Opgave 1: Rechtsgronden en maatschappelijke discussie
Draagkrachtbeginsel
De primaire rechtsgrond voor de Successiewet 1956 is het draagkrachtbeginsel. Dit houdt in
dat een verkrijging, zoals een erfenis of schenking, de economische positie van de ontvanger
verbetert, waardoor diens capaciteit om belasting te betalen toeneemt.
Sluisgedachte
Nauw verbonden met het draagkrachtbeginsel is de sluisgedachte. Deze gedachte houdt in dat
inkomen of vermogen minimaal één keer door een fiscale “sluis” moet gaan, zoals de
inkomstenbelasting of de erfbelasting, voordat het bij een volgende generatie terechtkomt.
Iemand die € 100.000 verdient en iemand die € 100.000 erft, beschikt uiteindelijk over
dezelfde bestedingsruimte. Voorstanders vinden het daarom logisch dat beide situaties fiscaal
worden belast.
Andere beginselen
Daarnaast heb je ook nog het profijtbeginsel genoemd, waarbij de erflater heeft geprofiteerd
van Nederlandse voorzieningen, en het buitenkansbeginsel, waarbij het vermogen de
verkrijger onverwacht toevalt.
Opgave 1b: Argumenten van voorstanders van de erf- en schenkbelasting
1. Ten eerste wordt het draagkrachtbeginsel aangevoerd. De ontvanger van een erfenis
ziet zijn vermogen toenemen zonder dat daar arbeid tegenover staat. Hierdoor neemt
de financiële draagkracht toe en ontstaat volgens voorstanders een rechtvaardiging om
belasting te heffen.
2. Daarnaast speelt kansengelijkheid een belangrijke rol. Door grote
vermogensoverdrachten te belasten, kan vermogensongelijkheid worden beperkt en
wordt de maatschappelijke startpositie van individuen minder afhankelijk van
afkomst. Erfbelasting wordt daarmee gezien als een instrument om gelijke kansen te
bevorderen.
3. Verder wordt gewezen op het beginsel van de minste pijn. Erfbelasting wordt vaak als
minder pijnlijk ervaren, omdat het vermogen de verkrijger niet eerder toebehoorde.
Men kan immers niets missen wat men nooit heeft gehad.
a. Niet altijd waar, denk aan een huis dat je erft waarover je erfbelasting moet
betalen, dan moet je het huis verkopen.
4. Tot slot wordt het buitenkansbeginsel genoemd. Een erfenis wordt gezien als een
meevaller waarvoor de ontvanger zelf geen prestatie heeft geleverd. Juist daarom is
het volgens voorstanders verdedigbaar dat de overheid hier een deel van belast.
,Opgave 1c: Argumenten van tegenstanders van de erf- en schenkbelasting
1. Het meest gehoorde argument is dat van dubbele heffing. Het vermogen waaruit de
erfenis bestaat, is tijdens het leven van de erflater vaak al belast met
inkomstenbelasting. Tegenstanders ervaren het als onrechtvaardig dat de overheid bij
overlijden opnieuw belasting heft over hetzelfde vermogen.
a. Formeel is er geen sprake van dubbele heffing, het is de eerste keer dat er
erf-/schenkbelasting over wordt geheven.
2. Daarnaast wordt gesproken van lijkenpikkerij. Het wordt als emotioneel ongepast
beschouwd dat de fiscus zich meldt op een moment van rouw en verlies, door direct
een belastingaanslag te presenteren.
3. Ook zou de erfbelasting het gezin ondermijnen. Tegenstanders zien het gezin als een
morele eenheid waarin ouders en kinderen elkaar iets moeten kunnen nalaten zonder
overheidsbemoeienis. De belasting wordt ervaren als een inbreuk op het vertrouwen
en de solidariteit binnen families.
4. Ten slotte wijzen tegenstanders op de inefficiëntie van de regeling. De erf- en
schenkbelasting levert slechts een klein deel van de totale rijksinkomsten op, terwijl
de uitvoering relatief complex is.
