Mental Health Challanges II
Week 1: PTSS
Reading 1: DSM-5; Amerikaanse Vereniging voor Psychiatrie (2013)
Focus: Classificatie en diagnose, DSM-5 criteria
DSM-5 PTSS: Kern
PTSS kan worden vastgesteld bij volwassenen en kinderen >6 jaar na blootstelling
aan een traumatische gebeurtenis
Direct àBijv. oorlog, misbruik, ontvoering, wakker woorden tijdens een operatie, etc
Als getuige à Bijv. getuige zijn van een schietpartij, etc
Via een naaste à het horen over een trauma
Herhaalde werkgerelateerde blootstelling à Bijv. forensisch artsen, brandweer, etc
De stoornis wordt gekenmerkt door:
1. Intrusieve symptomen (≥1): zoals herbelevingen, nachtmerries, flashbacks of
sterke psychische/lichamelijke reacties op traumagerelateerde prikkels.
2. Vermijding (≥1): van herinneringen, gedachten, gevoelens, plaatsen,
activiteiten of externe prikkels die aan het trauma herinneren.
3. Negatieve veranderingen in cognities en stemming (≥2): zoals negatieve
overtuigingen, schuld/schaamte, emotionele vervlakking, vervreemding of
verminderde interesse.
4. Verhoogde arousal en reactiviteit (≥2): zoals prikkelbaarheid, hypervigilantie,
schrikreacties, concentratie- of slaapproblemen, woede-uitbarstingen,
roekeloos gedrag.
5. Symptomen houden langer dan 1 maand aan.
6. Gevolg is klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in functioneren
(werkverzuim, verstoorde familierelaties, lager inkomen, etc).
7. Kenmerken zijn niet toe te schrijven aan middelengebruik of een somatische
aandoening.
Specificaties
Met dissociatieve symptomen: Naast PTSS is sprake van aanhoudende of
terugkerende depersonalisatie (gevoel los te staan van zichzelf/lichaam) en/of
derealisatie (gevoel dat de omgeving onwerkelijk of vervormd is)
Met vertraagde expressie: Volledige PTSS-criteria worden pas ≥ 6 maanden na het
trauma vervuld, hoewel sommige symptomen eerder kunnen optreden.
DSM-5: PTSS bij kinderen van 6 jaar en jonger
PTSS ontstaat na blootstelling aan een traumatische gebeurtenis (zelf meegemaakt,
getuige geweest of gehoord dat het een ouder/verzorger is overkomen).
Kenmerkend zijn:
1. Intrusieve symptomen (≥1): herbelevingen, trauma-gerelateerd spel,
nachtmerries, flashbacks of sterke psychische/lichamelijke stress bij
herinneringen.
2. Vermijding of negatieve veranderingen in stemming/cognities (≥1): vermijden
van trauma-gerelateerde prikkels, toename van negatieve emoties,
verminderd spel of interesse, sociaal terugtrekgedrag en minder positieve
emoties.
3. Verhoogde arousal en reactiviteit (≥2): prikkelbaarheid of driftbuien,
hypervigilantie, schrikreacties, concentratie- en slaapproblemen.
, 4. Langer dan 1 maand.
5. Duidelijke beperkingen in functioneren (thuis, met leeftijdsgenoten, of op
school/opvang).
6. Niet verklaard door middelengebruik of een medische aandoening.
(Merk op dat negatieve veranderingen in cognitie en stemming geen vereiste is bij
kinderen jonger dan 6 jaar)
Specificaties zijn hetzelfde.
De klinische presentatie van PTSS is zeer heterogeen (verschilt per persoon).
Prevalentie
In de VS rond de 8,3%
In Europa veel lager, rond de 0,5-1,0%
- De prevalentie van PTSS is hoger bij groepen met een verhoogd risico op
traumatische blootstelling, zoals: veteranen, agenten, brandweer, etc
- De hoogste prevalenties (variërend van 1/3 tot meer dan ½ van de
blootgestelde) worden gevonden bij: overlevende van verkrachting, militairen
en slachtoffers van genocide
Wat beïnvloedt het beloop van PTSS / Risicofactoren
Trauma-gerelateerd
- Dose-response relatie: hoe meer traumatische gebeurtenissen iemand
ervaart, hoe groter het risico op PTSS
- Ernstigere trauma’s verhogen het risico
- Bij trauma’s met opzet neemt de prevalentie ook toe
Pretraumatische factoren: dit zijn factoren voor het trauma.
