Hoorcollege 1 – De bijzondere positie van jeugdigen in het strafrecht............................................................2
Verdiepingscollege 1...................................................................................................................................... 8
Hoorcollege 2 – Politie, Halt, en OM-afdoening............................................................................................11
Rechtspraak................................................................................................................................................. 20
Casuscollege 1............................................................................................................................................. 22
Hoorcollege 3 – Voorlopige hechtenis van jeugdige verdachten....................................................................30
Verdiepingscollege 2.................................................................................................................................... 40
Hoorcollege 4 – De Jeugdstrafzitting............................................................................................................. 45
Rechtspraak................................................................................................................................................. 54
Casuscollege 2............................................................................................................................................. 56
Hoorcollege 5 – Jeugdstraffen en -maatregelen............................................................................................ 63
Verdiepingscollege 3.................................................................................................................................... 72
Gastcollege – Minderjarige slachtoffers en getuigen in het strafproces.........................................................75
Casuscollege 3............................................................................................................................................. 79
Hoorcollege 7 – Strafrecht ter bescherming van minderjarigen tegen schadelijke praktijken.........................87
Rechtspraak................................................................................................................................................. 96
1
,Hoorcollege 1 – De bijzondere positie van jeugdigen in
het strafrecht
Bijzondere positie jeugdige in strafrecht: een introductie
Bijzondere positie van jeugd in strafrecht
Vier richtingen (‘kindbeelden’)
1. Paternalisme:
Kinderen kunnen nog niet worden gezien als volwaardige burgers: zij
zijn nog niet in staat om goede beslissingen te nemen. Zij dienen
daardoor beschermd te worden
2. Liberalisme:
Kinderen zijn volwaardige burgers: competent om beslissingen te
nemen; zij moeten gelijke rechten met volwassenen krijgen en een
stem krijgen in de maatschappij
3. Welfare
4. Emancipatie:
Kinderen zijn volwaardige burgers, maar zijn nog in ontwikkeling. Zij
hebben extra ondersteuning nodig
Participatie belangrijk, maar zij moeten wel voorzieningen krijgen
Bijzondere rechten nodig
Kindbeelden
In Nederland gaan we van een paternalistisch kindbeeld naar een emancipatoire.
In dit model zijn kinderen volwaardige mensen, die nog wel in ontwikkeling zijn.
Het uitgangspunt is gelijke rechten, maar tegelijkertijd ook bijzondere rechten. In
beginsel zijn alle beginselen uit het adolescentenstrafrecht van toepassing, tenzij
in het jeugdrecht beginselen van toepassing zijn.
Visie op jeugdstrafrecht
Twee modellen:
1. Welfare model
Kindbeeld: kinderen zijn object van bescherming (paternalism/welfare)
Beschermings-/heropvoedingsdoelstelling van het JSR
Grondslag/maatstaf interventie: behoeften van de jeugdige (needs)
Veel discretionaire ruimte besluitvormers/, maar weinig
rechtswaarborgen
Weinig ruimte voor eigen inbreng/participatie van jeugdigen
2
, Minimumleeftijd JSR: heel laag of heel hoog (afhankelijk van ‘label’
systeem)
2. Justice Model
Kindbeeld: subject van rechten + drager van verantwoordelijkheid
(emancipation/liberation)
Traditionele strafdoelen JSR: vergelding, generale en speciale preventie
Grondslag/maatstaf interventie: schuld aan een strafbaar feit + ernst
daarvan (deeds)
Recht op eerlijk proces: kinderen hebben rechtswaarborgen
Participatie van jeugdige in strafproces
Minimumleeftijd JSR: toerekenbaarheid leidend
Belangrijk is de schuld en de ernst van de daad bij het justice model in
tegenstelling tot de needs uit het welfare model.
- Mensen noemen het welfare model vaak te soft, maar dat hoeft niet zo te
zijn: het kan namelijk zo zijn dat je bij een licht feit alsnog een intense
interventie kan krijgen, omdat het kind dat nodig zou hebben. Daarnaast
ben je afhankelijk van de inschattingen van anderen.
- Bij het justice model heb je de kans dat het te streng is en te veel op het
volwassenenstrafrecht is gericht.
In Nederland kennen we een combinatie van beide modellen. Dit blijkt ook uit de
minimumwaarborgen uit het IVRK.
Bescherming minderjarige slachtoffers
Dilemma’s:
Grenzen van het strafrecht: proactief preventief optreden? Hoe ver mag je
gaan? Wanneer wordt het uitlokken?
