Natuur en techniek is een combinatie van: biologie, scheikunde, techniek en natuurkunde
De twee manieren van leren zijn: onderzoekend leren en ontwerpend leren
H2 Biologische eenheid
Wat is een cel? = alle organisme zijn opgebouwd uit cellen. Organismen zoals bacteriën
en eencellige bestaan maar uit één cel, grotere organismen zoals wij mensen bestaan uit
vele miljarden cellen
Wat kan een cel? = groeien, delen, afval scheiden, veel cellen kunnen bewegen. Voor al
deze acties hebben cellen speciale structuren -> deze noemen we organellen
Celmembraan: een scheiding tussen de binnen- en buitenkant van een cel, het is een
dun vliesje
o zorgt ervoor dat er nuttige stoffen in de cel blijven en worden schadelijke stoffen
tegengehouden, doordat een celmembraan veel kanalen bevatten die op en dicht
kunnen, kunnen nuttige stofjes de cel in. En ook kunnen de afvalstoffen via deze
kanalen de cel verlaten
Celplasma: een soort dikke vloeistof waarin de andere organellen liggen
Celwand: bij de cellen van bacteriën, schimmels en planten hebben de celmembraan ook
nog een dikke wand dat stevig aan de cel vastzit, dierlijke cellen hebben geen celwand
Celkern: een soort bibliotheek waarin erfelijke informatie ligt, denk hierbij aan het DNA.
Het DNA zijn de genen, die instructie geven voor wat er 4in een cel gebeurt (door genen
kunnen cellen samenwerken)
Mitochondrion: zorgt voor de energie die een cel nodig heeft om verschillende
processen te doen, een aantal voorbeelden van deze processen zijn: groeien, delen,
reageren op de omgeving, stoffen maken
Vacuole: een blaasje gevuld met water, de vacuole slaat nuttige of juist schadelijke
informatie op. Dierencellen hebben vaak enkele of helemaal geen vacuole. Bij
plantencellen speelt de vacuole een rol in stevigheid
Bladgroenkorrels: een extra organel, met bladgroenkorrels kunnen planten zonlicht
opvangen. Zonlicht is de energie die een plant nodig heeft voor fotosynthese en voor de
groene kleur
Een orgaan is een onderdeel van een organisme, heeft een of meerdere functies.
Organen zijn opgebouwd uit weefsels -> elk weefsel bestaat uit gelijksoortige cellen.
Organen werken samen in orgaanstelsels. Samen zijn organen instaat stoffen door het
hele lichaam te sturen -> door deze samenwerking kunnen organismen functioneren
, Orgaanstelsel Belangrijke functie Voorbeelden van
organen
Bloedvatenstelsel Transport van afvalstoffen Hart
en nuttige stoffen door het
lichaam
Ademhalingsstelsel Opname van zuurstof en Longen
afgifte van koolzuur
Spijsverteringsstelsel Verteren van voedsel en Maag en darmen
het opnemen van nuttige
stoffen
Lever Verwerken van allerlei Lever
verschillende stoffen
Uitscheidingsstelsel Zorgen dat afvalstoffen het Nieren
lichaam verlaten
Zintuigen Ondersteunen van het Lymfeknopen
bloedvatenstelsel en de
afweer
Zenuwstelsel Opvangen van prikkels uit Oog en oor
het lichaam en de
omgeving
Hormoonstelsel Doorgeven van signalen Hypofyse en bijnieren
tussen verschillende
organen
Skelet Geeft stevigheid en vorm Gewrichten
aan het lichaam, maakt
beweging mogelijk
Spierstelsel Maakt beweging mogelijk Armspieren
Voortplanting stelsel Voortplanting Eierstokken en teelballen
Een organismen is een levend wezen. Er zijn grote verschillen tussen organismen, maar
toch hebben ze ook overeenkomsten:
o voeden zich
o planten zich voort
o overleven vijanden
o verdedigen zich tegen invloeden uit de omgeving
o alle organismen zijn opgebouwd uit cellen
Organismen kunnen we onderscheiden in soorten. Een soort is een groep organismen
die (meestal) op elkaar lijken, zich met elkaar kunnen voortplanten en vruchtbare
nakomelingen kunnen krijgen.
De belangrijkste overeenkomst tussen organismen is dat alle organismen zijn opgebouwd
uit cellen, op basis van verschillende bouw van cellen kunnen we alle organismen
opdelen in vijf verschillende groepen: de vijf rijken van het leven
Rijk Aantal cellen in een Organellen
organismen
Bacteriën Een cel Cel zonder organellen
Eencelligen Een cel Cel met organellen (veel
verschillen tussen soorten)
Schimmels Een cel of meer cellen Cel met organellen:
celwand, geen
bladgroenkorrels
, Planten Meer cellen Cel met organellen:
celwand en
bladgroenkorrels
Dieren Meer cellen Cel met organellen: geen
celwand of
bladgroenkorrels
Bacteriën: de kleinste organismen die we kennen, ze bestaan uit één cel en hebben
geen organellen in de cel. Ze hebben geen celkern en het DNA ligt daarom los in het
celplasma. Ze planten zich voort door deling (bacteriën in je darmen -> darmflora)
Eencelligen: bestaan net als bacteriën ook uit één cel, maar hebben wel organellen in
hun cel. Hun DNA ligt bijvoorbeeld in de celkern opgeslagen -> eencelligen verschillen
heel erg van elkaar
Schimmels: zijn (meestal) meercellige organismen. Ze hebben verschillende organellen,
waaronder een dikke celwand -> schimmels kunnen ernstige infecties veroorzaken maar
kunnen ook nuttig zijn
Planten: de belangrijkste eigenschap van een plant is fotosynthese. Alle planten zijn
meercellig -> onderverdeeld in het rijk der planten
Groep Vaatplanten Voortplanting Zaden wel of niet
met hulp van in een vrucht
zaden of sporen
Mossen Geen vaten Sporen X
Varens en Wel vaten Sporen X
paardenstaarten
Naaktzadigen Wel vaten Zaden Zaden niet in een
(naaldbomen) vrucht
Bedektzadige Wel vaten Zaden Zaden in een vrucht
(planten met
bloemen)
Mossen: zijn kleine planten die alleen te vinden zijn op vochtige plaatsen, dit vocht
hebben ze nodig om hun sporen te verspreiden. Mossen kunnen niet groter worden dan
10 centimeter, omdat ze geen vaatbundels hebben waarmee ze voedingstoffen door de
plant kunnen vervoeren.
Varens en paardenstaarten: dit zijn de planten van de oertijd. Ze kunnen hoge
struiken en bomen vormen, doordat ze vaten ontwikkelen.
Naaktzadigen: een dennenappel bevat zaden van een dennenboom. Achter elk schubje
van de dennenappel ligt vaak een zaad. In een zaad ligt een embryo. Dit is een jong
plantje dat als het terecht komt op een geschikte plek zich kan uitgroeien tot een
organisme -> spermacellen verspreiden zich via pollen
Bedektzadige: in de wereld van biologie gebruik je de term vrucht breder dan de
meeste mensen deze gebruiken in het dagelijks leven. Een vrucht bedekt één of meer
zaden, alleen de groep bedektzadige heeft een bloem (hier vindt de bevruchting plaats)
Dieren kunnen we net zo als planten onderverdelen in rijken:
Gewerveld of Groep Typisch kenmerk
ongewerveld
Ongewerveld Sponzen Geen echte organen
Neteldieren (of hoteldieren) Netelcellen
Wormen Langwerpig bouwplan