- Temperamentele factoren: aanwezigheid van andere psychische stoornissen,
eerdere traumatische ervaringen, gedragsproblemen
- Omgevingsfactoren: lage SES, armoede, gezinsproblematiek
- Genetische en fysiologische factoren: vrouwelijk geslacht (vrouwen hebben
vaker blootstelling aan interpersoonlijk geweld, denk aan seksueel geweld)
Peritraumatische factoren: dit zijn factoren tijdens et trauma
- Omgevingsfactoren: intensiteit van het trauma, lichamelijk letsel, ervaren
levensbedreiging, etc
Posttraumatische factoren: dit zijn factoren na het trauma
- Temperamentele factoren: vermijdende copingstrategieën, het trauma zien
als ‘jouw schuld’
- Omgevingsfactoren: herhaalde confrontatie met herinneringen, verlies,
financiële problemen, lage sociale steun, etc
Het risico op PTSS, de ernst/uiting van de klachten kunnen verschillen tussen
culturen.
Suïciderisico
Traumatische ervaringen, met name kindermishandeling, verhogen het suïciderisico
PTSS is sterk geassocieerd met: Suïcidale gedachten en Suïcidepogingen
,Stoornissen die overlappen met PTSS
1. Aanpassingsstoornis: wordt gediagnosticeerd wanneer:
- Of het is wel een reactie op een traumatische gebeurtenis (criterium A), maar
niet alle PTSS-criteria worden vervult
- Of symptomen ontstaan door een stressor die niet voldoet aan criterium A
(bijvoorbeeld echtscheiding, ontslag).
2. Acute stressstoornis: verschilt van PTSS door duur van symptomen.
ASD: symptomen ontstaan direct na het trauma, meestal binnen minuten tot uren, en
duren minimaal 3 dagen maar maximaal 1 maand.
3. Angststoornissen en obsessief-compulsieve stoornis (OCD): hoeft niet
gerelateerd te zijn aan een trauma
4. Major depressive disorder (MDD)
5. Persoonlijkheidsstoornissen: onafhankelijk van trauma
6. Dissociatieve stoornissen
7. Psychotische stoornissen
8. Traumatisch hersenletsel (TBI)
Comorbiditeit
Mensen met PTSS hebben 80% hogere kans op ten minste één andere psychische
stoornis (depressief, bipolair, angst, middelengebruik).
Reading 2: Lancaster, et al (2016)
Focus: evidence-based beoordeling en behandeling. Belicht interventies zoals CGT
en EMDR.
PTSS is het ontstaan van psychische en lichamelijke symptomen na blootstelling
aan één of meerdere traumatische gebeurtenissen.
Volgens de DSM-criteria moet het trauma bestaan uit:
- Werkelijke of dreigende dood,
- Ernstig lichamelijk letsel,
- Seksueel geweld.
Na het meemaken van een trauma verdwijnt bij ongeveer twee derde van de
mensen de symptomen met de tijd. PTSS wordt gekarakteriseerd door een afwijking
van dit normale hersteltraject, waarbij symptomen blijven bestaan of verergeren.
PTSS wordt gekenmerkt door vier clusters van symptomen: herbeleving, vermijding,
negatieve veranderingen in cognities en stemming (emotionele gevoelloosheid) en
veranderingen in arousal en reactiviteit
Beoordeling van PTSS
Doel van beoordeling
1. Vaststellen of iemand is blootgesteld aan een traumatische gebeurtenis
(criterium A)
2. Evalueren of de persoon voldoet aan de diagnostische criteria voor PTSS
3. Monitoren van de ernst en frequentie van symptomen tijdens de behandeling
Initiele screening: bedoeld om te kijken of iemand is blootgesteld aan een
traumatische gebeurtenis en of diegene risico loopt op PTSS
à wordt vaak gebruik gemaakt van vragenlijsten (snel en efficient)
, Diagnostiek: na initiële screening volgt een uitgebreid diagnostisch interview om de
PTSS-diagnose volgens DSM-5 vast te stellen.
à Clinician Administered PTSD Scale (CAPS) is een veelgebruikte interview
methode
Symptoomernst en behandelmonitoring: Nadat de diagnose PTSS is gesteld, is het
essentieel om frequentie en ernst van symptomen te meten. hiervoor moeten
patiënten regelmatig zelfrapportagevragenlijsten invullen.