Kindbeeld slachtoffer.: bescherming versus autonomie + rol strafrecht?
Hoe kijken we tegen kinderen aan bij enerzijds bescherming en anderzijds
autonomie die kinderen nodig hebben tijdens hun ontwikkeling?
o Denk aan grooming, sexting etc.
‘Child-on-child crime’: conflicterende kindbeelden + rol strafrecht? Wat doe
je als zowel slachtoffer als dader kinderen zijn?
Grondslagen van jeugdstafrecht
Jeugdstrafrecht is schuldstrafrecht voor minderjarigen: de grondslag is schuld aan
een strafbaar feit. Kun je niet wettig en overtuigend bewijzen, dan kun je de zaak
niet rond krijgen. In Nederland heeft het jeugdstrafrecht daarnaast een sterk
pedagogisch karakter.
Accenten liggen wel anders dan bij volwassenen:
Generale preventie
Voorkomen recidive
Vergelding
Re-integratie
Commissie Overwater 1951
“Geen kind zal schuldig verklaard kunnen worden ter zake van een strafbaar feit,
tenzij zijn schuld bewezen is. Het begrip “schuld” zal ten aanzien van een kind
bepaald moeten naar verhoudingen, die zich aanpassen bij hetgeen van een kind
van normale ontwikkeling naar zijn leeftijd zal mogen worden verwacht. De
grootste fout, die men bij de beoordeling van handelingen van een kind kan
3
,maken en die nog herhaaldelijk gemaakt wordt, is dat men aan het kind de
maatstaf van een volwassene aanlegt en dat men hem als volwassene wil zien
reageren.”
“Het principieel handhaven van het schuldbeginsel in kinderstrafzaken brengt
mede, dat de verschillende doeleinden, die in de straf verwezenlijking behoren te
vinden, de vergelding, de algemene en speciale preventie, ook bij de berechting
van strafrechtelijk minderjarigen gelden, echter steeds aangepast aan de
bijzondere verhoudingen (…) Dat het samenstel van straffen en maatregelen
voor strafrechtelijk minderjarigen overwegend behoort te zijn ingesteld op de
persoonlijkheid van deze daders en dus sterk paedagogisch georiënteerd moet
zijn, zal niemand willen betwisten. Daarom zullen vergelding, algemene en
speciale preventie nimmer zo ver doorgevoerd mogen worden in de op te leggen
straf, dat de minderjarige er door wordt geschaad. Dit is een essentieel verschil
met de bestraffing van volwassenen.”
Commissie Anneveldt 1982
➢ Onderschrijft het standpunt van Overwater (1951) “In het algemeen [zal] de
speciale preventie voorop moeten staan, d.w.z. het oogmerk om bij die bepaalde
jeugdige, die terechtstaat, voor de toekomst een gedragsverandering ten goede
te bewerkstelligen.”
MvT Wet ASR (2012): “In zijn doelen en in zijn uitwerking is het jeugdstrafrecht
speciaal preventief.” (…) “vergelding geen doel op zichzelf”
Internationale kinderrechten
Kernbepalingen IVRK:
1. Art. 37 IVRK
a. Geen doodstraf, lijfstraffen of levenslange gevangenisstraf
b. Vrijheidsbeneming als uiterste maatregel en voor de kortst
mogelijke (passende) duur
c. Minderjarigen in detentie scheiden van volwassenen; recht op
onderwijs en contact met ouders
d. Recht op habeas corpus (…) en rechtsbijstand
2. Art. 40 IVRK:
Re-integratie als belangrijkste doelstelling JSR
Recht op eerlijk proces
Apart jeugdstrafrechtssysteem
a. Minimumleeftijd
b. Diversion stimuleren
3. Welzijn + proportionaliteit vereisen jeugdspecifieke instanties en
interventies
Groeiende kennis (hersen)wetenschap
Uit onderzoek blijkt dat de cognitieve en intellectuele vermogens van 15-jarigen
nog onderontwikkeld zijn. Van 16-17-jarigen is het cognitieve en intellectuele
vermogen niet op een lager niveau dan dat van volwassenen, maar de
psychosociale vaardigheden zijn dat wel. Dit uit zich in de volgende gebieden:
• Beïnvloedbaarheid (peer pressure)
• Korte termijn denken
• Risico’s opzoeken
• Impulsiviteit
4
,Jongeren zijn extra ontvankelijk voor bijvoorbeeld groepsdruk. Het puberbrein
kan de gevolgen voor de lange termijn niet goed overzien en is bovendien erg
impulsief. Als een jeugdige verdachte wordt verhoord, dan kunnen jongeren ook
extra gevoelig zijn voor autoriteit (externe impulsen). Als een politieagent in de
verhoorkamer aandringt op bekennen zodat de jongere naar huis kan, dan is de
jongere snel geneigd om dan maar toe te geven. Het is dus belangrijk om de
jongere hiertegen te beschermen.
