Inhoud
11.3.4 levensduur van erytrocyten.......................................................................................................... 2
16.6.2 De Lever ........................................................................................................................................ 2
Anatomie van de lever............................................................................................................................. 2
Leverfuncties ........................................................................................................................................... 4
16.6.3 De galblaas.................................................................................................................................... 5
Biologie lesdoelen week 13 .............................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Woordenboek week 14: .......................................................................................................................... 5
Wk 14 Nieren (urineproductie) ............................................................................................................... 8
18.2 doorbloeding nieren ........................................................................................................................ 8
18.2.1 uitwendige anatomie.................................................................................................................... 9
18.2.2 bloedtoevoer ................................................................................................................................ 9
18.2.3 het nefron ................................................................................................................................... 10
Functies van het nefron ......................................................................................................................... 11
Het nierlichaampje ................................................................................................................................ 11
18.3 verschillende delen van het nefron vormen urine via filtratie, reabsortbie en excreatie ............. 13
18.3.1 de functies van het nefron ......................................................................................................... 13
Woordenboek week urinewegen .......................................................................................................... 15
18.5 Urine .............................................................................................................................................. 22
De ureters .............................................................................................................................................. 22
18.5.2 de urineblaas .............................................................................................................................. 22
18.5.3 de urethra ................................................................................................................................... 23
Het aansturen van de urinelozing ......................................................................................................... 23
Klinische aantekening incontinentie ...................................................................................................... 24
18.9 leeftijd gerelateerde veranderingen met effect op nierfunctie en urinelozing ............................ 24
18.10 het urnaire stelsel is een van de orgaanstelsel die een rol spelen bij de excretie van afvalstoffen
............................................................................................................................................................... 25
Aanwijzen op afbeelding week 17 leven & nier ............................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Woordenboek lever & nier week 17................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Lesdoelen week 15 ........................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
,Biologie lesdoelen
11.3.4 levensduur van erytrocyten
De reis van een erytrocyt vanaf het hart door
de perifere (aan de buitenzijde of ver van het
centrum van het lichaam) en weer terug naar
het hart kost meestal minder dan 1 minuut.
Erytrocyten worden vaak aan zware fysische
belasting blootgesteld, in deze tijd wordt de
erytrocyt door vaten gestuwd; daar botst de
cel tegen de wanden en tegen andere
erytrocyten aan en wordt de erytrocyt door
kleine capillairen (kleinste bloedvaten in ons
lichaam) geperst. Door deze mechanische
belasting en het ontbreken van
herstelmechanismen is de levensduur van
een erytrocyt slechts 120 dagen.
Fagocyten (witte bloedcellen) van de milt,
lever of het rode beenmerg detecteren de
beschadiging en nemen de erytrocyt op door
fagocytose (een proces waarbij spceiale cellen lichaamsvreemde deeltjes zoals bacteriën, virussen,
parasieten of dode celresten “opeten”).
Het afsterven van de erytrocyten wordt meestal niet opgemerkt, doordat er met dezelfde
snelheid nieuwe cellen in het bloed terechtkomen. Dagelijks wordt 1% van de erytrocyten in
het bloed vervangen en per seconde komen er 3 miljoen nieuwe erytrocyten de
bloedsomloop binnen.
16.6.2 De Lever
De stevige, roodbruine lever ookwel ; hepar is het grootste inwendige orgaan. Een veelzijdig
orgaan en het centrum van de regulering van de stofwisseling in het lichaam. De lever weeg
1,5 kg en is 2,5% van het totale lichaamsgewicht. Het grootste deel van de lever ligt
rechtsboven in de buikholte boven de maag (rechter hypochondrisch en epigastrisch
gebied)
Anatomie van de lever
De lever is omgeven door een taai, vezelig kapsel en is door een laag van het viscerale peritoneum
(het deel van het buikvies dat de inwendige organen (viscera) in de buikholte, zoals de maag, lever en
darmen omhult en bedekt) bedekt. De lever is in vier
ongelijke kwabben verdeeld: de grote rechter en
linkerkwab en de kleinere lobus caudutus (staartkwab)aan
de achterbovenkant van de lever, tussen de linker en
rechterkwab die een unieke bloed en drainagevoorziening
heeft en een belangrijk onderdeel vormt van de
functionele inderling van de leveren lobus quadratus
(vierkante kwab) een van de vier traditionele kwabben van
, de lever aan de onderkant van de rechterkwab tussen de galblaas en de navelstrengband. Op de
ventrale zijde (buikzijde / voorkant) markeert het sikkelvormige ligamentum falciforme hepatis de
grens tussen de linker en de rechterkwab. De verdikste achterste grens van dit ligament is het ronde
ligamentum teres hepatis, een bindweefselachtig overblijfsel van de navelstrengader van de foetus.