à Dit helpt bij:
Het plannen van behandelingen
Het monitoren van voortgang
Het aanpassen van therapie indien nodig
PTSS is een stoornis met zowel biologische (lichamelijk) als psychologische
(mentaal) componenten. Dit betekent dat zowel psychosociale interventies (zoals
therapie) als farmacologische behandelingen effectief kunnen zijn.
à Psychosociale interventies
- Exposure-gebaseerde therapie
Gebaseerd op het behaviorisme: angst kan worden geconditioneerd, maar ook
afgeleerd door herhaalde blootstelling aan de gevreesde stimulus zonder negatieve
gevolgen.
Door herhaalde confrontatie met de traumatische herinnering of situaties die eraan
herinneren, vermindert de automatische angstrespons.
Bijv. Prolonged Exposure Therapy (PE)
De patiënt wordt stapsgewijs geconfronteerd met trauma-gerelateerde herinneringen
en situaties die vermeden werden, zowel in gedachten (imaginal exposure) als in de
praktijk (in vivo exposure), om angst te verminderen
- Cognitieve therapieën: deze richten zich op maladaptieve denkpatronen die
PTSS in stand houden.
Bijv. Cognitive processing therapy (CPT)
De patiënt leert negatieve denkpatronen te vervangen door realistischer en nuttiger
gedachten
à CPT is even effectief als PE in het reduceren van PTSS-symptomen
- Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR): is erop gericht om
onverwerkte traumatische herinneringen opnieuw te verwerken.
1. De patiënt leert eerst hoe hij/zij negatieve emoties kan kalmeren.
2. De patiënt maakt een lijst van belangrijke traumatische gebeurtenissen en
bijbehorende negatieve gedachten, plus gewenste positieve gedachten.
3. Tijdens de verwerking denkt de patiënt aan de traumatische herinnering terwijl
hij/zij de ogen volgt van de therapeut (links-rechts bewegingen).
4. Gedachten, beelden en gevoelens die opkomen, worden besproken en
herhaald.
5. Uiteindelijk oefent de patiënt het denken van de gewenste gezonde
overtuiging samen met het visualiseren van de trauma-herinnering.
à Oogbewegingen helpen om de emotionele lading te verminderen
- Relaxatiegebaseerde psychotherapie (Stress Inoculation Training (SIT)): SIT
is een therapievorm gericht op het verhogen van copingvaardigheden en het
versterken van het gevoel van controle over stress en angst.
Week 1: PTSS
Reading 1: DSM-5; Amerikaanse Vereniging voor Psychiatrie (2013)
Focus: Classificatie en diagnose, DSM-5 criteria
DSM-5 PTSS: Kern
PTSS kan worden vastgesteld bij volwassenen en kinderen >6 jaar na blootstelling
aan een traumatische gebeurtenis
Direct àBijv. oorlog, misbruik, ontvoering, wakker woorden tijdens een operatie, etc
Als getuige à Bijv. getuige zijn van een schietpartij, etc
Via een naaste à het horen over een trauma
Herhaalde werkgerelateerde blootstelling à Bijv. forensisch artsen, brandweer, etc
De stoornis wordt gekenmerkt door:
1. Intrusieve symptomen (≥1): zoals herbelevingen, nachtmerries, flashbacks of
sterke psychische/lichamelijke reacties op traumagerelateerde prikkels.
2. Vermijding (≥1): van herinneringen, gedachten, gevoelens, plaatsen,
activiteiten of externe prikkels die aan het trauma herinneren.
3. Negatieve veranderingen in cognities en stemming (≥2): zoals negatieve
overtuigingen, schuld/schaamte, emotionele vervlakking, vervreemding of
verminderde interesse.
4. Verhoogde arousal en reactiviteit (≥2): zoals prikkelbaarheid, hypervigilantie,
schrikreacties, concentratie- of slaapproblemen, woede-uitbarstingen,
roekeloos gedrag.
5. Symptomen houden langer dan 1 maand aan.
6. Gevolg is klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in functioneren
(werkverzuim, verstoorde familierelaties, lager inkomen, etc).
7. Kenmerken zijn niet toe te schrijven aan middelengebruik of een somatische
aandoening.
Specificaties
Met dissociatieve symptomen: Naast PTSS is sprake van aanhoudende of
terugkerende depersonalisatie (gevoel los te staan van zichzelf/lichaam) en/of
derealisatie (gevoel dat de omgeving onwerkelijk of vervormd is)
Met vertraagde expressie: Volledige PTSS-criteria worden pas ≥ 6 maanden na het
trauma vervuld, hoewel sommige symptomen eerder kunnen optreden.
