Boek: Beroepsvaardigheden en interventietechnieken Pagina 2
Boek: Juridische aspecten van mediation pagina 6
Boek: Handboek Mediation pagina 13
Boek: reader Conflictbemiddeling pagina 26
1
,Boek: Beroepsvaardigheden en interventietechnieken
1. Wat is Mediation?
1.1. Een Globale typering
ADR = Alternative Dispute Resolution
Mediation = een vorm van begeleid onderhandelen | tussenpartijdige conflictoplossing
1.2. Kenmerken van Mediation
Autonomie & vrijwilligheid
Autonomie / zelfbeschikking = de deelnemers kunnen in alle vrijheid de richtingen bepalen
van hun gesprek en zelf beslissingen kunnen nemen.
Vrijwilligheid = de vrijheid van deelnemers om de mediation te starten en op ieder moment
te beëindigen.
Vrijwilligheid is slechts een klein onderdeel van de autonomie die deelnemers hebben.
Neutraliteit, onpartijdigheid en vertrouwelijkheid
Neutraal = mediator houdt zich zoveel mogelijk buiten de inhoud van het conflict, is
onafhankelijk en heeft geen belang bij de uitkomst.
Actieve neutraliteit = er zijn omstandigheden te bedenken waarin de mediator kan afwijken
van de neutraliteit en zich toch met de inhoud bemoeit.
Onpartijdigheid = mediator geeft geen blijk van een voorkeur voor een van de deelnemers en
handelt niet vanuit een bepaalde vooringenomenheid ten opzichte van een van hen.
Vertrouwelijkheid = geheimhouding over alles wat er in de mediation aan de orde is geweest
1.3. De mediator: rol taken en competenties
Vijf hoofdtaken van de mediator
1. Goede werkrelatie & gunstig werkklimaat – veilig en productief werkklimaat
2. Deelnemers motiveren – bijdragen aan dat deelnemers zich weer openstellen voor
elkaar
3. Kwaliteit van communicatie verbeteren
4. Mediationproces structureren – de deelnemers helpen gefocused te blijven op hun
taak.
5. Conflictkwesties behandelen -
1.4. De persoon van de mediator
Tegenoverdracht = de gevoelens die bij de mediator worden opgewerkt door de emotionele
invloed van de deelnemer.
1.5. De deelnemer
De drie basisbehoeften zijn: autonomie, verbondenheid en competentie
Problem solving orientation = de beste basis voor mediation waarin beide partijen het geschil
zien als een probleem dat ze samen op dienen te lossen.
2
, 2. Gesprekstechnieken van de mediator
Open en actief luisteren
Spiegelen = herhalen / echoën / papagaaien van sleutelwoorden. Het zet de boodschap in de
schijnwerpers en bevat de uitnodiging om hierover meer te vertellen.
Parafraseren van de inhoud = op een korte heldere manier omschrijven wat het belangrijkste
is wat de ander heeft gezegd. Hiermee kan de mediator toetsen of ze de kern van wat de
deelnemer wil zeggen goed begrepen heeft. Doel is om de spreker in staat te stellen duidelijk
te krijgen waar de schoen wringt.
Gevoelsreflectie = mediator verwoord de onderliggende gevoelens. Dit doe je door een
simpele beschrijving te geven van hoe je de spreker hoorde praten of wat je hem/haar zag
doen met vermelding van de bijbehorende emotie. Het primaire doel is om de spreker op
een dieper niveau te laten achterhalen wat er in hem omgaat. Daarnaast is het de bedoeling
dat de deelnemer die luistert ook beter gaat begrijpen wat er in de spreker omgaat.
Samenvatten – schept een moment van rust. Het is ook geschikt om een deel van de
mediationsessie af te sluiten.
Vraagtechnieken
Veranderingsgerichte vragen = bedoelt om de deelnemers in beweging te brengen.
Circulaire vragen – hebben als doel partijen duidelijk te maken dat ze beide een rol hebben in
het conflict. Bijvoorbeeld wat is de invloed van jullie ruzies op jullie relatie?
Confronterende vragen – zaken worden tegen elkaar gezet met als doel een discrepantie
bloot te leggen.
Directievere interventietechnieken
Positief heretiketteren / reframen = het idee is de frames die deelnemers gebruiken in
positieve zin te veranderen. Dit kan bijvoorbeeld door neutraliseren, normaliseren,
gemeenschappelijk/wederkerig maken of kritiek herformuleren naar een behoefte.
Interventieparadox / Paradoxale interventie = wanneer een deelnemer aan de ene negatieve
pool zit, kan het bij de mediator de reactie oproepen om een positie in te nemen op de
andere (positieve pool). Echter dit zorgt voor weerstand terwijl als de mediator de negatieve
pool juist de ruimte geeft, er vaak veel ruimte vrijkomt.
Paradoxale opdrachten – mediator vraagt het tegenovergestelde van wat ze hen eigenlijk zou
willen laten doen.
Stappen in paradoxale interventie:
Niet veroordelen, actief luisteren en nieuwsgierig blijven
Accepteren en serieuzer nemen dan ze zelf doen
Positief labelen en heretiketteren (wat goed dat u zo kritisch bent, dat houdt mij
scherp)
Toestemming geven voor weerstandgedrag
3