visuele baan?
A. Problemen met objectherkenning
B. Problemen met kleurwaarneming
,C. Problemen met ruimtelijke lokalisatie
D. Problemen met contrastgevoeligheid
2. Wat is het directe gevolg van een verlaagde T2-relaxatietijd in
hersenweefsel?
A. Verhoogde gevoeligheid voor beweging
B. Verminderde zichtbaarheid van vochtophoping
C. Betere detectie van bloedingen
D. Verhoogde signaalintensiteit van water
3. Waarom leidt schade aan de hippocampus specifiek
tot anterograde amnesie?
A. Omdat opslag van oude herinneringen wordt geblokkeerd
B. Omdat nieuwe informatie niet geconsolideerd kan worden
C. Omdat retrievalprocessen volledig uitvallen
D. Omdat werkgeheugen wordt aangetast
4. Wat verklaart dat neglect geen puur visueel probleem is?
A. Omdat de ogen beschadigd zijn
B. Omdat alleen de visuele cortex betrokken is
C. Omdat het een aandachtsstoornis is
D. Omdat alleen kleurverwerking is aangedaan
5. Waarom verhoogt een lage power de kans op een type II-fout?
A. Omdat kleine effecten niet worden gedetecteerd
B. Omdat de nulhypothese sneller wordt verworpen
C. Omdat meetfouten toenemen
D. Omdat de steekproef te groot is
6. Wat is het belangrijkste mechanisme achter blindsight?
A. Activatie van de ventrale baan
B. Gebruik van alternatieve visuele routes
C. Overactivatie van de visuele cortex
D. Compensatie door auditieve systemen
7. Wat is het gevolg van beschadiging van de arcuate fasciculus?
A. Problemen met taalbegrip
B. Problemen met spraakproductie
C. Problemen met herhalen van woorden
D. Problemen met lezen
8. Waarom leidt een stoornis in inhibitie tot impulsief gedrag?
A. Omdat geheugenprocessen versnellen
B. Omdat automatische reacties niet onderdrukt worden
2
, C. Omdat aandacht volledig wegvalt
D. Omdat motorische systemen overactief zijn
9. Wat is het functionele voordeel van chunking in het
werkgeheugen?
A. Verhoogt snelheid van opslag
B. Vermindert noodzaak van aandacht
C. Vergroot effectieve capaciteit
D. Verbetert langetermijnopslag
10. Wat is het gevolg van beschadiging van de amygdala?
A. Verlies van motorische controle
B. Verminderde emotieherkenning
C. Problemen met taalproductie
D. Verstoorde visuele verwerking
11. Waarom kan correlationeel onderzoek geen causaliteit
aantonen?
A. Omdat variabelen niet gemeten worden
B. Omdat er geen steekproef is
C. Omdat er geen manipulatie plaatsvindt
D. Omdat resultaten niet statistisch zijn
12. Wat gebeurt er bij anisotrope diffusie in DWI?
A. Water beweegt vrij in alle richtingen
B. Waterbeweging is beperkt door structuur
C. Er is geen signaalverandering
D. Diffusie neemt overal toe
13. Wat is het gevolg van een stoornis in cognitieve flexibiliteit?
A. Moeite met informatie opslaan
B. Moeite met aanpassen aan nieuwe regels
C. Verminderde aandachtsspanne
D. Problemen met motorische planning
14. Waarom heeft fMRI een indirecte maat voor hersenactiviteit?
A. Het meet elektrische signalen
B. Het meet bloedoxygenatie
C. Het meet neurotransmitters
D. Het meet axonale activiteit
15. Wat is het belangrijkste verschil tussen restauratieve en
compensatoire revalidatie?
A. Restauratie richt zich op gedrag, compensatie op hersenen
3