Leeftijdsgrenzen in het jeugdstrafrecht
Leeftijdsgrenzen Sv
Ondergrens: vanaf 12 jaar; art. 486 Sv
Bovengrens: tot 18 jaar; art. 488 lid 2 Sv
Leeftijd ten tijde van delict cruciaal
o Dit kan betekenen dat een volwassene wordt berecht in een
kinderstrafzaak (Zie: ECLI:NL:RBGEL:2014:375).
o Uitz.: bepalingen over ouders (art. 488 lid 3 Sv) +
verschijningsplicht verdachte (art. 495a lid 4 Sv)
Art. 488-509 Sv; ‘lex specialis’
Leeftijdsgrenzen Sr
Het jeugdsanctierecht heeft een wettelijke basis in art. 77e e.v. Sr. De
bovengrens is in beginsel tot 18 jaar (art. 77a Sr), hoewel de grens flexibel is.
Zo kunnen 16- en 17-jarigen ook commune sancties opgelegd krijgen (art. 77b
Sr) en kunnen 18- tot 23-jarigen tot het jeugdstrafrecht worden berecht (art.
77c Sr). De leeftijd ten tijde van het plegen van het delict is hierbij cruciaal.
➢Vb. 30-jarige veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie (Zie:
ECLI:NL:RBGEL:2014:375).
De maximale jeugddetentie is voor 12- t/m 15-jarigen 12 maanden en voor 16-
en 17-jarigen (en ouder) 24 maanden (art. 77i Sr). Levenslang is uitgesloten: je
kan dus wel 30 jaar krijgen als je als minderjarige volgens het
volwassenenstrafrecht wordt berecht. Levenslange TBS is wel mogelijk.
Leeftijdsgrenzen: 12-minners
Uit art. 486 Sv volgt dat 12-minners niet vervolgd kunnen worden. Er zijn een
aantal dwangmiddelen die kunnen worden toegepast bij een verdachte onder de
12 jaar, zoals staande houden, aanhouden, betreden van de woning, onderzoek
aan/in het lichaam en kleding (dna afnemen valt hier niet onder), ophouden voor
onderzoek voor de duur van 6 uur, inbeslagname etc (art. 487 Sv). Zij hebben
echter niet alle procesrechten die je als 12-plusser wel hebt, zoals rechtsbijstand.
Verder kunnen aan hen geen jeugdsancties worden opgelegd (art. 77a Sr). De
route loopt dan eigenlijk via de RvdK en niet via het jeugdstrafrecht.
Historische ontwikkeling minimumleeftijd NL
• Code Pénal (1810-1886): geen minimumleeftijd strafrecht
Ø Jeugd (0-16) die met ‘oordeel des onderscheids’ strafbaar feit
pleegden strafbaar
• Wetboek van Strafrecht (1886-1905): minimumleeftijd 10 jaar
Ø Jeugd (10-16) die met ‘oordeel des onderscheids’ strafbaar feit
pleegden strafbaar
• Kinderwetten (1905): minimumleeftijd losgelaten
Ø Jeugd (0-18): ‘schuld’ vereist maar sociaal-pedagogisch belang
voorop in JSR
5
, • Wetswijziging (1965): minimumleeftijd 12 jaar
Ø Commissie Overwater (1951): schuldbeginsel → jonge kinderen
categorisch uitsluiten van strafvervolging
IVRK en minimumleeftijd JSR
Ø Artikel 40 lid 3(a) IVRK
General Comment No. 10 (2007 - 2019):
Ø 12 jaar de ondergrens
General Comment No. 24 (2019 - heden):
Ø 14 jaar internationaal gemiddelde
Ø Nieuwe kennis ontwikkelingspsychologie en hersenwetenschap
Ø 14 jaar de ondergrens; hogere leeftijd van 15 of 16 jaar aangemoedigd
Ø Effectiviteit leeftijdsgrens hangt af van hoe wordt omgegaan met kinderen
boven en onder minimumleeftijd
Internationale ontwikkelingen
Zweden:
