Het Nederlandse strafrecht wordt onderverdeeld in materieel en formeel
strafrecht:
- Materiele strafrecht: welke menselijke gedragingen zijn strafbaar en
welke sancties dienen te volgen? In het wetboek van strafrecht.
- Formele strafrecht: bevat voorschriften die omschrijven hoe de
strafrechtelijke procedure dient plaats te vinden strafprocesrecht.
In het wetboek van strafvorderingen.
De twee grote wetten worden ook wel het algemene straf-en
strafprocesrecht of commuun strafrecht (algemene strafrecht) genoemd.
Bijzonder strafrecht: strafrechtelijke bepalingen die over heel specifieke
onderwerpen gaan, worden opgenomen in aparte wetten. Bijv. Opiumwet,
wet wapens en munitie en wegenverkeerswet.
Dus, het strafrecht bestaat uit formele en materiele bepalingen. Deze
bepalingen staan opgenomen in het commune en bijzondere strafrecht.
Doel van het Nederlandse strafrecht: handhaving door middel
van leedtoevoeging.
Het doel van het strafrecht is kort gezegd: het door middel van sancties
handhaven van normen die uit strafrechtelijke bepalingen voortvloeien.
Het strafrecht is niet normstellend, maar sanctioneert enkel gedrag dat in
strijd is met bepaalde rechtsnormen. Het strafrecht wijst slechts het
gedrag aan dat strafbaar is.
Door een gedragsnorm op te schrijven wordt zij een rechtsnorm.
Schending rechtsnorm + geschreven reactie in het Wetboek van Strafrecht
of in andere strafbepaling = strafbaar feit.
Strafrecht betreft dus opzettelijk leed toebrengen aan een misdadiger door
middel van straf, maar wat is het idee hierachter? Strafrechttheorieën:
- Vergeldingstheorie: gaat uit van de gedachte dat de overheid wraak
moet nemen op degene die onrecht pleegde. Het staat direct in
verbinding met de oog om oog, tand om tand- gedachte: wie onrecht
is aangedaan, mag dit zelf vergelden, en wel met precies hetzelfde
onrecht.
1
, De vergeldingstheorie is een absolute strafrechtstheorie (het onrecht
moet worden hersteld).
- De preventietheorie: het doel is om te voorkomen dat anderen
strafbare feiten zullen plegen door de misdadigers te straffen. Dit
kan worden onderverdeeld in generale preventie en speciale
preventie.
- Generale preventie: anderen laten afschrikken.
- Speciale preventie: de misdadiger zelf ervan te weerhouden in de
toekomst misdaden te gaan plegen. Speciale preventie werkt op drie
wijzen:
1. Afschrikking voor de dader;
2. Verbetering in het gedrag van de dader;
3. De samenleving gaat erop vooruit nu de dader tijdelijk uit de
samenleving is verwijderd.
De preventietheorie is een relatieve strafrechtstheorie. De straf beoogd
een bepaald doel i.p.v. enkel vergelding.
Het geweldsmonopolie ligt bij de overheid, alleen zij mag geweld
uitoefenen op burgers. We willen niet dat mensen voor eigen rechter
spelen, dat is ook opgenomen in de grondwet artikel 113. Daarin staat dat
bestraffing door vrijheidsberoving van de burger exclusief is voorbehouden
aan een onpartijdige en benoemde rechter.
De ultimum remedium-gedachte betekent in het latijn voor laatste
oplossing. Het strafrecht bestaat vanuit de gedachte dat het pas moet
worden toegepast als er geen redelijke alternatieve oplossingen kunnen
worden toegepast. Als een probleem door middel van een ander
rechtsgebied kan worden opgelost, moet dat rechtsgebied eerst worden
aangewend.
Het legaliteitsbeginsel
Een van de belangrijkste uitgangspunten van het strafrecht is dat burgers
slechts in overeenstemming met neergeschreven wetten kunnen worden
gestraft het legaliteitsbeginsel; heeft vijf nadere betekenissen:
1. Geen strafbaar feit zonder wet.
2. Geen straf zonder wet.
3. Geen terugwerkende kracht.
4. Geen analogische redeneringen. (Geen vergelijkbare gevallen)
5. Wetten moeten duidelijk genoeg zijn (lex certa).
2
, Hoofdstuk 2 de structuur van het strafbare feit
Vier voorwaarden voor strafbaarheid:
1. Menselijke gedraging
Door een mens verrichte gedraging die ook door de menselijk
individu is gewild, dus de intentie.
Het hoeft niet te gaan om een actieve gedraging, ook het niet-
handelen of nalaten kan worden aangemerkt als een gedraging.
Rechtspersonen
Deelnemingsvormen
2. Delictsomschrijving
Door deze eis wordt voorkomen dat een burger wordt bestraft
zonder dat duidelijk is waarvoor. Ook zodat burgers van tevoren
hun gedrag zodanig kunnen aanpassen.
Delictsomschrijving + sanctienorm = strafbepaling
3. Wederrechtelijkheid
Het gedrag moet in strijd met het objectieve recht zijn (geldende
recht).
In sommige bepalingen is het noodzakelijk om
wederrechtelijkheid te benoemen vb. art. 310 Sr. en 350 Sr. Het
gaat dan om alledaagse handelingen bijv. boodschappen in een
winkelwagen zetten.
4. Schuld
Verdachte kunnen verwijten van zijn gedraging. De verdachte
heeft de onwenselijke gedraging niet vermeden terwijl daartoe de
reële mogelijkheid bestond.
Men kan niet strafbaar zijn zonder verwijtbare schuld.
Bestanddelen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die in de wettelijke
delictsomschrijving zijn terug te vinden.
Elementen zijn voorwaarden voor de strafbaarheid die niet zijn
opgenomen in een wettelijke delictsomschrijving.
1. Wederrechtelijkheid
2. Schuld
3
, Als deze zijn opgenomen in de wet, zijn het bestanddelen geworden en
niet langer meer elementen!
Wanneer niet aan alle bestanddelen en elementen zijn voldaan kan er
geen sprake zijn van een strafbaar feit.
Wat is het grote belang van het onderscheid tussen bestanddelen en
elementen? Het bewijsrecht.
Alles wat een bestanddeel is moet bewezen worden in tegendeel tot
elementen, daarbij wordt verondersteld aanwezig te zijn, dus hoeft niet
bewezen te worden tenzij er twijfel ontstaat.
Delict: het overtreden van een strafbepaling.
Het materiele strafrecht kent verschillende delictsvormen:
Formele delicten
De actieve handeling ten aanzien van een bepaalde gedraging
wordt strafbaar gesteld. Er wordt niet gekeken naar de gevolgen
van de gedraging.
Materiele delicten
Het laten intreden van een bepaald gevolg wordt strafbaar
gesteld.
Commissiedelicten
Handelen wordt strafbaar gesteld (de meeste strafbare feiten zijn
commissiedelicten).
Omissiedelicten
Nalaten wordt strafbaar gesteld.
Gekwalificeerd delict
Hierbij gaat het steeds om ernstigere vormen van een variatie op
een gronddelict. Bijv. diefstal en diefstal met geweldpleging. Er is
sprake van een zwaardere sanctienorm.
Geprivilegieerde delict
Hierbij gaat het steeds om een afgezwakte vorm van een variatie
op een bepaald delict. Bijv. kinderdoodslag. Er is sprake van een
lichtere sanctienorm.
Misdrijven en overtredingen. Het onderscheid is van belang omdat een
overtreding nooit gesanctioneerd mag worden met een gevangenisstraf.
4