Hoorcollege: Persoonsgebonden aftrekposten en heffingskor tingen
➔ Boxenstelsel
◆ Individuele belastingen ex art 1.1 wet IB
● Achtergrond → arbeidsmarktparticipatie te bevorderen ipv beschouwen als
● Keerzijde → eenverdiensersproblematiek. eenverdiener betaald meer dan g
● Fiscaal partnerschap wel relevant ex art 2.17 wet IB jo. 5a AWR
○ Met name bij vermogensbelasting
◆ Elke box eigen belastinggrondslag en belastingtarief ex art 2.4 wet IB
◆ Rangorde en geen box-overstijgende verliesrekening ex art 2.14 wet BI
◆ Draagkrachtbeginsel: Iedere moet naar zijn vermogen bijdragen aan het collectief
● De brug is de grondslag van de IB ⇒ hoe sterker je ‘brug’ hoe meer lasten d
→ Bestaansminimum vrijstellen en meer belasting als je meer aankan
- Noodzakelijk levensonderhoud nooit gedefinieerd
- Elementen van noodzakelijk levensonderhoud
+ Persoonsgebonden aftrekposten (hoofdstuk 6 IB)
+ Heffingskortingen (hoofdstuk 8 IB)
◆ Verschuldigde belasting (2.7 IB) = (blstb inkomen - PGA)* tarief - heffingskorting (2.10 IB)
➔ Persoonsgebonden aftrekposten
◆ Aftrekposten die gerelateerd zijn aan uitgave die samenhangen met persoonlijke situatie
◆ Aftrekposten in beginsel van belastbaar inkomen werk en woning ex art 3.1 lid 2 sub j IB
● Aftrek tegen 37,48% ex art 2.10 lid 1, 2 en 3 wet IB
◆ Volgorde aftrek ⇒ Box 1 → Box 3 → Box 2 ex art 6.2 wet IB
◆ Restant van PGA mag naar een later jaar genomen worden ex art 6.1 lid 1 sub b Wet IB
◆ Toerekening persoonsgebonden aftrekposten bij partner naar vrijelijke verdeling (2.17 lid 6)
◆ Aftrek alleen voor drukkende kosten op de belastingplichtige ex art 6.1 lid 1 sub a IB
● Indicatie ⇒ belastingplichtige betaald alles zelf
● Drukkend: lening aangaan om zorgkosten te betalen
● Niet-drukkend: vergoeding ontvangen door zorgverzekeraar
● Mogelijk onsympathiek als geen gebruik vergoeding en dus geen aftrek
a. Onderhoudsverplichtingen ex art 6.3 wet IB
● Civielrechtelijke verbintenissen t.b.v andermans levensonderhoud
○ vb. partneralimentatie, uitkeringen en bijstand
b. Specifieke zorgkosten ex art 6.16 wet IB
● Vereist dat de Bp zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen (ex 6.1 lid 3 IB)
○ Morele verplichting of noodzaak uitgaven te doen
○ Indicatie ⇒ Draagkracht (inkomen en vermogen) ondersteunende
● Kring van personen: de bp, zijn partner, de kinderen onder 27 jaar ex art 6.16 IB
● Verhoging mogelijk ex art 6.19 wet IB
● Verhoging verminderd met drempeltoets in 6.20 IB
● Limitatieve lijst van specifieke uitgaven ex art 6.17 IB
- Alles met ‘extra’ → forfait in Uitvoeringsregeling
- Vervoerskosten forfait in lid 7
- (Niet-)farmaceutische hulpmiddelen
- Hoofdzakelijk door een zieke/invalide worden gebruikt
- Drukt het op de Bp → Eventueel recht op een voorziening
c. Weekenduitgaven voor gehandicapte ex art 6.25 wet IB jo 40-1-a Uitv. Reg. IB
● Aftrek voor degene waar gehandicapte, die doorgaans in een instelling zit, verblijft
● Verblijfskosten op 13 euro per dag en vervoerskosten op 0,23 euro per km
, d. Giften ex art 6.32 wet IB
● Bevorderen schenkingen aan ANBI's/SBBI's en maatschappelijke verenigingen
○ Verenigingen die maatschappelijk nut bijdragen ex art 5b jo 5d AWR
● Vermogensverschuiving vereist voor vrijgevigheid
● Kerkelijke belasting een verplichte bijdrage zonder tegenprestatie
● BNB Indien periodieke gift ongelijk bedrag aftrek mogelijk tot de gelijkheidsnorm
○ Verschil met meerdere een andere gift
1. Periodieke giften ⇒ jaarlijkse uitkering van gelijke omvang ( 6.38 wet IB)
○ Bij notariële of onderhandse akte voor ten minste vijf jaar
○ Volledig aftrekbaar, maar maximaal 1.500.000 per jaar (6.38 lid 4)
2. Andere giften ⇒ Niet aan verenigingen (6.39 wet IB)
○ Drempel van 60 EURO of 1% van verzamelinkomen ⇒ hoogste van de
○ Maximaal 10% van verzamelinkomen ex art 6.39 lid 1 IB
◆ Eventuele verhoging van 25% van maximaal mogelijk ex art 6.39a IB
○ Max 10% - Min 1% = aftrekpos
● Contant geld is uitgesloten ex art 6.37 wet IB
➔ Heffingskortingen → korting op de belasting en premies nadat deze is berekend
