaartepunt
Iwan: Fz = m ∙ g = 55 × 9,8 = 539 N
b Zie figuur 2.
Elise
(40 kg)
8 a Zie figuur 3.
b Zie figuur 4. Links zit het zwaartepunt Ca b
rechts van het midden. Rechts zit het
zwaartepunt precies in het midden. ▲ figuur 2
▲ figuur 3
▲ figuur 4
*9 a Nee, je massa blijft even groot.
b Stel dat je massa 55 kg is. Dan is de zwaartekracht op jou: 55 × 9,8 = 539 N.
c Als de zwaartekracht 6× zo klein moet zijn, dan moet n2 = 6 zijn, dus n = √6 = 2,45. Dus je
moet dan 2,45 × 6371 = 15 609 km van het middelpunt van de aarde zijn. (Als je √6 niet
afrondt maar rekent met het getal op je rekenmachine, vind je 15 606 km.)
9,8
d Als de zwaartekracht 6× zo klein is, dan is g ook 6× zo klein, dus g is daar: = 1,6 N/kg.
6