Nederlands recht in civiele traditie
(RGBUPRV023)
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Deze samenvatting bevat alle belangrijke stof voor deze week van het vak Nederlands recht
in civiele traditie (RGBUPRV023) aan de Universiteit Utrecht in 2026.
De samenvatting bevat handige stappenplannen, overzichtjes en kernpunten per onderwerp.
Perfect om snel en gestructureerd te leren zonder alle stof opnieuw door te ploegen.
Met deze samenvatting heb ik zelf een 10 gehaald voor het tentamen in 2026, dus hij is
helemaal tentamen-proof.
Kijk ook eens naar mijn andere materiaal:
● Heb je meer weken gemist? Ik heb van alle weken van dit vak losse samenvattingen
online staan, evenals een voordelige verzamelbundel.
----------------------------------------------------------------------------------------------------
Week 3: Goederenrecht: systematiek, zaken en
eigendom
Onderwerpen:
1. Kort: personenrecht: Het staat niet voor niets in het eerste boek van ons BW:
personen- en familerecht; in het 2e boek de rechtspersonen. Daarna pas volgt ons
vermogensrecht (boeken 3-9). Eerst de mensen, daarna de goederen, of: eerst de
rechtssubjecten, dan de objecten van het recht. Rechtssubjecten (personen en
rechtspersonen) zijn dragers van subjectieve rechten en plichten, hebben een
vermogen. Ook in het Romeinse recht, elders en in latere tijden, treffen we deze
systematisering. Maar er zijn grondleggende verschillen. 1. Er is slavernij; 2. Niet
elke vrije persoon is een rechtssubject – er is een onderscheid tussen personen die
onder de vaderlijke macht staan, en die dat niet staan – onderscheid tussen
personen sui iuris (van eigen recht) en alieni iuris (van andermans recht); 3.
Rechtspersonen bestonden niet als zodanig, en zijn pas in de vroeg-moderne tijd
(16e en 17e eeuw) tot ontwikkeling gekomen.
2. Vermogensrecht – systematiek: De notie van subjectieve rechten is als zodanig
niet aan te treffen in het Romeinse recht. Ons hedendaagse uitgangspunt, dat iedere
persoon een vermogen heeft, op ieder goed in zijn vermogen een subjectief recht
heeft ontstond ten tijde van, of zelfs met Grotius. Van `beheering’ (boek 2,
goederenrecht over goederenrechtelijke rechten) wordt onderscheiden van `inschuld’
(verbintenissenrecht of persoonlijke rechten). De scheiding tussen die twee
rechtsgebieden wordt in de negentiende en twintigste eeuw nog dogmatischer
aangezet. Blaauboer/Berlips is daarvan een illustratie.
, 3. Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten: Ons atikel 3:1 BW is ons
zeer vertrouwd. Alle goederen kunnen een persoon toebehoren. Is het een zaak, dan
kan de persoon daarvan ook het eigendomsrecht hebben (art. 5:1 BW), is het een
vermogensrecht dan behoort dat recht aan de persoon toe, voor zover mogelijk in
analogie met eigendom. Zaken werden echter van oudsher niet als zo uniform
beschouwd. Er werd traditioneel uitgegaan van een verdeling van zaken naar de
publieke bestemming van die zaak, zodat die zaken `buiten de handel’ werden
geplaatst, en niet voor individueel `toebehoren’ vatbaar waren. Dat vinden we bij
Justinianus, bij Grotius, en zelfs nog in ons oude BW. Het heeft tot veel debat
aanleiding gegeven.
1. Systematiek van het vermogensrecht
1.1 Rode draad
De centrale vraag van deze week is: hoe is het gesloten stelsel van zakelijke rechten
ontstaan, en waarom maakt het recht onderscheid tussen zakelijke en persoonlijke
rechten? Die vraag loopt als een rode draad door alle onderwerpen: van de systematiek
van het vermogensrecht, via de zakenclassificatie, naar het eigendomsbegrip.
1.2 Van acties naar rechten
De ordening van ons huidige Burgerlijk Wetboek is principieel:
● Boek 1 en 2 behandelen het personen-, familie- en rechtspersonenrecht;
● Boeken 3 t/m 9 behandelen daarna pas het vermogensrecht.
Dit weerspiegelt het uitgangspunt: eerst de rechtssubjecten (dragers van rechten en
plichten met een vermogen), daarna pas de rechtsobjecten (de goederen).
Deze driedeling gaat terug op Romeinse jurist Gaius en keizer Justinianus, die het
Romeinse recht indeelde in: personen (personae), zaken (res) en acties (actiones).
● Gaius verwoordde dit als G. 1.8): ‘’Al het recht dat wij toepassen heeft betrekking op
personen, op zaken of op acties’’.
Cruciaal daarin waren de acties, die bestonden uit:
● A. persoonlijke acties (in personam): gericht tegen een specifiek persoon
● B. zakelijke acties (in rem): gericht tegen iedereen
Dit procedurele onderscheid is de historische basis voor de latere scheiding tussen
verbintenissenrecht en goederenrecht — een verschuiving van "geen actie, geen recht"
naar "geen recht, geen actie."
Er zijn echter fundamentele verschillen met het Romeinse recht en het latere recht:
● A. Slavernij: In het Romeinse recht was een slaaf geen subject, maar een object.
● B. Vaderlijke macht: een vrije Romein was niet altijd ook een zelfstandig
rechtssubject. Er was een streng onderscheid tussen: (i) personen sui iuris (van
eigen recht, onafhankelijk), en (ii) personen alieni iuris (onder de macht van een
ander, zoals de pater familias).
○ Personen sui iuris stonden onder eigen recht: zij waren volledig
zelfstandig en konden zelf rechten en plichten dragen.