DSM-5: PTSS bij kinderen van 6 jaar en jonger
PTSS ontstaat na blootstelling aan een traumatische gebeurtenis (zelf meegemaakt,
getuige geweest of gehoord dat het een ouder/verzorger is overkomen).
Kenmerkend zijn:
1. Intrusieve symptomen (≥1): herbelevingen, trauma-gerelateerd spel,
nachtmerries, flashbacks of sterke psychische/lichamelijke stress bij
herinneringen.
2. Vermijding of negatieve veranderingen in stemming/cognities (≥1): vermijden
van trauma-gerelateerde prikkels, toename van negatieve emoties,
verminderd spel of interesse, sociaal terugtrekgedrag en minder positieve
emoties.
3. Verhoogde arousal en reactiviteit (≥2): prikkelbaarheid of driftbuien,
hypervigilantie, schrikreacties, concentratie- en slaapproblemen.
, 4. Langer dan 1 maand.
5. Duidelijke beperkingen in functioneren (thuis, met leeftijdsgenoten, of op
school/opvang).
6. Niet verklaard door middelengebruik of een medische aandoening.
(Merk op dat negatieve veranderingen in cognitie en stemming geen vereiste is bij
kinderen jonger dan 6 jaar)
Specificaties zijn hetzelfde.
De klinische presentatie van PTSS is zeer heterogeen (verschilt per persoon).
Prevalentie
In de VS rond de 8,3%
In Europa veel lager, rond de 0,5-1,0%
- De prevalentie van PTSS is hoger bij groepen met een verhoogd risico op
traumatische blootstelling, zoals: veteranen, agenten, brandweer, etc
- De hoogste prevalenties (variërend van 1/3 tot meer dan ½ van de
blootgestelde) worden gevonden bij: overlevende van verkrachting, militairen
en slachtoffers van genocide
Wat beïnvloedt het beloop van PTSS / Risicofactoren
Trauma-gerelateerd
- Dose-response relatie: hoe meer traumatische gebeurtenissen iemand
ervaart, hoe groter het risico op PTSS
- Ernstigere trauma’s verhogen het risico
- Bij trauma’s met opzet neemt de prevalentie ook toe
Pretraumatische factoren: dit zijn factoren voor het trauma.
- Temperamentele factoren: aanwezigheid van andere psychische stoornissen,
eerdere traumatische ervaringen, gedragsproblemen
- Omgevingsfactoren: lage SES, armoede, gezinsproblematiek
- Genetische en fysiologische factoren: vrouwelijk geslacht (vrouwen hebben
vaker blootstelling aan interpersoonlijk geweld, denk aan seksueel geweld)
Peritraumatische factoren: dit zijn factoren tijdens et trauma
- Omgevingsfactoren: intensiteit van het trauma, lichamelijk letsel, ervaren
levensbedreiging, etc
Posttraumatische factoren: dit zijn factoren na het trauma
- Temperamentele factoren: vermijdende copingstrategieën, het trauma zien
als ‘jouw schuld’
- Omgevingsfactoren: herhaalde confrontatie met herinneringen, verlies,
financiële problemen, lage sociale steun, etc
Het risico op PTSS, de ernst/uiting van de klachten kunnen verschillen tussen
culturen.
Suïciderisico
Traumatische ervaringen, met name kindermishandeling, verhogen het suïciderisico
PTSS is sterk geassocieerd met: Suïcidale gedachten en Suïcidepogingen
,Stoornissen die overlappen met PTSS
1. Aanpassingsstoornis: wordt gediagnosticeerd wanneer:
- Of het is wel een reactie op een traumatische gebeurtenis (criterium A), maar
niet alle PTSS-criteria worden vervult
- Of symptomen ontstaan door een stressor die niet voldoet aan criterium A
(bijvoorbeeld echtscheiding, ontslag).
2. Acute stressstoornis: verschilt van PTSS door duur van symptomen.
ASD: symptomen ontstaan direct na het trauma, meestal binnen minuten tot uren, en
duren minimaal 3 dagen maar maximaal 1 maand.
3. Angststoornissen en obsessief-compulsieve stoornis (OCD): hoeft niet
gerelateerd te zijn aan een trauma
4. Major depressive disorder (MDD)
5. Persoonlijkheidsstoornissen: onafhankelijk van trauma
6. Dissociatieve stoornissen
7. Psychotische stoornissen
8. Traumatisch hersenletsel (TBI)
Comorbiditeit
Mensen met PTSS hebben 80% hogere kans op ten minste één andere psychische
stoornis (depressief, bipolair, angst, middelengebruik).
