HC Britse Rijk/HC Nederland/HC Duitsland
Feniks 5 HAVO / Syllabus samenvatting met begrippenuitleg en uitleg over
betrouwbaarheid van bronnen bepalen
Britse Rijk 1585-1900
Eind 16e eeuw verkenden de Engelsen Noord-Amerika als mogelijke uitvalsbasis in de strijd met
het katholieke Spanje en als eventuele kolonie.
In 1620 stichtten de protestantse Pilgrim Fathers er een Engelse nederzetting, met als doel er
een geheel nieuwe samenleving te beginnen.
In de 17e eeuw groeiden de groepen kolonisten in Amerika gestaag. Aanvankelijk bestonden er
handelscontacten met de inheemse bevolking. Bloedige oorlogen en geïmporteerde ziekten
zorgden er daarna snel voor dat die inheemse bevolking werd gedecimeerd.
De noordelijke koloniën aan de oostkust waren vestigingskoloniën, gericht op landbouw,
handel en nijverheid. De koloniën in het zuiden ontwikkelden zich steeds meer tot plantage-
economieën, waar producten als tabak en katoen voor de export werden verbouwd.
De dertien koloniën aan de oostkust van Noord-Amerika vormden slechts een deel van het
Britse rijk in Amerika. Andere Engelse plantagekoloniën in het Caribische gebied, zoals Barbados
en Jamaica, waren winstgevender. Alle Engelse koloniën maakten gebruik van de arbeid van
slaafgemaakten, maar in de zuidelijke plantagekoloniën vormden zij een groter deel van de
bevolking.
De driehoekshandel, waarvoor de Engelsen de Royal African Company oprichtten, was
lucratief.
Europese kolonisten kwamen in aanraking met Verlichte ideeën zoals de trias politica, het idee
van volkssoevereiniteit en van natuurlijke rechten. Zij hadden geen politieke
vertegenwoordiging in het parlement in Groot-Brittannië maar betaalden wel belastingen aan
dat land. Dat frustreerde de kolonisten. Zij kwamen in 1776 in opstand en vormden een
onafhankelijke federale staat, de Verenigde Staten van Amerika.
Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam in verlichte en in religieuze kringen het abolitionisme
op. Een verbod op de slavenhandel in het Britse Rijk in 1807 betekende de economische
neergang van Barbados en Jamaica. In 1833 verbood Groot-Brittannië slavernij daarna in grote
delen van het rijk
,Na de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten verschoof het zwaartepunt van het Britse rijk
naar India. Sinds het begin van de 17e eeuw had de East India Company hier factorijen van
waaruit zij handel dreef met de Mogol-vorsten. Toen de positie van deze vorsten verzwakte,
breidde de East India Company haar macht over India uit.
Het verdrag van Allahabad in 1765 betekende het begin van het Britse rijk in India. Al snel
heerste de East India Company over een groot deel van het Indiase subcontinent en was het
innen van belasting een belangrijke inkomstenbron.
Bij de controle over het Britse rijk en voor het afdwingen en beschermen van de handel
speelden de Royal Navy en het Brits-Indische leger een grote rol. Dat leger bestond uit Indiase
soldaten onder leiding van Britse officieren.
Migratie vanuit Groot-Brittannië was er nauwelijks. Een kleine groep Britten voerde het bestuur
over miljoenen Indiërs. Zij maakten hierbij gebruik van het bestaande inheemse bestuur.
Hoewel de Britten talrijke Indiase religieuze en sociale gebruiken afwezen, accepteerden veel
Indiërs hun gezag. Toen het in 1857 toch tot een opstand kwam onder ontevreden Indiase
soldaten sloegen de Britten deze hard neer. India kwam daarna onder direct gezag van de Britse
regering. Koningin Victoria werd keizerin van India.
Heerschappij over India gaf politiek en militair aanzien maar was voor Groot-Brittannië vooral
economisch belangrijk. Zo werden ook in India plantages opgezet voor de teelt van
handelsgewassen. Tegelijk werd het subcontinent een belangrijk afzetgebied voor Engelse
industrieproducten. De import hiervan concurreerde sterk met de Indiase huisnijverheid.
