, Alle antwoorden apart einde
15 Open vragen
Hoofdstuk 1: Rekenen niveau 4
1. Een kinderopvangorganisatie ontvangt €18.450 subsidie voor een project dat 9
maanden duurt. Het geld wordt gelijk verdeeld over de maanden. In maand 4 blijkt
dat er al €9.200 is uitgegeven.
Vraag: Bereken hoeveel euro er volgens de planning maximaal had mogen worden
uitgegeven na 4 maanden en bepaal of het project op dat moment boven of onder
budget zit.
2. In een kinderopvanggroep zijn 18 kinderen aanwezig. Volgens de regelgeving mag
één pedagogisch medewerker maximaal 8 kinderen begeleiden.
Vraag: Bereken hoeveel pedagogisch medewerkers minimaal nodig zijn en leg uit
waarom afronden naar beneden of boven in deze situatie wel of niet verantwoord is.
3. Een activiteit duurt 2 uur en 35 minuten. De voorbereiding kost 45 minuten en het
opruimen 20 minuten.
Vraag: Bereken hoeveel totale tijd een pedagogisch medewerker aan deze activiteit
besteedt en zet het antwoord om in uren met twee decimalen.
4. Een opvanglocatie koopt 6 dozen met elk 24 potloden voor €48 totaal. Van alle
potloden raakt 12% kwijt of beschadigd.
Vraag: Bereken hoeveel potloden er bruikbaar overblijven en wat de effectieve prijs
per bruikbaar potlood is.
5. In een week werkt een pedagogisch medewerker 28 uur. Daarvan is 35% indirecte
tijd (overleg, administratie, voorbereiding).
Vraag: Bereken hoeveel uur daadwerkelijk met kinderen wordt gewerkt en leg de
berekening stap voor stap uit.
6. Voor een knutselactiviteit is per kind 0,35 liter verf nodig. Er doen 14 kinderen mee.
De verf wordt verkocht in flessen van 1 liter.
Vraag: Bereken hoeveel flessen minimaal gekocht moeten worden en hoeveel liter
verf er uiteindelijk overblijft.