Leeftijdsgrens terugbrengen naar 13
Argument: Jongeren gerekruteerd voor georganiseerde misdaad,
doordat ze toch niet vervolgd kunnen worden
Chili
Leeftijdsgrens terugbrengen
Argument: Jongeren gerekruteerd voor georganiseerde misdaad,
doordat ze toch niet vervolgd kunnen worden
Fundamentele thema’s in het jeugdstrafrecht
1. Grondslagen: pedagogisch karakter onder druk?
§ Zorgen om verharding JC
§ Problemen in jeugdhulp en JJI’s
§ Roep om harder straffen: vergelding
Jeugdstrafrecht:
Ø Taakstrafverbod + omzetting PIJ-tbs (2014)
Ø Verhoging jeugddetentieduur?
Welke koers slaan we in?
Ø Strafmaat en -doelen
Ø Minimumleeftijd
Ø Vrijheidsbeneming
2. Gelijkheid
Ongelijkheid in jeugdstrafrechtsketen:
• ‘Verdenkingskans’ (Bezemer & Leerkes, 2021) één meer
politieregistratie dan ander
• Vaker jongens dan meisjes, zelfde strafbare feit
• Jongens vwo en vmbo, zelfde strafbare feit
• Platteland en stad, zelfde strafbare feit
• Migratieachtergrond, zelfde strafbare feit
• Halt-afdoening (Boon et al., 2018)
• Vervolgingsbeslissing (Weenink, 2009)
• Voorlopige hechtenis (Van den Brink et al., 2017)
6
, • Straftoemeting (Wermink et al., 2015)
Ø Ongelijkheden: migratieachtergrond, gender, LVB, sociaal-economisch
Ø Wat zijn onderliggende mechanismen?
Ø Hoe kunnen ongelijkheden worden aangepakt?
3. Effectiviteit
• Doelen JSR ingrijpen:
• Voorkomen van recidive
• Positieve ontwikkeling + re-integratie jeugdige
• Bereiken wij wat we beogen?; Werkt het?
• Weten we niet/nauwelijks!
• Vgl. bijvoorbeeld medische discipline
• Ingrijpende interventies moeten bewezen effectief zijn
• Randomized controlled trials (RCT’s)
• Gebrek aan kennis → risico’s
Samenvattend
• Kindbeelden en visies op (jeugd)strafrecht
• Grondslagen jeugdstrafrecht
• Leeftijdsgrenzen
• Fundamentele thema’s
7
,Verdiepingscollege 1
Stelling 1: Er moet meer ruimte komen voor vergelding als strafdoel in
het Nederlandse jeugdstrafrecht: de jeugddetentiestraf voor jeugdigen
die ernstige geweldsfeiten plegen, moet omhoog.
Achtergrondinformatie
Er moet meer ruimte komen voor vergelding als strafdoel in het Nederlandse
jeugdstrafrecht, wat betekent dat de maximale duur van de jeugddetentie voor
jeugdigen die ernstige geweldsfeiten plegen zou moeten worden verhoogd. Het
jeugdstrafrecht wordt traditioneel gekenmerkt als schuldstrafrecht: iemand kan
pas worden gestraft wanneer hem of haar een persoonlijk verwijt kan worden
gemaakt van een strafbaar feit. Binnen dit kader kent het jeugdstrafrecht
meerdere doelen, waaronder resocialisatie en re-integratie, preventie,
vergelding, het voorkomen van recidive en genoegdoening van slachtoffers.
Tegelijkertijd heeft het jeugdstrafrecht een sterk pedagogisch karakter, waarbij
het belang van de minderjarige steeds de eerste overweging moet zijn. Dit komt
onder meer tot uiting in het besloten karakter van zittingen. De maximale
jeugddetentie bedraagt op grond van art. 77i Sr één jaar voor 12- tot 15-jarigen
en twee jaar voor 16- en 17-jarigen. Voor deze laatste groep bestaat bovendien
de mogelijkheid om op grond van art. 77b Sr volwassenensancties toe te
passen.