Reading 2: Lancaster, et al (2016)
Focus: evidence-based beoordeling en behandeling. Belicht interventies zoals CGT
en EMDR.
PTSS is het ontstaan van psychische en lichamelijke symptomen na blootstelling
aan één of meerdere traumatische gebeurtenissen.
Volgens de DSM-criteria moet het trauma bestaan uit:
- Werkelijke of dreigende dood,
- Ernstig lichamelijk letsel,
- Seksueel geweld.
Na het meemaken van een trauma verdwijnt bij ongeveer twee derde van de
mensen de symptomen met de tijd. PTSS wordt gekarakteriseerd door een afwijking
van dit normale hersteltraject, waarbij symptomen blijven bestaan of verergeren.
PTSS wordt gekenmerkt door vier clusters van symptomen: herbeleving, vermijding,
negatieve veranderingen in cognities en stemming (emotionele gevoelloosheid) en
veranderingen in arousal en reactiviteit
Beoordeling van PTSS
Doel van beoordeling
1. Vaststellen of iemand is blootgesteld aan een traumatische gebeurtenis
(criterium A)
2. Evalueren of de persoon voldoet aan de diagnostische criteria voor PTSS
3. Monitoren van de ernst en frequentie van symptomen tijdens de behandeling
Initiele screening: bedoeld om te kijken of iemand is blootgesteld aan een
traumatische gebeurtenis en of diegene risico loopt op PTSS
à wordt vaak gebruik gemaakt van vragenlijsten (snel en efficient)
, Diagnostiek: na initiële screening volgt een uitgebreid diagnostisch interview om de
PTSS-diagnose volgens DSM-5 vast te stellen.
à Clinician Administered PTSD Scale (CAPS) is een veelgebruikte interview
methode
Symptoomernst en behandelmonitoring: Nadat de diagnose PTSS is gesteld, is het
essentieel om frequentie en ernst van symptomen te meten. hiervoor moeten
patiënten regelmatig zelfrapportagevragenlijsten invullen.
à Dit helpt bij:
Het plannen van behandelingen
Het monitoren van voortgang
Het aanpassen van therapie indien nodig
PTSS is een stoornis met zowel biologische (lichamelijk) als psychologische
(mentaal) componenten. Dit betekent dat zowel psychosociale interventies (zoals
therapie) als farmacologische behandelingen effectief kunnen zijn.
à Psychosociale interventies
- Exposure-gebaseerde therapie
Gebaseerd op het behaviorisme: angst kan worden geconditioneerd, maar ook
afgeleerd door herhaalde blootstelling aan de gevreesde stimulus zonder negatieve
gevolgen.
Door herhaalde confrontatie met de traumatische herinnering of situaties die eraan
herinneren, vermindert de automatische angstrespons.
Bijv. Prolonged Exposure Therapy (PE)
De patiënt wordt stapsgewijs geconfronteerd met trauma-gerelateerde herinneringen
en situaties die vermeden werden, zowel in gedachten (imaginal exposure) als in de
praktijk (in vivo exposure), om angst te verminderen
- Cognitieve therapieën: deze richten zich op maladaptieve denkpatronen die
PTSS in stand houden.
Bijv. Cognitive processing therapy (CPT)
De patiënt leert negatieve denkpatronen te vervangen door realistischer en nuttiger
gedachten
à CPT is even effectief als PE in het reduceren van PTSS-symptomen
- Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR): is erop gericht om
onverwerkte traumatische herinneringen opnieuw te verwerken.
1. De patiënt leert eerst hoe hij/zij negatieve emoties kan kalmeren.
2. De patiënt maakt een lijst van belangrijke traumatische gebeurtenissen en
bijbehorende negatieve gedachten, plus gewenste positieve gedachten.
3. Tijdens de verwerking denkt de patiënt aan de traumatische herinnering terwijl
hij/zij de ogen volgt van de therapeut (links-rechts bewegingen).
4. Gedachten, beelden en gevoelens die opkomen, worden besproken en
herhaald.
5. Uiteindelijk oefent de patiënt het denken van de gewenste gezonde
overtuiging samen met het visualiseren van de trauma-herinnering.
à Oogbewegingen helpen om de emotionele lading te verminderen
- Relaxatiegebaseerde psychotherapie (Stress Inoculation Training (SIT)): SIT
is een therapievorm gericht op het verhogen van copingvaardigheden en het
versterken van het gevoel van controle over stress en angst.