Voorbeeld uit de praktijk
Iemand overlijdt op 16 oktober en laat voor € 1.000.000 aan aandelen na. Uitgaande van een
fictief hoog tarief van 40% moet de erfgenaam € 400.000 aan erfbelasting betalen. Enkele
dagen later, op 19 oktober, stort de beurs in. De aandelen die op de sterfdatum nog één
miljoen euro waard waren, zijn dan nog slechts € 500.000 waard. Het gevolg is dat de
erfgenaam aandelen bezit ter waarde van € 500.000, maar nog steeds een
belastingverplichting heeft van € 400.000, gebaseerd op de oude waarde. Per saldo blijft er
daardoor slechts € 100.000 over.
Hoewel het formele belastingtarief 40% bedraagt, voelt dit voor de erfgenaam als een
effectieve belastingdruk van 90%. Van de € 500.000 die daadwerkelijk nog in handen is, gaat
immers € 400.000 naar de fiscus. Dit voorbeeld laat zien dat het argument van de “minste
pijn” (je kunt niets missen wat je nooit hebt gehad) niet altijd opgaat, omdat men in dit geval
blijft zitten met een schuld aan de Belastingdienst die bijna even groot is als het resterende
vermogen.
Opgave 1d: Persoonlijke mening over de rechtvaardiging
Geen juist of onjuist standpunt bestaat over de rechtvaardiging van de erfbelasting.In de
praktijk is het vaak eenvoudiger om een bestaande belasting te behouden dan om een nieuwe
in te voeren. Als de erfbelasting niet zou bestaan, zou een minister van Financiën
waarschijnlijk eerder kiezen voor een verhoging van een algemene belasting, zoals de btw,
om begrotingstekorten op te vangen. De erfbelasting treft immers slechts een beperkte groep
mensen per jaar.
,Opgave 1e: Het verschil in belastingdruk tussen ouders en oom/tante
In het voorbeeld betaalt een kind over een erfenis van € 250.000 aanzienlijk minder belasting
dan een neef of nicht die hetzelfde bedrag ontvangt van een oom of tante. Dit verschil wordt
op meerdere manieren verklaard.
Allereerst speelt de verwachtingswaarde een rol. Een erfenis van ouders ligt in de lijn der
verwachting. Een erfenis van een oom of tante wordt veel meer gezien als een buitenkans,
omdat deze niet vanzelfsprekend is.
Daarnaast is er de verzorgingsgedachte. Tussen ouders en kinderen bestaat vaak een
wederzijdse verzorgingsrelatie die bij verdere familieleden ontbreekt. De wetgever houdt hier
rekening mee door nauwe familiebanden fiscaal gunstiger te behandelen.
Tot slot werkt de wet met tariefgroepen op basis van verwantschap. Hoewel dit afwijkt van
een strikt draagkrachtbeginsel (omdat de koopkracht van € 250.000 gelijk blijft ongeacht de
herkomst) sluit deze indeling aan bij maatschappelijke opvattingen waarin
bloedverwantschap als moreel relevanter wordt gezien.
Opgave 2: Het Partnerbegrip (artikel 1a SW en artikel 5a AWR)
Voorwaarden voor partnerschap (artikel 1a Successiewet)
Om voor de Successiewet als partner te gelden, moet men voldoen aan artikel 1a van de
Successiewet 1956. Dit artikel omvat gehuwden, geregistreerd partners en ongehuwde
samenwonenden die aan de volgende voorwaarden voldoen. Beide personen moeten
meerderjarig zijn, op hetzelfde adres staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen, en
beschikken over een notarieel samenlevingscontract met een wederzijdse zorgverplichting.
Daarnaast geldt een wachttijd van zes maanden bij overlijden en twee jaar bij schenking.
Dus: gehuwden en GP altijd partner. Ongehuwd en samenwonend: partner mits notarieel
samenlevingscontract (+voorwaarden) en wachttijd.
Partnerschap door tijdsverloop
Indien geen notarieel samenlevingscontract is gesloten, ontstaat na vijf jaar samenwonen
automatisch partnerschap voor de Successiewet.