(soort van de scheiding lijn van de lever)
De galblaas bevindt zich in een uitsparing onder de rechterkwab van de lever. De galblaas is een
gespierde buidel, waarin gal wordt opgeslagen en geconcentreerd voordat deze aan de dunne darm
wordt afgegeven.
Een derde van de bloedtoevoer naar de lever komt voor rekening van de a. hepatica propria (de
eigen leverslagader, welke zuurstofrijk bloed levert aan de lever) (een tak van de arteria hepatica
communis de gemeenschappelijke levensslagader zuurstofrijk.). De rest is veneus bloed (zuurstofarm
bloed) afkomstig uit de v. portae (vena portae ~leverpoortader) waar het bloed samenkomt van de
capillairen van de oesophagus (slokdarm) , maag, dunne darm en het grootste deel van de dikke
darm. Levercellen, deze noem je hepatocyten (de belangrijkse functionele cellen in de lever), passen
de concentraties nutriënten (eiwitten, khoolydraten,
vetten etc.) in het bloed aan door selectieve opname en
afgifte. Het bloed dat de lever verlaat keert naar de grote
circulatie terug via de vv. hepaticae (leverader).
De kwabben van de lever zijn door bindweefsel in
ongeveer 100.000 leverlobjes verdeeld, de essentiele
functionele eenheden van de lever. Elk lobje heeft een
diameter van 1mm.
De hepatocyten in een lobje vormen een reeks onregelmatig gevormde plaatjes, zoals de spaken van
een wiel. De ‘plaatjes’ zijn slechts een cellaag dik. Waar de hepatocyten aan de oppervlakte liggen,
zijn ze bedekt met microvilli (minuscule uitstulpingen). Binnen een lobje vormen gespecialiseerde en
sterk doorlaatbare haarvaten, zogenoemde sinusoïden (bloed gevulde ruites ~capillairen) , doorgang
tussen de aangrenzende platen die in de centrale
vene (grote ader dicht bij het hart zoals halsader)
uitmonden. Sinusoïden laten de vrije uitwisseling
van water en opgeloste stoffen zo groot als
plasma-eiwitten toe tussen het bloed en de
interstitiele vloeistof (ruimte tussen cellen en
bloedvaten, essentieel voor transport van
voeding-afval -stoffen tussen bloed en cellen).
De bekleding van de sinusoïden bestaat onder meer uit stervormige macrofagen of Kupfercellen
(gespecialiseerde macrofagen ~immuuncellen). Deze cellen maken deel uit van het
monocytmacrofagensysteem. Ze fagocyteren (opruimen) ziekteverwekkers, celresten en beschadigde
bloedcellen.