Voorargumenten
Voorstanders van verhoging wijzen erop dat uit onderzoek uit 2022 blijkt dat een
meerderheid van de officieren van justitie behoefte heeft aan een hogere
maximale jeugddetentie. Daarnaast wordt betoogd dat de huidige straffen uit
balans zijn. Vanuit het schuldstrafrecht moeten straffen proportioneel zijn aan de
ernst van het feit en de mate van schuld. Er bestaat echter een aanzienlijke
disbalans tussen 17-jarigen en 18-jarigen, terwijl het verschil in ontwikkeling
beperkt kan zijn. Om het jeugdstrafrecht en het commune strafrecht beter op
elkaar aan te laten sluiten, zou verhoging van de maximale jeugddetentie kunnen
bijdragen aan een evenwichtiger sanctiestelsel. Daarbij moet wel worden
aangetekend dat jeugdigen bij ernstige problematiek ook een PIJ-maatregel
opgelegd kunnen krijgen, die bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd kan
worden omgezet in TBS en in beginsel langdurig kan voortduren. Verder wordt
betoogd dat toepassing van art. 77b Sr onwenselijk is in het licht van het IVRK,
omdat het jeugdstrafrecht bedoeld is voor personen onder de 18 jaar en strikt
gescheiden zou moeten blijven van het volwassenenstrafrecht. Door de
maximale duur van jeugddetentie te verhogen, krijgt de rechter meer ruimte
binnen het jeugdstrafrecht zelf. Tot slot wordt aangevoerd dat verhoging van het
strafmaximum kan bijdragen aan de genoegdoening van slachtoffers, al verschilt
per slachtoffer wat als daadwerkelijke genoegdoening wordt ervaren.
Tegenargumenten
Tegenstanders benadrukken daarentegen dat uit hetzelfde onderzoek uit 2022
blijkt dat een meerderheid van de rechters geen behoefte heeft aan verhoging
van de jeugddetentie. Bovendien groeit het wetenschappelijke bewijs dat de
hersenontwikkeling van jeugdigen nog onvoltooid is, waardoor zij beperkt
toerekeningsvatbaar zijn en minder ruimte bestaat voor vergelding als strafdoel.
Diverse commissies hebben onderstreept dat vergelding weliswaar een rol mag
spelen, maar nooit zo ver mag worden doorgevoerd dat zij schadelijk is voor de
jeugdige; het moet steeds pedagogisch verantwoord blijven. Speciale preventie
8
,en gedragsverandering staan voorop, en vergelding mag geen doel op zichzelf
zijn. Ook uit het IVRK en General Comment nr. 24 volgt dat het primaire doel
re-integratie is en dat vrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel en voor
een zo kort mogelijke duur mag worden toegepast. Historisch gezien is
vergelding bovendien nooit als absoluut strafdoel aanvaard; gedragsverandering
en het voorkomen van recidive zijn steeds leidend geweest.
Stelling 2: De minimumleeftijdsgrens voor jeugdstrafrechtelijke
aansprakelijkheid in Nederland dient te worden verhoogd naar 14 jaar
Achtergrondinformatie
De minimumleeftijd voor jeugdstrafrechtelijke aansprakelijkheid in Nederland, die
momenteel op grond van artikel 486b Sv op 12 jaar ligt, zou moeten worden
verhoogd naar 14 jaar. Vanaf 12 jaar kunnen kinderen strafrechtelijk worden
berecht en kunnen dwangmiddelen tegen hen worden toegepast.
Voorargumenten
Voorstanders van verhoging benaderen de kwestie vanuit kinderrechten en
ontwikkelingspsychologie. Het IVRK verplicht staten tot het vaststellen van een
minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, en in General
Comment nr. 24 wordt 14 jaar als passende minimumleeftijd genoemd.
Daarnaast wijst hersenwetenschappelijk en ontwikkelingspsychologisch
onderzoek uit dat kinderen jonger dan 14 jaar vaak onvoldoende in staat zijn om
de gevolgen van hun handelen volledig te overzien en het strafproces te
begrijpen, waardoor effectieve participatie in een eerlijk proces onder druk kan
staan. Bovendien is de groep 12- en 13-jarigen die ernstige feiten pleegt relatief
klein; het gaat vaak om lichte feiten die ook via een Halt-afdoening, een sepot of
via het jeugdbeschermingsrecht kunnen worden afgedaan. Voor lichte feiten zou
jeugdbescherming beter aansluiten bij de ontwikkelingsfase van het kind.
Tegenargumenten
Tegenstanders wijzen er echter op dat verhoging van de minimumleeftijd ertoe
kan leiden dat 12- en 13-jarigen bepaalde strafrechtelijke waarborgen verliezen.
De rechtsbescherming binnen het jeugdstrafrecht is in sommige opzichten
sterker dan binnen het jeugdbeschermingsrecht, zodat hun positie juist kan
verslechteren. Daarnaast speelt het belang van waarheidsvinding een rol:
wanneer een 12- of 13-jarige een ernstig feit pleegt, vindt bij verhoging van de
leeftijd geen strafproces plaats, terwijl dat proces juist van belang kan zijn om de
waarheid vast te stellen en te voorkomen dat een onschuldige wordt veroordeeld.
