1 Waarom maatschappijleer?
Gaat over de Nederlandse samenleving. We bekijken de samenleving vanuit een
- juridische
- politieke
- culturele
- sociaaleconomische
invalshoek.
Nederland als rechtsstaat
Stelt de belangrijkste regels vast voor burgers én de overheid.
Verhouding tussen ons rechtssysteem en ons rechtvaardigheidsgevoel.
Nederland in vergelijking met de Verenigde Staten en China.
De Nederlandse parlementaire democratie
Bevolking wordt vertegenwoordigd door het parlement.
Werking van het politiek systeem.
Relatie tussen burgers en de politiek.
De pluriforme samenleving
Betekent veelvuldig -> er wonen mensen met heel verschillende leefwijzen, normen en
waarden en etnische herkomst.
De Nederlandse verzorgingsstaat
Overheid zorgt voor haar burgers door gezondheidszorg, uitkeringen, onderwijs en
volkshuisvesting.
Wie heeft welke verantwoordelijkheid.
,Maatschappelijke problemen
- hebben gevolgen voor grote groepen in de samenleving
- kunnen alleen gemeenschappelijk opgelost worden en moet de overheid zich dus
mee bezighouden
- hebben te maken met tegenstellingen
Gevolgen voor grote groepen zijn bijvoorbeeld
- drugsproblematiek
- fileproblemen
- agressie
Om een maatschappelijk probleem aan te pakken zijn vaak nieuwe regels en wetten nodig of
een aanpassing van bestaande regels.
Tegenstellingen zijn bijvoorbeeld
- politieke visies
- geloofs- of levensovertuigingen
- maatschappelijke posities
Tussenoplossing = compromis
2 De kernbegrippen
Normen en waarden
Normen zijn opvattingen over hoe je je op grond van een bepaalde waarde behoort te
gedragen.
Een waarde is een uitgangspunt of principe dat mensen belangrijk vinden in hun leven.
Waarden leiden tot regels over het gedrag van mensen en zo’n regel noemen we een norm.
Bijvoorbeeld als je eerlijkheid belangrijk vind (dat is een waarde) wil je niet dingen van
iemand stelen en verwacht je ook van anderen dat ze niet stelen (een norm).
Vaak is een norm een sociale verplichting -> een regel die je wordt opgelegd door je
omgeving. Bijvoorbeeld geen geluidsoverlast maken.
Sommige normen, zoals niet stelen, vinden we zo belangrijk dat ze zijn opgeschreven in
wetten.
Er bestaan ook ongeschreven regels zoals boeren aan tafel. Dit staat niet in een wet maar
vinden we niet fijn. Dit noem je fatsoensnormen.
,Belangen
Een belang is het voor- of nadeel dat iemand ergens bij heeft.
Scholieren hebben bijvoorbeeld belang bij goed onderwijs en een caissière bijvoorbeeld bij
belastingverlaging. Iedereen heeft belang bij schone lucht en gezond eten.
Macht
Macht is het vermogen om het gedrag of het denken van anderen sterk te beïnvloeden.
Gezag = formele macht (zoals een burgemeester die een voetbalwedstrijd verbiedt)
Invloed = informele macht (‘regels’ binnen je vriendengroep)
Machtsmiddel = een middel waarmee je het gedrag van anderen kunt beïnvloeden
(bijvoorbeeld geld, een bepaald beroep of functie, kennis, overtuigingskracht, aanzien,
geweld en aantal (mensen bij elkaar))
Sociale cohesie = als veel mensen rekening houden met wat anderen vinden en de manier
waarop ze leven.
3 Wat is waar, wat is niet waar?
Nagaan of informatie betrouwbaar is doe je door te kijken naar
- een bronvermelding
- duidelijk onderscheid tussen feiten en meningen
- of het onderwerp van verschillende kanten wordt bekeken
Bronvermelding
Als het in een artikel bijvoorbeeld over brand gaat is de brandweer een betrouwbaardere
bron dan een buurman die de brand heeft gezien.
Voor cijfermateriaal is CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) een goede bron.
Informatie over alcohol is betrouwbaarder van een site als Trimbos Instituut dan van de baas
van de kroeg op de hoek.
Feiten en meningen
Feiten = objectief (ze zeggen iets over de werkelijkheid)
Meningen = subjectief (laten alleen zien hoe iemand ergens over denkt)
, Verschillende kanten
Je gaat na of er ‘hoor en wederhoor’ is toegepast (of er verschillende betrokkenen zijn
gehoord).
Kranten en nieuwsuitzendingen zijn vaak betrouwbaar omdat journalisten en redacteuren de
taak hebben zorgvuldig met informatie om te gaan.
Iedereen kan iets op internet zetten en dat is dus vaak minder betrouwbaar.
Communicatie = het doorgeven van informatie (er is sprake van een zender en een
ontvanger).
Er kan van alles misgaan zoals
- de zender zendt de informatie verkeerd uit
- de ontvanger ontvangt de informatie verkeerd
Dit noem je communicatieruis.
Informatie kan ook bewust verkeerd verzonden worden zoals een politicus die een fout niet
toe wil geven omdat hij bang is voor politiek ‘gezichtsverlies’. Dit noem je manipulatie omdat
feiten opzettelijk weggelaten of verdraaid worden zonder dat de ontvanger dit door heeft.
Propaganda gaat een stap verder. Hierbij wordt bewust eenzijdige informatie gegeven om de
mening van mensen te beïnvloeden.
Nog een stap verder is indoctrinatie. Hierbij worden langdurig, systematisch en heel
dwingend eenzijdige opvattingen en meningen opgedrongen aan het publiek zodat zij deze
opvattingen kritiekloos accepteren. Dit komt veel voor in dictaturen. Hier bestaat geen vrije
media met ‘tegengeluiden’.
Selectieve waarneming = wanneer informatie zodanig wordt vervormd dat deze zoveel
mogelijk past in ons referentiekader.
Referentiekader = alles wat je bezit aan kennis, ervaringen, normen, waarden en gewoonten.
Stereotype = een vaststaand beeld van een groep mensen.