Hoofdstuk 13: Binding en natievorming
Identiteit:
Beeld dat iemand heeft van zichzelf en als kenmerkend beschouwd voor de groep waar hij
deel van uitmaakt.
Persoonlijke identiteit:
Zelfbeeld dat mensen krijgen aangeleerd door ouders en vrienden.
Sociale identiteit:
Mensen voelen zich verbonden met eigen groep.
Collectieve identiteit:
Beeld dat mensen hebben tov andere groep.
Bindingen:
Dezelfde waarden, ervaringen en belangen.
—> kunnen leiden tot groepsvorming.
Affectieve bindingen:
Afhankelijk van familie en vrienden. —> emotioneel
Cognitieve bindingen:
Afhankelijkheid van ouders, leraren en dokters. —> kennis
Economische bindingen:
Afhankelijk van werk en banken.
Politieke bindingen:
Afhankelijk van overheid. —> collectieve goederen: onderwijs, zorg en veiligheid
Paradigma’s over bindingen:
Functionalisme-paradigma:
Actoren vervullen een bepaalde functie in de samenleving en vertonen onderling
samenhang, en er wordt gekeken hoe deze samenleving bij elkaar blijft.
—> structuur: macroniveau + consensus
Groepen (gezinnen, kerken) zorgen voor sociale cohesie in de samenleving; áls de
samenleving een dominante cultuur heeft met gedeelde waarden én de individuele
leden zijn geïntegreerd in de groepen.
Conflict-paradigma:
Het zien van ongelijkheid als motor in de samenleving, conflicten leiden tot noodzakelijke
veranderingen.
—> structuur: macroniveau + conflict
Er zijn tegen- en subculturen die de dominante cultuur niet aanhangen: de sociale
cohesie is gebrekkig als gevolg van sociale ongelijkheid en uitbuiting.
Sociaal-constructivisme-paradigma (=interactionisme):
Het gedrag van mensen wordt vooral bepaald door hoe mensen zelf de werkelijkheid zien,
kan wel veranderen door anderen.
—> actoren: microniveau + consensus
De sociale cohesie is plaats- en groepsgebonden obv de multiple identity (=
verschillende sociale posities en bijbehorende rollen)
, Rationele-actor-paradigma:
Het kiezen van actoren om hun eigenbelang zoveel mogelijk na te streven.
—> actoren: microniveau + conflict
Actoren onderhouden sociale bindingen als de kosten-baten-analyse positief is.
Soorten groepsvorming:
Formele groepen:
Vastgelegde regels, doelen, procedures en hiërarchie
Informele groepen:
Géén vastgelegde regels, doelen, procedures en hiërarchie
Primaire groepen:
Leden onderhouden persoonlijke en emotionele relatie met elkaar
→ micro + meso
Secundaire groepen:
Leden onderhouden een functionele en doelgerichte relatie met elkaar
→ macro + sociale controle
Vijf fasen van groepsvorming:
1. Oriëntatiefase:
Onzekerheid overheerst over de manier van het met elkaar om gaan.
2. Conflictfase:
Botsende opvattingen (conflicten) en onzekerheden hoe ermee om te gaan.
3. Integratiefase:
Een zeker evenwicht komt op stand tussen opvattingen over samenwerking.
4. Uitvoeringsfase:
Consensus over samenwerking.
5. Ordefase:
Institutionalisering van regels
In- en uitsluiting bij groepsvorming:
Ingroup:
Individuen die een gemeenschappelijke sociale identiteit voelen.
Sociale controle:
Groepsleden controleren elkaars gedrag door middel van positieve en negatieve
sancties.
—> Stereotyperingen / vooroordelen over de outgroep worden gecultiveerd.
Outgroup:
Groepen waar geen gemeenschappelijke sociale identiteit mee wordt gevoeld.
—> competitie/strijd
Stereotypering:
Vaststaande gegeneraliseerde beelden die van toepassing worden verklaard op
iedereen die lid is van de (out)groep.
Vooroordeel:
Oordelen voordat je informatie hebt ontvangen over een persoon of (out)groep die
niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.