Ook rijst de vraag of alternatieve jeugdbescherming of jeugdhulp in alle gevallen
daadwerkelijk toereikend en beschikbaar is.
Een mogelijke tussenweg zou kunnen bestaan uit het verhogen van de
minimumleeftijd onder strikte randvoorwaarden, bijvoorbeeld door
uitzonderingen te formuleren voor zeer ernstige feiten of door aanvullende
waarborgen in het jeugdbeschermingsrecht in te bouwen. Hoewel verhoging op
zichzelf verdedigbaar lijkt, maken de tegenargumenten duidelijk dat een
zorgvuldige herziening van het systeem noodzakelijk is voordat een dergelijke
stap kan worden gezet.
Stelling 3: Opsluiting in grootschalige vrijheidsbenemende instellingen,
zoals JJI’s (Justiële Jeugdinrichtingen), is schadelijk voor jeugdigen en
daarom onverenigbaar met de grondslagen en doelstellingen van het
jeugdstrafrecht: JJI’s moeten daarom worden gesloten
9
, Achtergrondinformatie
Opsluiting in grootschalige vrijheidsbenemende instellingen, zoals Justitiële
Jeugdinrichtingen (JJI’s), zou schadelijk zijn voor jeugdigen en daarom
onverenigbaar met de grondslagen en doelstellingen van het jeugdstrafrecht,
zodat deze instellingen gesloten zouden moeten worden. Naast JJI’s bestaan
kleinschalige voorzieningen waar jongeren dichter bij huis kunnen verblijven in
een lager beveiligde omgeving, met nadruk op contact met school, gezin en
sociale omgeving.
Tegenargumenten
Tegen sluiting wordt aangevoerd dat JJI’s noodzakelijk zijn om de
maatschappelijke veiligheid te waarborgen. Niet iedere jeugdige kan in een
kleinschalige voorziening worden geplaatst, omdat sommige jongeren een
zodanig risico vormen dat een hoger beveiligingsniveau vereist is. Bovendien
kunnen jeugdigen op grond van art. 77b Sr in uitzonderingsgevallen in een
Penitentiaire Inrichting terechtkomen. Hoewel het IVRK het mengen van
jeugdigen en volwassenen in beginsel verbiedt en het Kinderrechtencomité
hierop kritiek heeft geuit, heeft Nederland op dit punt een voorbehoud gemaakt.
Verder wordt gesteld dat de kritiek op schadelijke gevolgen van detentie vooral
internationaal is geformuleerd en minder toepasbaar zou zijn op de Nederlandse
situatie, waar jeugdigen in JJI’s op grond van de Beginselenwet Justitiële
Jeugdinrichtingen een sterke rechtspositie hebben en ontwikkeling centraal staat.
Voorargumenten
Voorstanders van sluiting wijzen echter op aanzienlijke praktische problemen
binnen JJI’s, zoals personeelstekorten, een krappe arbeidsmarkt, kwalitatief
onvoldoende dagprogramma’s en het feit dat capaciteitsproblemen ertoe leiden
dat jongvolwassenen soms in het reguliere gevangeniswezen worden geplaatst.
Daarnaast wordt benadrukt dat de vorm van vrijheidsbeneming historisch
veranderlijk is: van gestichten is men overgegaan op JJI’s, en nu er aanwijzingen
zijn dat grootschalige instellingen schadelijke effecten kunnen hebben op de
ontwikkeling van jongeren, zou een verdere verschuiving naar kleinschalige
voorzieningen gerechtvaardigd zijn. Vanuit het IVRK geldt dat vrijheidsbeneming
slechts als uiterste maatregel en voor zo kort mogelijke duur mag worden
toegepast en dat schadelijke invloeden zoveel mogelijk moeten worden
voorkomen. De vraag is of grootschalige JJI’s hieraan voldoen. Sommige auteurs
stellen zelfs dat dergelijke instellingen in strijd zijn met de geest van het IVRK.
Samenvattend kan worden betoogd dat volledige afschaffing van JJI’s wellicht te
ver gaat, maar dat een sterke afschaling ten gunste van kleinschalige,
pedagogisch gerichte voorzieningen beter aansluit bij de grondslagen en
doelstellingen van het jeugdstrafrecht.
10