Verschil met inkomstenbelasting (artikel 5a AWR)
Het partnerbegrip in de inkomstenbelasting wijkt af van dat in de Successiewet. Zo is het
hebben van een gezamenlijk kind op grond van artikel 5a AWR voldoende voor partnerschap
in de inkomstenbelasting, terwijl dit voor de Successiewet niet volstaat.
Nadelen van partnerschap (artikelen 25 en 28 SW)
Het grootste nadeel van het partnerschap voor de Successiewet is de samentellingsregeling.
Dit houdt in dat partners voor de schenkbelasting vaak als één persoon worden gezien.
Wanneer beide partners een schenking ontvangen van dezelfde persoon, bijvoorbeeld een
ouder, worden deze bedragen bij elkaar opgeteld. In plaats van dat beide personen een eigen
, vrijstelling hebben en ieder in de laagste tariefschijf beginnen, hebben zij samen maar één
keer recht op de vrijstelling en komen zij sneller in een hogere tariefschijf terecht.
Fictiebepalingen
De docent legt uit dat bepaalde fictiebepalingen in de Successiewet speciaal zijn ontworpen
voor partners en afstammelingen t/m vierde graad. Je wordt geacht iets krachtens erfrecht te
hebben verkregen (onder bepaalde omstandigheden, dat is de fictie). Bij vreemden, zoals een
buurvrouw, gelden deze regels niet, omdat de wetgever ervan uitgaat dat transacties met
vreemden zakelijk zijn en niet om diegene te bevoordelen.
Een cruciaal voorbeeld dat de docent uitgebreid bespreekt, is de verkoop van een woning
onder voorbehoud van vruchtgebruik.
Een klassiek voorbeeld is de verkoop van een woning onder voorbehoud van vruchtgebruik.
Stel: iemand bezit een woning ter waarde van één miljoen euro en verkoopt die aan zijn
kinderen voor vier ton (de waarde van de blote eigendom), terwijl hij zelf in de woning blijft
wonen. Het recht om in de woning te blijven wonen heeft een economische waarde van zes
ton: dat is het vruchtgebruik. Zonder fictiebepaling zou bij overlijden het vruchtgebruik
automatisch vervallen en zouden de kinderen slechts erfbelasting betalen over het bedrag dat
zij hebben betaald of dat nog op de bankrekening van de ouder staat (in dit voorbeeld de €
400.000). Het gevolg zou zijn dat de ouder tijdens zijn leven in een huis van één miljoen
blijft wonen, de kinderen ook een huis van één miljoen in bezit krijgen, maar zij alleen over €
400.000 erfbelasting betalen. Dat wordt door de wetgever als ongewenst beschouwd. Daarom
bepaalt artikel 10 lid 4 Successiewet dat in zo'n situatie wordt gedaan alsof de kinderen het
volledige huis ter waarde van één miljoen krachtens erfrecht verkrijgen. Het gevolg is dat
over de volle waarde erfbelasting wordt geheven.
Wanneer dezelfde constructie echter wordt toegepast met een vreemde, zoals de buurvrouw,
geldt deze fictie niet. Omdat de wetgever ervan uitgaat dat met vreemden sprake is van
zakelijke transacties, wordt de buurvrouw niet geacht dat vruchtgebruik ‘erfenis achtig’ te
hebben verkregen. Bij overlijden vervalt het vruchtgebruik, en zij houdt het economische
voordeel van € 600.000 volledig belastingvrij.
Omdat het hier echter gaat om partners of kinderen, treedt de fictie in werking. De wet doet
dan alsof het huis nooit is verkocht en belast bij overlijden de volledige waarde van één
miljoen euro.
Het nadeel is dat wanneer dezelfde constructie met een buurvrouw zou worden toegepast, de
fictie niet zou gelden en het bedrag van zeshonderdduizend euro daadwerkelijk belastingvrij
zou overgaan. Juist omdat iemand partner of kind is, wordt men in deze constructie zwaarder
belast.
“Leeftijd lenen” wordt gebruikt in de context van de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de
schenkbelasting. Dit houdt in dat een verkrijger die zelf al ouder is dan 40 jaar, toch gebruik