Bloed komt de bloedruimten binnen via takken van de leverpoortader (v. portae) en de a. hepatica
propria (zuurstofrijkbloed naar lever). Deze twee takken, plus een kleine vertakking van de galbui
vormen een portaal gebied of portale triade bij elk van de zes hoekjes van een leverlobje. Terwijl
bloed door de bloedruimten stroomt, nemen de levercellen opgeloste stoffen uit het bloedplasma op
en geven stoffen zoals plasma-eiwitten aan het bloed af. Daarna stroomt het bloed vanuit de
bloedruimten naar de ccentrale vene van het lobje. Uiteindelijk verenigen de centrale venen zich tot
11.3.4 levensduur van erytrocyten.......................................................................................................... 2
16.6.2 De Lever ........................................................................................................................................ 2
Anatomie van de lever............................................................................................................................. 2
Leverfuncties ........................................................................................................................................... 4
16.6.3 De galblaas.................................................................................................................................... 5
Biologie lesdoelen week 13 .............................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Woordenboek week 14: .......................................................................................................................... 5
Wk 14 Nieren (urineproductie) ............................................................................................................... 8
18.2 doorbloeding nieren ........................................................................................................................ 8
18.2.1 uitwendige anatomie.................................................................................................................... 9
18.2.2 bloedtoevoer ................................................................................................................................ 9
18.2.3 het nefron ................................................................................................................................... 10
Functies van het nefron ......................................................................................................................... 11
Het nierlichaampje ................................................................................................................................ 11
18.3 verschillende delen van het nefron vormen urine via filtratie, reabsortbie en excreatie ............. 13
18.3.1 de functies van het nefron ......................................................................................................... 13
Woordenboek week urinewegen .......................................................................................................... 15
18.5 Urine .............................................................................................................................................. 22
De ureters .............................................................................................................................................. 22
18.5.2 de urineblaas .............................................................................................................................. 22
18.5.3 de urethra ................................................................................................................................... 23
Het aansturen van de urinelozing ......................................................................................................... 23
Klinische aantekening incontinentie ...................................................................................................... 24
18.9 leeftijd gerelateerde veranderingen met effect op nierfunctie en urinelozing ............................ 24
18.10 het urnaire stelsel is een van de orgaanstelsel die een rol spelen bij de excretie van afvalstoffen
............................................................................................................................................................... 25
Aanwijzen op afbeelding week 17 leven & nier ............................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Woordenboek lever & nier week 17................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Lesdoelen week 15 ........................................................................... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
,Biologie lesdoelen
11.3.4 levensduur van erytrocyten
De reis van een erytrocyt vanaf het hart door
de perifere (aan de buitenzijde of ver van het
centrum van het lichaam) en weer terug naar
het hart kost meestal minder dan 1 minuut.
Erytrocyten worden vaak aan zware fysische
belasting blootgesteld, in deze tijd wordt de
erytrocyt door vaten gestuwd; daar botst de
cel tegen de wanden en tegen andere
erytrocyten aan en wordt de erytrocyt door
kleine capillairen (kleinste bloedvaten in ons
lichaam) geperst. Door deze mechanische
belasting en het ontbreken van
herstelmechanismen is de levensduur van
een erytrocyt slechts 120 dagen.
Fagocyten (witte bloedcellen) van de milt,
lever of het rode beenmerg detecteren de
beschadiging en nemen de erytrocyt op door
fagocytose (een proces waarbij spceiale cellen lichaamsvreemde deeltjes zoals bacteriën, virussen,
parasieten of dode celresten “opeten”).
Het afsterven van de erytrocyten wordt meestal niet opgemerkt, doordat er met dezelfde
snelheid nieuwe cellen in het bloed terechtkomen. Dagelijks wordt 1% van de erytrocyten in
het bloed vervangen en per seconde komen er 3 miljoen nieuwe erytrocyten de
bloedsomloop binnen.
16.6.2 De Lever
De stevige, roodbruine lever ookwel ; hepar is het grootste inwendige orgaan. Een veelzijdig
orgaan en het centrum van de regulering van de stofwisseling in het lichaam. De lever weeg
1,5 kg en is 2,5% van het totale lichaamsgewicht. Het grootste deel van de lever ligt
rechtsboven in de buikholte boven de maag (rechter hypochondrisch en epigastrisch
gebied)
Anatomie van de lever
De lever is omgeven door een taai, vezelig kapsel en is door een laag van het viscerale peritoneum
(het deel van het buikvies dat de inwendige organen (viscera) in de buikholte, zoals de maag, lever en
darmen omhult en bedekt) bedekt. De lever is in vier
ongelijke kwabben verdeeld: de grote rechter en
linkerkwab en de kleinere lobus caudutus (staartkwab)aan
de achterbovenkant van de lever, tussen de linker en
rechterkwab die een unieke bloed en drainagevoorziening
heeft en een belangrijk onderdeel vormt van de
functionele inderling van de leveren lobus quadratus
(vierkante kwab) een van de vier traditionele kwabben van
, de lever aan de onderkant van de rechterkwab tussen de galblaas en de navelstrengband. Op de
ventrale zijde (buikzijde / voorkant) markeert het sikkelvormige ligamentum falciforme hepatis de
grens tussen de linker en de rechterkwab. De verdikste achterste grens van dit ligament is het ronde
ligamentum teres hepatis, een bindweefselachtig overblijfsel van de navelstrengader van de foetus.
