1.2 Lage landen
In de middeleeuwen bestonden Nederland en België niet als onafhankelijke eenheidsstaten. De
Nederlanden of de Lage Landen bestonden uit een aantal gewesten, als Vlaanderen, Brabant,
Holland en Gelre. Zoals er geen nationale eenheid was, was er ook geen eenheidstaal. In ieder
gewest werd een eigen streekgebonden variant van het Middelnederlands gesproken.
Het gewest Holland werd in de middeleeuwen bestuurd door een graaf. In de twaalfde eeuw
breidden de graven van Holland hun macht uit door gebieden te veroveren en strategisch gelegen
nederzettingen stadsrechten te geven. Zo ontstonden steden als Delft, Dordrecht en Haarlem. In het
oosten van Nederland werden steden als Zutphen, Deventer en Kampen belangrijke handelscentra,
die zich in de veertiende eeuw aansloten bij de Hanze, een samenwerkingsverband van kooplieden in
steden. Tot deze Hanze behoorden ook vele steden in het noordwesten van Duitsland en rond de
Oostzee.
1.3 Standentheorie
In de elfde eeuw beschreef Adalbero een maatschappij verdeeld in drie groepen. Hij typeerde de
groepen naar hun functie in de maatschappij: bidden, strijden en werken. Bidden staat voor de
geestelijkheid, strijden voor adel en ridders, werken voor boeren en vissers. In deze standentheorie
ontbreekt de groep die steeds belangrijker zal worden, de burgerij in de steden.
1.5 Adel en ridders
Ridders vormden tot de veertiende eeuw de kern van de legers. Vanaf de achtste tot de elfde eeuw
kwam de feodale maatschappij tot ontwikkeling. De kern van de feodaliteit was een dienstrelatie die
vrije mannen hadden met hun adellijke heer. Als beloning voor de dienst ontvingen ze een
wapenuitrusting en inkomsten van hun leenheer. Dit was vaak een stuk land waarvan men van de
opbrengsten kon leven. De feodale maatschappij was in economische zin een agrarische
maatschappij. Men was afhankelijk van de opbrengsten van de landbouw. De relatie tussen adellijk
leenheer en vazal werd gekenmerkt door wederzijdse trouw en bescherming.
In de elfde en twaalfde eeuw werden territoriale vorstendommen steeds machtiger. Hertogen of
graven hadden twee middelen om hun gezag te handhaven: kastelen en ridders. De ridders vormden
een groep, de ridderschap. Feodaliteit en ridders horen bij elkaar. Het was een plicht van een
leenheer om de zonen van zijn vazallen naar de ridderopleiding te sturen.
De feodale adel en ridders leefden volgens de opvattingen van een eercultuur. Binnen een
eercultuur ligt de norm voor het individuele gedrag in het aanzien of de waardering dat men van
anderen ontvangt. Gedrag dat paste bij een hoge sociale status leverde eer op. Een echte ridder
mocht eer een aanzien nooit verliezen. Schaamte en schande als gevolg van eerverlies moest
vermeden worden.
1.6 Burgerij
Vanaf de tiende eeuw komt de verstedelijking in West-Europa op gang, vooral in Vlaanderen en
Noord-Italië. In de veertiende eeuw waren Brugge en Gent na Parijs de grootste steden in Europa. De
economische basis van de stad waren handel en productie van goederen.
Kenmerkend voor de stad was het belang dat de stedelingen hechtten aan een eigen niet-feodaal
recht. Er ontstond een burgerlijke mentaliteit, die afweek van de riddermentaliteit. Een voorwaarde
voor handel was vrede. Om de vrede te behouden was de bereidheid tot het sluiten van
compromissen belangrijker dan vechtlust. Men streefde naar vergroting van de winsten en een deel
van de winst werd opnieuw geïnvesteerd.
In de middeleeuwen bestonden Nederland en België niet als onafhankelijke eenheidsstaten. De
Nederlanden of de Lage Landen bestonden uit een aantal gewesten, als Vlaanderen, Brabant,
Holland en Gelre. Zoals er geen nationale eenheid was, was er ook geen eenheidstaal. In ieder
gewest werd een eigen streekgebonden variant van het Middelnederlands gesproken.
Het gewest Holland werd in de middeleeuwen bestuurd door een graaf. In de twaalfde eeuw
breidden de graven van Holland hun macht uit door gebieden te veroveren en strategisch gelegen
nederzettingen stadsrechten te geven. Zo ontstonden steden als Delft, Dordrecht en Haarlem. In het
oosten van Nederland werden steden als Zutphen, Deventer en Kampen belangrijke handelscentra,
die zich in de veertiende eeuw aansloten bij de Hanze, een samenwerkingsverband van kooplieden in
steden. Tot deze Hanze behoorden ook vele steden in het noordwesten van Duitsland en rond de
Oostzee.
1.3 Standentheorie
In de elfde eeuw beschreef Adalbero een maatschappij verdeeld in drie groepen. Hij typeerde de
groepen naar hun functie in de maatschappij: bidden, strijden en werken. Bidden staat voor de
geestelijkheid, strijden voor adel en ridders, werken voor boeren en vissers. In deze standentheorie
ontbreekt de groep die steeds belangrijker zal worden, de burgerij in de steden.
1.5 Adel en ridders
Ridders vormden tot de veertiende eeuw de kern van de legers. Vanaf de achtste tot de elfde eeuw
kwam de feodale maatschappij tot ontwikkeling. De kern van de feodaliteit was een dienstrelatie die
vrije mannen hadden met hun adellijke heer. Als beloning voor de dienst ontvingen ze een
wapenuitrusting en inkomsten van hun leenheer. Dit was vaak een stuk land waarvan men van de
opbrengsten kon leven. De feodale maatschappij was in economische zin een agrarische
maatschappij. Men was afhankelijk van de opbrengsten van de landbouw. De relatie tussen adellijk
leenheer en vazal werd gekenmerkt door wederzijdse trouw en bescherming.
In de elfde en twaalfde eeuw werden territoriale vorstendommen steeds machtiger. Hertogen of
graven hadden twee middelen om hun gezag te handhaven: kastelen en ridders. De ridders vormden
een groep, de ridderschap. Feodaliteit en ridders horen bij elkaar. Het was een plicht van een
leenheer om de zonen van zijn vazallen naar de ridderopleiding te sturen.
De feodale adel en ridders leefden volgens de opvattingen van een eercultuur. Binnen een
eercultuur ligt de norm voor het individuele gedrag in het aanzien of de waardering dat men van
anderen ontvangt. Gedrag dat paste bij een hoge sociale status leverde eer op. Een echte ridder
mocht eer een aanzien nooit verliezen. Schaamte en schande als gevolg van eerverlies moest
vermeden worden.
1.6 Burgerij
Vanaf de tiende eeuw komt de verstedelijking in West-Europa op gang, vooral in Vlaanderen en
Noord-Italië. In de veertiende eeuw waren Brugge en Gent na Parijs de grootste steden in Europa. De
economische basis van de stad waren handel en productie van goederen.
Kenmerkend voor de stad was het belang dat de stedelingen hechtten aan een eigen niet-feodaal
recht. Er ontstond een burgerlijke mentaliteit, die afweek van de riddermentaliteit. Een voorwaarde
voor handel was vrede. Om de vrede te behouden was de bereidheid tot het sluiten van
compromissen belangrijker dan vechtlust. Men streefde naar vergroting van de winsten en een deel
van de winst werd opnieuw geïnvesteerd.