Examen Anatomie
, Hoofdstuk 1
Cellen 1.1
DNA: Chromosomen bestaan uit DNA. In bepaalde delen van het DNA zit erfelijke
informatie, de genen. De genen zorgen voor het doorgeven van erfelijke
eigenschappen. Een menselijke celkern bevat 46 chromosomen, verdeeld over 23
paren.
Begrippen:
- Cellen: Kleinste deel van het lichaam en is tot alle belangrijkste
levensverrichtingen in staat.
- Celmembraan: De celwand, laat stoffen door. (halfdoorlaatbaar)
voedingsstoffen en zuurstof worden opgenomen en afvalstoffen afgegeven.
- Cellichaam: Bestaat uit cytoplasma
- Cytoplasma: Bestaat voor 75% uit water en voor 25% uit voedingsstoffen. Die
stoffen zijn belangrijk voor de celstofwisseling en energievoorziening in het
lichaam.
- Organellen: Onderdelen van de cel met een speciale functie.
- Celkern: Binnen in de cel. Hier worden alle levensprocessen van de cel
geregeld, zoals stofwisseling & groei.
- Kernmembraan: Wand om de cel.
- Kernplasma: Zit binnen het kernmembraan. Kernplasma heeft dezelfde
samenstelling als cytoplasma.
- Protoplasma: Cytoplasma & kernplasma samen.
- Chromosomen: Bestaan uit DNA
- Directe celdeling: Komt alleen voor bij eencellige organismen.
- Indirecte celdeling: Komt voor bij meercellige organismen. (mensen)
,Epitheelweefsel 1.2
Exocriene klieren: Exocriene klieren hebben een afvoerbuis. Het product dat de
klier maakt wordt afgescheiden via die afvoerbuis. Er zijn drie soorten exocriene
klieren:
- Eccriene klieren: Hele kliercel blijft behouden.
Bijvoorbeeld: speekselklieren & kleine zweetklier
- Apocriene klieren: Deel van de kliercel gaat verloren.
Bijvoorbeeld: Grote zweetklier, melkklier, oorsmeerklier
- Holocriene klieren: Hele kliercel gaat verloren.
Bijvoorbeeld: Talgklier
Begrippen:
- Weefsel: Groepen cellen met dezelfde vorm, afkomst, celtussenstof & functie
- Epitheelweefsel: Functioneert als beschermend dekweefsel of scheidt stoffen
af.
- Klierweefsel: Afscheidend epitheel.
- Secretieklieren: Scheiden stoffen af die nuttig zijn voor het lichaam.
- Incretieklieren: Geven stoffen direct aan het bloed.
- Excretieklieren: Scheiden afvalstoffen uit.
, Steunweefsel 1.3
Kraakbeenweefsel: Kraakbeen is elastisch en veerkrachtig steunweefsel. Het bevat
weinig bloedvaten. Daardoor geneest kraakbeen heel moeilijk.
Functies:
- Bied steun aan weke delen in het lichaam.
- Verbind verschillende beenderen
- Het is glijvlak voor gewrichten
- Geeft vorm aan je lichaam
Soorten kraakbeen:
- Elastisch kraakbeen: Hier zitten veel elastische vezels in en is daardoor
makkelijk vervormbaar. (neusvleugels, oorschelpen)
- Glasachtig kraakbeen: Bestaat uit dunne, collagene en elastische vezels met
een doorschijnende tussenstof. Daardoor is het kraakbeen stevig maar toch
soepel. (verbinding tussen ribben & borstbeen)
- Vezelachtig kraakbeen: Bevat veel collagene vezels. Daardoor is het sterk
en stevig. Het komt daarom voor op plaatsen in het lichaam waar grote druk
en kracht op staat. (tussenwervelschijven, meniscus)
Begrippen:
- Bindweefsel: Meest voorkomende steunweefsel.
- Celtussenstof: Stof die cellen en vezels met elkaar verbind.
- Mestcellen: Vormen weefselenzymen en weefselhormonen die belangrijk zijn
bij het tegengaan van ontstekingen van de huid.
- Collagene vezels: Is erg sterk en kan niet mee rekken.
- Elastische vezels: Dit werkt net als elastiek
- Reticuline vezels: Vormen een groot netwerk.
- Vast bindweefsel: Bevat veel collagene vezels en weinig elastische en
reticuline vezels.
- Dicht bindweefsel: Bestaat uit een dicht netwerk van elastische en collagene
vezels.
- Losmazig bindweefsel: Los netwerk van elastische en reticuline vezels. Er
zitten weinig collagene vezels in. Daardoor is het zacht en makkelijk te
vervormen.
- Reticulair bindweefsel: Bestaat alleen uit reticuline vezels.
- Vetcellen: Opslag plaats voor voedsel
- Beenweefsel: Een hard en stevig weefsel. Ook wel botweefsel. Het is de
basis van het skelet.