◆ Maximaal gelijk aan de gecombineerde inkomensheffing → verzilveringsprobleem
◆ Geen vrije verdeling tussen partners
◆ Soorten
● Algemene heffingskorting ex art 8.10 IB jo 2.18
○ Max 3068 EURO vermindert met 6,337% van verzamelinkomen (>28.406)
● Arbeidskorting ex art 8.11 IB
○ Max 5599 verminderd met 6,51% van arbeidsinkomen > 43.071
○ Arbeidsinkomen is de winst uit onderneming, loon of ROW ex art 8.1 sub e
● Inkomensafhankelijk combinatiekorting (art 8.14a IB)
○ Voor ouders die arbeid en zorg voor combineren
○ Vereisten
I. Kind van <12 jaar en ingeschreven op hetzelfde adres
II. Geen partner of een lager arbeidsinkomen dan partner
III. Arbeidsinkomen minimaal 6145 EURO
○ Max 2986, 11,45% van arbeidsinkomen > 6145
● Jonggehandicaptenkorting ex art 8.16a IB
○ Belastingplichtige die recht heeft op WAJONG uitkering of AOU
● Ouderenkorting ex art 8.17 IB
○ Bij bereiken pensioengerechtigde leeftijd in lijn met art 7a Ouderdomswet
○ Max 2035 vermindert met 15% van verzamelinkomen > 45308
○ Verzamelinkomen ⇒ inkomen uit box 1, 2 en 3 ex art 2.18 wet IB
● Alleenstaande ouderenkorting ex art 8.18 wet IB
○ Korting voor alleenstaand AOW-gerechtgide ex art 9-1-a Ouderdomswet
● Korting voor groen belegingen ex art 8.19 wet IB
○ 0,1% van groene belegging van maximaal 26312 EUR
○ 52624 als maximaal beleggingsbedrag bij partners
1. Bereken het gezamenlijke bedrag van alle standaardheffingskortingen ex art 8.2 IB
2. Standaardheffingskorting verdeeld over 4 delen
+ Samen de gecombineerde heffingskorting van art 8.1-1-D IB = 35,82% = IACK
a. inkomstenbelasting (8,17)
b. AOW: algemene ouderdomsverzekering (17,90)
c. ANW: algemene nabestaandeverzekering (0,1)
d. WLZ: Wet verzekering langdurige zorg (9,65)
3. Corrigeren naar premieplicht → geen premie = geen heffingskorting
- Let op heffingskorting afhankelijk van premieplicht → aow recht verminderd heffingskort
, ➔ Progressief stelsel
◆ Marginale belastingdruk: het percentage aan belasting over extra inkomen
● 37,48% over 1 euro extra als percentage in box 1
● 6,337% over 1 euro minder aan algemene heffingskorting ex 8.10 lid 2
● 6,51% over 1 euro minder aan arbeidskorting ex art 8.11 sub d IB
= 37,48% + 6,337% + 6,51% = 50,327% marginale belastingdruk
◆ Marginale druk: deel van stijging van bruto inkomen niet leidende tot besteedbaar inkomen
● Hangt af van gezinssamenstelling + woonsiutatie + zorgafbetaling
= Extra belasting / extra inkomen * 100%
◆ Probleem
● Prikkel om meer te werken neemft af
● Rechtvaardigheid: Hogere marginale belastingdruk rond modaal dan groot inkomen
● Onzekerheid voor burgers → niet gebruik van kortingen en toeslagen
Week 2
Hoorcollege: Eigen Woning en Box 3
★ Eigen woning (art. 3.111, lid 1 IB)
○ Een gebouw voorzover dat de anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat
■ Feitelijke beoordeling over een langere periode
■ Tijdelijke verhuur ontneemt niet karakter van het hoofdverblijf (art. 3.111 lid 7 wet IB)
■ Eigendom ⇒ economisch, lidmaatschap van coöperatie, rechten uit
erfrecht
● Huurder valt niet onder EWR
+ BBN Ook een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen
+ Feitelijke beoordeling
+ Nutsvoorzieningen doorslaggevend voor duurzaamheidsvereiste
● Als >1 jaar met niet meer dan incidentele onderbrekingen aanwezig
■ BNB: Aanhorigheden behoren tot eigen woning als
I. Behoort bij gebouw
II. Daarbij in gebruik ⇒ ter beschikking staan
III. Daaraan dienstbaar
○ Fictieve eigen woning
■ Oude woning kan maximaal 3 jaar eigen woning blijven (art 3.111 lid 2 IB)
● Oude woning zou in beginsel in box 3 vallen
● Feitelijk maximaal 48 maanden → kalenderjaar + daaropvolgende 3
jaren
● Vereisten
I. De woning staat leeg
II. Aannemelijk dat bestemd voor verkoop
■ Nieuwe woning kan maximaal 3 jaar eigen woning blijven (art 3.111 lid 3 IB)
● Feitelijk maximaal 48 maanden → kalenderjaar + daaropvolgende 3
jaren
● Uitzonderingen
a. Tijdelijke verhuur
b. Oude bewoners blijven tijdelijk
c. BNB: geen eigenwoningvoorneming meer
■ Tijdelijk verblijf elders toch eigen woning (art. 3.111 lid 6)
● Let op! ⇒ verhoogd forfait (art. 3.112 lid 5)