Identiteit:
Beeld dat iemand heeft van zichzelf en als kenmerkend beschouwd voor de groep waar hij
deel van uitmaakt.
Persoonlijke identiteit:
Zelfbeeld dat mensen krijgen aangeleerd door ouders en vrienden.
Sociale identiteit:
Mensen voelen zich verbonden met eigen groep.
Collectieve identiteit:
Beeld dat mensen hebben tov andere groep.
Bindingen:
Dezelfde waarden, ervaringen en belangen.
—> kunnen leiden tot groepsvorming.
Affectieve bindingen:
Afhankelijk van familie en vrienden. —> emotioneel
Cognitieve bindingen:
Afhankelijkheid van ouders, leraren en dokters. —> kennis
Economische bindingen:
Afhankelijk van werk en banken.
Politieke bindingen:
Afhankelijk van overheid. —> collectieve goederen: onderwijs, zorg en veiligheid
Paradigma’s over bindingen:
Functionalisme-paradigma:
Actoren vervullen een bepaalde functie in de samenleving en vertonen onderling
samenhang, en er wordt gekeken hoe deze samenleving bij elkaar blijft.
—> structuur: macroniveau + consensus
Groepen (gezinnen, kerken) zorgen voor sociale cohesie in de samenleving; áls de
samenleving een dominante cultuur heeft met gedeelde waarden én de individuele
leden zijn geïntegreerd in de groepen.
Conflict-paradigma:
Het zien van ongelijkheid als motor in de samenleving, conflicten leiden tot noodzakelijke
veranderingen.
—> structuur: macroniveau + conflict
Er zijn tegen- en subculturen die de dominante cultuur niet aanhangen: de sociale
cohesie is gebrekkig als gevolg van sociale ongelijkheid en uitbuiting.
Sociaal-constructivisme-paradigma (=interactionisme):
Het gedrag van mensen wordt vooral bepaald door hoe mensen zelf de werkelijkheid zien,
kan wel veranderen door anderen.
—> actoren: microniveau + consensus
De sociale cohesie is plaats- en groepsgebonden obv de multiple identity (=
verschillende sociale posities en bijbehorende rollen)
, Rationele-actor-paradigma:
Het kiezen van actoren om hun eigenbelang zoveel mogelijk na te streven.
—> actoren: microniveau + conflict
Actoren onderhouden sociale bindingen als de kosten-baten-analyse positief is.
Soorten groepsvorming:
Formele groepen:
Vastgelegde regels, doelen, procedures en hiërarchie
Informele groepen:
Géén vastgelegde regels, doelen, procedures en hiërarchie
Primaire groepen:
Leden onderhouden persoonlijke en emotionele relatie met elkaar
→ micro + meso
Secundaire groepen:
Leden onderhouden een functionele en doelgerichte relatie met elkaar
→ macro + sociale controle
Vijf fasen van groepsvorming:
1. Oriëntatiefase:
Onzekerheid overheerst over de manier van het met elkaar om gaan.
2. Conflictfase:
Botsende opvattingen (conflicten) en onzekerheden hoe ermee om te gaan.
3. Integratiefase:
Een zeker evenwicht komt op stand tussen opvattingen over samenwerking.
4. Uitvoeringsfase:
Consensus over samenwerking.
5. Ordefase:
Institutionalisering van regels
In- en uitsluiting bij groepsvorming:
Ingroup:
Individuen die een gemeenschappelijke sociale identiteit voelen.
Sociale controle:
Groepsleden controleren elkaars gedrag door middel van positieve en negatieve
sancties.
—> Stereotyperingen / vooroordelen over de outgroep worden gecultiveerd.
Outgroup:
Groepen waar geen gemeenschappelijke sociale identiteit mee wordt gevoeld.
—> competitie/strijd
Stereotypering:
Vaststaande gegeneraliseerde beelden die van toepassing worden verklaard op
iedereen die lid is van de (out)groep.
Vooroordeel:
Oordelen voordat je informatie hebt ontvangen over een persoon of (out)groep die
niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid.