MCOS A
Deeltentamen 2
Surveyonderzoek: ook wel grootschalig veldonderzoek genoemd.
Standaardisatie: dezelfde vragenlijst wordt gebruikt én iedereen
wordt op dezelfde manier geïnterviewd.
Standaardisatie maakt het vergelijken van antwoorden en replicatie
van het mogelijk.
Censussteekproef: iedereen uit de doelgroep wordt ondervraagd.
Dit gebeurt nu niet meer, het zorgde voor sociale onrust.
Vraagstelling: gaat over kwesties die binnen een bepaalde
populatie een rol spelen. Wordt ook gebruikt om het draagvlak voor
het beleid te kunnen bepalen (de overheid).
Herhaald cross-sectioneel/trendsurvey: respondenten uit steeds
nieuwe steekproeven worden op een later moment ondervraagd
met dezelfde vragen.
Cross-sectioneel: eenmalig onderzoek. Individuele verschillen.
Panelsurvey: dezelfde respondenten worden op een later moment
verder ondervraagd.
Doelstelling: het toetsen van verklaringen. Vaststellen van
verschijnselen, gedrag of opinies.
Modus: hoe wil je onderzoek doen? Verschillende manieren:
persoonlijke interviews, telefonische interviews en zelfinvullijsten.
Persoonlijk interview: langzaam, complexiteit zeer hoog, respons
is goed, hoge kosten.
Telefonisch onderzoek: langzaam, complexiteit laag, hoge kosten.
Zelfinvullijsten:
Online: snel, complexiteit hoog, lage kosten.
Schriftelijk: langzaam, complexiteit laag, lage kosten.
Non-respons: geen reactie op de vragenlijst. Kan bij alle modussen.
Multi-interpretabele vragen: geen vaagheden, zo concreet
mogelijk.
Double barrelled questions: één vraag per keer/item/stelling.
Leading questions: je moet de respondent niet sturen naar een
antwoord.
, Steekproefkader: steekproeven worden getrokken uit de
administratie van een populatie.
Onderdekking: eenheden komen niet voor in het steekproefkader,
maar behoren wel tot de populatie.
Overdekking: maken ten onrechte deel uit van het
steekproefkader.
Informed consent: je moet de respondent altijd uitleggen hoe het
onderzoek werkt en welke rechten hij/zij heeft.
Wat te doen aan non-respons:
Oversampling: meer respondenten benaderen dan nodig.
Incentive: je moet het aantrekkelijk maken om mee te doen aan het
onderzoek. Bijvoorbeeld een beloning.
Mixed mode survey inzetten.
2
Deeltentamen 2
Surveyonderzoek: ook wel grootschalig veldonderzoek genoemd.
Standaardisatie: dezelfde vragenlijst wordt gebruikt én iedereen
wordt op dezelfde manier geïnterviewd.
Standaardisatie maakt het vergelijken van antwoorden en replicatie
van het mogelijk.
Censussteekproef: iedereen uit de doelgroep wordt ondervraagd.
Dit gebeurt nu niet meer, het zorgde voor sociale onrust.
Vraagstelling: gaat over kwesties die binnen een bepaalde
populatie een rol spelen. Wordt ook gebruikt om het draagvlak voor
het beleid te kunnen bepalen (de overheid).
Herhaald cross-sectioneel/trendsurvey: respondenten uit steeds
nieuwe steekproeven worden op een later moment ondervraagd
met dezelfde vragen.
Cross-sectioneel: eenmalig onderzoek. Individuele verschillen.
Panelsurvey: dezelfde respondenten worden op een later moment
verder ondervraagd.
Doelstelling: het toetsen van verklaringen. Vaststellen van
verschijnselen, gedrag of opinies.
Modus: hoe wil je onderzoek doen? Verschillende manieren:
persoonlijke interviews, telefonische interviews en zelfinvullijsten.
Persoonlijk interview: langzaam, complexiteit zeer hoog, respons
is goed, hoge kosten.
Telefonisch onderzoek: langzaam, complexiteit laag, hoge kosten.
Zelfinvullijsten:
Online: snel, complexiteit hoog, lage kosten.
Schriftelijk: langzaam, complexiteit laag, lage kosten.
Non-respons: geen reactie op de vragenlijst. Kan bij alle modussen.
Multi-interpretabele vragen: geen vaagheden, zo concreet
mogelijk.
Double barrelled questions: één vraag per keer/item/stelling.
Leading questions: je moet de respondent niet sturen naar een
antwoord.
, Steekproefkader: steekproeven worden getrokken uit de
administratie van een populatie.
Onderdekking: eenheden komen niet voor in het steekproefkader,
maar behoren wel tot de populatie.
Overdekking: maken ten onrechte deel uit van het
steekproefkader.
Informed consent: je moet de respondent altijd uitleggen hoe het
onderzoek werkt en welke rechten hij/zij heeft.
Wat te doen aan non-respons:
Oversampling: meer respondenten benaderen dan nodig.
Incentive: je moet het aantrekkelijk maken om mee te doen aan het
onderzoek. Bijvoorbeeld een beloning.
Mixed mode survey inzetten.
2