, Hoofdstuk 1
Cellen 1.1
DNA: Chromosomen bestaan uit DNA. In bepaalde delen van het DNA zit erfelijke
informatie, de genen. De genen zorgen voor het doorgeven van erfelijke
eigenschappen. Een menselijke celkern bevat 46 chromosomen, verdeeld over 23
paren.
Begrippen:
- Cellen: Kleinste deel van het lichaam en is tot alle belangrijkste
levensverrichtingen in staat.
- Celmembraan: De celwand, laat stoffen door. (halfdoorlaatbaar)
voedingsstoffen en zuurstof worden opgenomen en afvalstoffen afgegeven.
- Cellichaam: Bestaat uit cytoplasma
- Cytoplasma: Bestaat voor 75% uit water en voor 25% uit voedingsstoffen. Die
stoffen zijn belangrijk voor de celstofwisseling en energievoorziening in het
lichaam.
- Organellen: Onderdelen van de cel met een speciale functie.
- Celkern: Binnen in de cel. Hier worden alle levensprocessen van de cel
geregeld, zoals stofwisseling & groei.
- Kernmembraan: Wand om de cel.
- Kernplasma: Zit binnen het kernmembraan. Kernplasma heeft dezelfde
samenstelling als cytoplasma.
- Protoplasma: Cytoplasma & kernplasma samen.
- Chromosomen: Bestaan uit DNA
- Directe celdeling: Komt alleen voor bij eencellige organismen.
- Indirecte celdeling: Komt voor bij meercellige organismen. (mensen)
,Epitheelweefsel 1.2
Exocriene klieren: Exocriene klieren hebben een afvoerbuis. Het product dat de
klier maakt wordt afgescheiden via die afvoerbuis. Er zijn drie soorten exocriene
klieren:
- Eccriene klieren: Hele kliercel blijft behouden.
Bijvoorbeeld: speekselklieren & kleine zweetklier
- Apocriene klieren: Deel van de kliercel gaat verloren.
Bijvoorbeeld: Grote zweetklier, melkklier, oorsmeerklier
- Holocriene klieren: Hele kliercel gaat verloren.
Bijvoorbeeld: Talgklier
Begrippen:
- Weefsel: Groepen cellen met dezelfde vorm, afkomst, celtussenstof & functie
- Epitheelweefsel: Functioneert als beschermend dekweefsel of scheidt stoffen
af.
- Klierweefsel: Afscheidend epitheel.
- Secretieklieren: Scheiden stoffen af die nuttig zijn voor het lichaam.
- Incretieklieren: Geven stoffen direct aan het bloed.
- Excretieklieren: Scheiden afvalstoffen uit.
, Steunweefsel 1.3
Kraakbeenweefsel: Kraakbeen is elastisch en veerkrachtig steunweefsel. Het bevat
weinig bloedvaten. Daardoor geneest kraakbeen heel moeilijk.
Functies:
- Bied steun aan weke delen in het lichaam.
- Verbind verschillende beenderen
- Het is glijvlak voor gewrichten
- Geeft vorm aan je lichaam
Soorten kraakbeen:
- Elastisch kraakbeen: Hier zitten veel elastische vezels in en is daardoor
makkelijk vervormbaar. (neusvleugels, oorschelpen)
- Glasachtig kraakbeen: Bestaat uit dunne, collagene en elastische vezels met
een doorschijnende tussenstof. Daardoor is het kraakbeen stevig maar toch
soepel. (verbinding tussen ribben & borstbeen)
- Vezelachtig kraakbeen: Bevat veel collagene vezels. Daardoor is het sterk
en stevig. Het komt daarom voor op plaatsen in het lichaam waar grote druk
en kracht op staat. (tussenwervelschijven, meniscus)
Begrippen:
- Bindweefsel: Meest voorkomende steunweefsel.
- Celtussenstof: Stof die cellen en vezels met elkaar verbind.
- Mestcellen: Vormen weefselenzymen en weefselhormonen die belangrijk zijn
bij het tegengaan van ontstekingen van de huid.
- Collagene vezels: Is erg sterk en kan niet mee rekken.
- Elastische vezels: Dit werkt net als elastiek
- Reticuline vezels: Vormen een groot netwerk.
- Vast bindweefsel: Bevat veel collagene vezels en weinig elastische en
reticuline vezels.
- Dicht bindweefsel: Bestaat uit een dicht netwerk van elastische en collagene
vezels.
- Losmazig bindweefsel: Los netwerk van elastische en reticuline vezels. Er
zitten weinig collagene vezels in. Daardoor is het zacht en makkelijk te
vervormen.
- Reticulair bindweefsel: Bestaat alleen uit reticuline vezels.
- Vetcellen: Opslag plaats voor voedsel
- Beenweefsel: Een hard en stevig weefsel. Ook wel botweefsel. Het is de
basis van het skelet.