Injecteren
Je gebruikt injecties als er geen mogelijkheid is om een medicijn via het maag darm kanaal toe te
dienen. Een injectie gebruik je als het medicijn door spijsverteringssappen vernietigd zou worden of
het medicijn op deze manier sneller werkt. Injecteren betekent inspuiten en dit doe je met een spuit
en een holle naald. Je kunt in de volgende plaatsen injecteren :
- Intracutaan : In de huid.
- Subcutaan : In het onderhuids bindweefsel.
- Intramusculair : In een spier.
- Intraveneus : In een ader.
Algemene regels bij het toedienen van injecties met spuit en naald :
1 = Zoek gegevens in het dossier en vraag ze na bij de zorgvrager.
2 = Controleer welk materiaal je gaat gebruiken :
- Handen gewassen en sieraden af.
- Recept is duidelijk en alles is uitgerekend.
- Je kan ongestoord werken en er is een controle gedaan door een collega.
- Je weet voldoende over het medicijn en je hebt voorzorgsmaatregelen genomen.
- Je weet welke injectietechniek je moet toepassen.
- Je hebt de juiste materialen.
- Je weet of er speciale aandachtspunten zijn.
3 = Je maakt de injectie klaar :
- Pas de vijf keer juist regel toe.
- Hebt berekent hoeveel vloeistof je moet optrekken.
- Gebruikt handschoenen indien nodig.
- Werkt zo steriel mogelijk.
- Gebruikt een andere naald voor het optrekken dan waarmee de injectie wordt gegeven.
- Trek de correcte hoeveelheid vloeistof op.
- Gooit de verpakking van de vloeistof pas na de injectie weg.
- Bij het verwisselen van de naald mag de naald niet afhaken, omdat de conus onsteriel wordt.
- Laat alles controleren door een collega.
4 = Je gaat naar de zorgvrager met de klaargemaakte spuit en de ampul :
- Controleert de identiteit van de zorgvrager en zegt wat je komt doen.
- Kijk goed naar de huid waar je de injectie wilt plaatsen.
- Werk zo schoon mogelijk.
- Waarschuw de zorgvrager dat de prik eraan komt.
- Steek de naald niet helemaal tot aan het plastic in de huid.
- Controleer of je niet een bloedvat hebt geraakt door de stamper omhoog te halen.
- Verwijder de naald na de injectie in een vloeiende beweging.
- Doe geen losse beschermhoes op de gebruikte naald, want je kan jezelf dan prikken.
Subcutane injectie
Medicijnen die je subcutaan toedient komen in het onderhuids bindweefsel terecht. Hier liggen geen
gevoelsorgaantjes en zijn daarom vaak niet pijnlijk. Het medicijn wordt op deze manier langzaam
opgenomen. Het mag nooit meer dan 2 milliliter per keer zijn, omdat het anders een te grote
belasting voor het bindweefsel is.
Je gebruikt injecties als er geen mogelijkheid is om een medicijn via het maag darm kanaal toe te
dienen. Een injectie gebruik je als het medicijn door spijsverteringssappen vernietigd zou worden of
het medicijn op deze manier sneller werkt. Injecteren betekent inspuiten en dit doe je met een spuit
en een holle naald. Je kunt in de volgende plaatsen injecteren :
- Intracutaan : In de huid.
- Subcutaan : In het onderhuids bindweefsel.
- Intramusculair : In een spier.
- Intraveneus : In een ader.
Algemene regels bij het toedienen van injecties met spuit en naald :
1 = Zoek gegevens in het dossier en vraag ze na bij de zorgvrager.
2 = Controleer welk materiaal je gaat gebruiken :
- Handen gewassen en sieraden af.
- Recept is duidelijk en alles is uitgerekend.
- Je kan ongestoord werken en er is een controle gedaan door een collega.
- Je weet voldoende over het medicijn en je hebt voorzorgsmaatregelen genomen.
- Je weet welke injectietechniek je moet toepassen.
- Je hebt de juiste materialen.
- Je weet of er speciale aandachtspunten zijn.
3 = Je maakt de injectie klaar :
- Pas de vijf keer juist regel toe.
- Hebt berekent hoeveel vloeistof je moet optrekken.
- Gebruikt handschoenen indien nodig.
- Werkt zo steriel mogelijk.
- Gebruikt een andere naald voor het optrekken dan waarmee de injectie wordt gegeven.
- Trek de correcte hoeveelheid vloeistof op.
- Gooit de verpakking van de vloeistof pas na de injectie weg.
- Bij het verwisselen van de naald mag de naald niet afhaken, omdat de conus onsteriel wordt.
- Laat alles controleren door een collega.
4 = Je gaat naar de zorgvrager met de klaargemaakte spuit en de ampul :
- Controleert de identiteit van de zorgvrager en zegt wat je komt doen.
- Kijk goed naar de huid waar je de injectie wilt plaatsen.
- Werk zo schoon mogelijk.
- Waarschuw de zorgvrager dat de prik eraan komt.
- Steek de naald niet helemaal tot aan het plastic in de huid.
- Controleer of je niet een bloedvat hebt geraakt door de stamper omhoog te halen.
- Verwijder de naald na de injectie in een vloeiende beweging.
- Doe geen losse beschermhoes op de gebruikte naald, want je kan jezelf dan prikken.
Subcutane injectie
Medicijnen die je subcutaan toedient komen in het onderhuids bindweefsel terecht. Hier liggen geen
gevoelsorgaantjes en zijn daarom vaak niet pijnlijk. Het medicijn wordt op deze manier langzaam
opgenomen. Het mag nooit meer dan 2 milliliter per keer zijn, omdat het anders een te grote
belasting voor het bindweefsel is.