Lokaal breidde de Britse koloniale macht zich uit via spoorwegen. Stoomschepen en de opening
van het Suezkanaal zorgden daarnaast voor snellere verbinding met het moederland, hetgeen
ook grotere controle mogelijk maakte.
Vanuit een gevoel van superioriteit voerden de Britten de Engelse taal, hun rechtssysteem en
hun onderwijssysteem in.
Hoogopgeleide Indiërs richtten hierop in 1885 het Indian National Congress op. In eerste
instantie streefden zij naar gelijke kansen binnen het BritsIndische bestuur. De Britten gaven
hier niet aan toe. De ontwikkeling van GrootBrittannië tot grootmacht bepaalde hun zelfbeeld.
Zij zagen het als hun taak om de wereld naar Brits model te beschaven.
Het bezit van koloniën vergrootte de economische voorsprong die Groot-Brittannië in de 18e en
19e eeuw nam op andere landen.
In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond in GrootBrittannië de industriële revolutie. Deze
werd mogelijk door uitvindingen zoals de Spinning Jenny en de stoommachine. Door
verbeteringen in de landbouw en door ziektebestrijding groeide de bevolking en nam de vraag
naar goederen en het aanbod van goedkope arbeid toe.
, Ondernemers investeerden winsten uit de koloniën in industrie en transport in GrootBrittannië,
waar eerst vaarwegen en daarna spoorwegen werden aangelegd. Grondstoffen, met name
katoen, kwamen uit de koloniën in het Caribische gebied, uit de Verenigde Staten en uit India.
Daarnaast werd vooral India in de loop van de 19e eeuw een steeds belangrijkere afzetmarkt
voor de katoenindustrie. De Britse markt werd gevoelig voor gebeurtenissen op mondiaal
niveau.
Door de industrialisatie veranderde het handelskapitalisme in industrieel kapitalisme.
Ondernemers streefden naar een liberale markteconomie met vrijhandel en een kleine rol voor
de overheid, ook binnen het Britse wereldrijk. Om die vrijhandel af te dwingen zetten Britten
desnoods de marine in, ook in gebieden die niet direct gekoloniseerd waren. Ondernemers
wilden meer politieke invloed. Die kregen zij met de Reform Bill in 1832.
De industrialisatie leidde tot de vorming van nieuwe sociale klassen. Fabrieksarbeiders leefden
en werkten onder slechte omstandigheden in snelgroeiende steden en kwamen in protest. De
overheid greep aanvankelijk niet in, maar probeerde vanaf 1833 met de Factory Acts excessen
te voorkomen.
Mede onder invloed van mensen als Robert Owen wisten arbeiders via vakbonden meer
rechten af te dwingen. Fabrikanten investeerden ook in winstgevende projecten in de koloniën.
Londen werd het financiële hart van de wereld. De eerste wereldtentoonstelling in 1851 liet
zien dat GrootBrittannië de werkplaats van de wereld was. Na 1870 kreeg de Britse industrie te
maken met groeiende concurrentie van de Verenigde Staten en Duitsland.
Op zoek naar nieuwe markten breidden de Britten hun wereldrijk aan het einde van de 19e
eeuw nog verder uit. Rond 1900 heerste Groot-Brittannië over een kwart van de
wereldbevolking
HC Duitsland 1918-1991
In de laatste dagen van de Eerste Wereldoorlog werd in het Duitse keizerrijk de republiek
uitgeroepen.
De sociaaldemocratische regering tekende de wapenstilstand en begon met de opbouw van een
parlementaire democratie. Door tegenstand van de conservatieve elite en extremistische
groepen van links en rechts was die democratie vanaf het begin wankel.
Een groot deel van de Duitse bevolking had weinig vertrouwen in de leiders van de Republiek.
Gevoed door de dolkstootlegende hielden zij hen verantwoordelijk voor de nederlaag in de
Eerste Wereldoorlog en het opgelegde Verdrag van Versailles uit 1919.