6.1 De opstand in Europees perspectief
In de ogen van Karel V en Philips II was calvinisme onverteerbaar: er kon maar 1
godsdienst zijn en die moest voor iedereen in het land gelden. Ketterij diende
streng vervolgd te worden → bloedplakkaten (doodstraf voor ketterij)
In de Nederlanden werd een centralisatiepolitiek gevoerd → ambtenaren
geschoold en niet van adel (trouw want betaald) → adel was hier ontevreden over
(beroofd van invloed en privileges) → gespannen voet want vorsten hadden
toestemming adel nodig om belasting te heffen.
Onvrede in Nederlanden over kettervervolgingen en toenemende centralisme →
Willem van Oranje wilde compromis sluiten met de Spaanse vorst → dit was
echter uitgesloten en het verzet groeide uit in een opstand (in 1566 brak de
Beeldenstorm uit: beelden van heiligen werden vernield) → gevolg: scheiding
Noordelijke (opstandige) en Zuidelijke Nederlanden
In 1579 sloten de Noordelijke gewesten een defensief verbond: de Unie van Utrecht → zij
wilden met behoud van alle verschillen bij elkaar blijven. Met het Plakkaat van
Verlatinghe (1581) verbraken de opstandelingen definitief hun banden met de Spaanse
vorst.
Zuidelijke gewesten werden al snel getemd door Spanje, maar Noordelijke werden een
zelfstandige republiek, waarbij het calvinisme de belangrijkste godsdienst werd, andere
godsdiensten werden echter wel getolereerd.