(soort van de scheiding lijn van de lever)
De galblaas bevindt zich in een uitsparing onder de rechterkwab van de lever. De galblaas is een
gespierde buidel, waarin gal wordt opgeslagen en geconcentreerd voordat deze aan de dunne darm
wordt afgegeven.
Een derde van de bloedtoevoer naar de lever komt voor rekening van de a. hepatica propria (de
eigen leverslagader, welke zuurstofrijk bloed levert aan de lever) (een tak van de arteria hepatica
communis de gemeenschappelijke levensslagader zuurstofrijk.). De rest is veneus bloed (zuurstofarm
bloed) afkomstig uit de v. portae (vena portae ~leverpoortader) waar het bloed samenkomt van de
capillairen van de oesophagus (slokdarm) , maag, dunne darm en het grootste deel van de dikke
darm. Levercellen, deze noem je hepatocyten (de belangrijkse functionele cellen in de lever), passen
de concentraties nutriënten (eiwitten, khoolydraten,
vetten etc.) in het bloed aan door selectieve opname en
afgifte. Het bloed dat de lever verlaat keert naar de grote
circulatie terug via de vv. hepaticae (leverader).
De kwabben van de lever zijn door bindweefsel in
ongeveer 100.000 leverlobjes verdeeld, de essentiele
functionele eenheden van de lever. Elk lobje heeft een
diameter van 1mm.
De hepatocyten in een lobje vormen een reeks onregelmatig gevormde plaatjes, zoals de spaken van
een wiel. De ‘plaatjes’ zijn slechts een cellaag dik. Waar de hepatocyten aan de oppervlakte liggen,
zijn ze bedekt met microvilli (minuscule uitstulpingen). Binnen een lobje vormen gespecialiseerde en
sterk doorlaatbare haarvaten, zogenoemde sinusoïden (bloed gevulde ruites ~capillairen) , doorgang
tussen de aangrenzende platen die in de centrale
vene (grote ader dicht bij het hart zoals halsader)
uitmonden. Sinusoïden laten de vrije uitwisseling
van water en opgeloste stoffen zo groot als
plasma-eiwitten toe tussen het bloed en de
interstitiele vloeistof (ruimte tussen cellen en
bloedvaten, essentieel voor transport van
voeding-afval -stoffen tussen bloed en cellen).
De bekleding van de sinusoïden bestaat onder meer uit stervormige macrofagen of Kupfercellen
(gespecialiseerde macrofagen ~immuuncellen). Deze cellen maken deel uit van het
monocytmacrofagensysteem. Ze fagocyteren (opruimen) ziekteverwekkers, celresten en beschadigde
bloedcellen.
Bloed komt de bloedruimten binnen via takken van de leverpoortader (v. portae) en de a. hepatica
propria (zuurstofrijkbloed naar lever). Deze twee takken, plus een kleine vertakking van de galbui
vormen een portaal gebied of portale triade bij elk van de zes hoekjes van een leverlobje. Terwijl
bloed door de bloedruimten stroomt, nemen de levercellen opgeloste stoffen uit het bloedplasma op
en geven stoffen zoals plasma-eiwitten aan het bloed af. Daarna stroomt het bloed vanuit de
bloedruimten naar de ccentrale vene van het lobje. Uiteindelijk verenigen de centrale venen zich tot