Oefenstaatsexamen VMBO BB
Maatschappijleer
Voor dit examen zijn maximaal 40 punten te behalen;
het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen.
Beantwoord alle vragen op het antwoordblad.
1p 1 Een waarde is:
A een regel die in de wet staat
B iets wat mensen belangrijk vinden
C een straf voor verkeerd gedrag
1p 2 Welke opmerking over normen is juist?
A Normen komen voort uit waarden.
B Normen en waarden betekenen precies hetzelfde.
C Normen zijn altijd wetten.
D Normen bestaan alleen op school.
1p 3 Welk voorbeeld past het best bij een ongeschreven regel?
A Je betaalt belasting.
B Je steekt je hand op als iemand anders praat.
C Je mag niet stelen.
1p 4 Welke groep hoort het meest bij een socialiserende institutie?
A gezin
B rechtbank
C gemeenteraad
D provinciehuis
1p 5 Wat is een voorbeeld van een aangeleerd kenmerk?
A oogkleur
B taal spreken
C lengte
1p 6 Welke uitspraak over subculturen is juist?
A Een subcultuur heeft altijd precies dezelfde waarden als iedereen.
B Een subcultuur is een kleinere groep met eigen kenmerken.
C Een subcultuur komt alleen voor onder jongeren.
D Een subcultuur is hetzelfde als een politieke partij.
1p 7 Wat bedoelen we met sociale ongelijkheid?
A Niet iedereen heeft dezelfde kansen in de samenleving.
B Mensen gedragen zich niet altijd sociaal.
C Iedereen heeft evenveel invloed.
1p 8 Een voorbeeld van discriminatie is:
A een bioscoopfilm is bedoeld voor kijkers van 12 jaar en ouder
B een werkgever nodigt iemand niet uit vanwege zijn afkomst
C een docent geeft straf na spieken
, D een leerling komt te laat in de les
1p 9 Welke stelling over stereotypen is juist?
A Stereotypen zijn altijd feiten.
B Stereotypen kunnen leiden tot vooroordelen.
C Stereotypen zijn hetzelfde als wetten
1p 10 Om te mogen stemmen voor de Tweede Kamer moet iemand:
A 16 jaar zijn
B 18 jaar zijn
C een diploma hebben
D lid zijn van een politieke partij
1p 11 Wie vormen samen het parlement?
A de koning en de ministers
B de Eerste Kamer en de Tweede Kamer
C de ministers en de staatssecretarissen
1p 12 Welke taak hoort bij het parlement?
A rechters benoemen
B de regering controleren
C gemeenten besturen
D lesgeven over politiek
1p 13 Wat is een kenmerk van een democratie?
A Er is maar één politieke partij toegestaan.
B Burgers hebben invloed op politieke besluiten.
C De media mogen niet vrij berichten.
1p 14 Een politieke partij:
A doet mee aan verkiezingen
B komt alleen op voor één actie
C bestaat tijdelijk en verdwijnt daarna altijd
D is onderdeel van de rechterlijke macht
1p 15 Een actiegroep is meestal gericht op:
A het vormen van een regering
B één bepaald doel of onderwerp
C het maken van wetten
1p 16 Welk machtsmiddel gebruikt een burgemeester vooral bij het verbieden van een
evenement?
A functie
B aantal
C geld
D media-aandacht
1p 17 Welk voorbeeld past het best bij het machtsmiddel kennis?
A Een deskundige arts geeft advies over gezondheid.
B Een grote groep mensen staakt.
C Een rijke ondernemer koopt reclame.
1p 18 Welke politieke stroming vindt bescherming van natuur en milieu het belangrijkst?
A ecologische stroming
B liberale stroming
C extreemrechtse stroming
D confessionele stroming
1p 19 Welke uitspraak over sociale mobiliteit is juist?
Maatschappijleer
Voor dit examen zijn maximaal 40 punten te behalen;
het examen bestaat uit 40 meerkeuzevragen.
Beantwoord alle vragen op het antwoordblad.
1p 1 Een waarde is:
A een regel die in de wet staat
B iets wat mensen belangrijk vinden
C een straf voor verkeerd gedrag
1p 2 Welke opmerking over normen is juist?
A Normen komen voort uit waarden.
B Normen en waarden betekenen precies hetzelfde.
C Normen zijn altijd wetten.
D Normen bestaan alleen op school.
1p 3 Welk voorbeeld past het best bij een ongeschreven regel?
A Je betaalt belasting.
B Je steekt je hand op als iemand anders praat.
C Je mag niet stelen.
1p 4 Welke groep hoort het meest bij een socialiserende institutie?
A gezin
B rechtbank
C gemeenteraad
D provinciehuis
1p 5 Wat is een voorbeeld van een aangeleerd kenmerk?
A oogkleur
B taal spreken
C lengte
1p 6 Welke uitspraak over subculturen is juist?
A Een subcultuur heeft altijd precies dezelfde waarden als iedereen.
B Een subcultuur is een kleinere groep met eigen kenmerken.
C Een subcultuur komt alleen voor onder jongeren.
D Een subcultuur is hetzelfde als een politieke partij.
1p 7 Wat bedoelen we met sociale ongelijkheid?
A Niet iedereen heeft dezelfde kansen in de samenleving.
B Mensen gedragen zich niet altijd sociaal.
C Iedereen heeft evenveel invloed.
1p 8 Een voorbeeld van discriminatie is:
A een bioscoopfilm is bedoeld voor kijkers van 12 jaar en ouder
B een werkgever nodigt iemand niet uit vanwege zijn afkomst
C een docent geeft straf na spieken
, D een leerling komt te laat in de les
1p 9 Welke stelling over stereotypen is juist?
A Stereotypen zijn altijd feiten.
B Stereotypen kunnen leiden tot vooroordelen.
C Stereotypen zijn hetzelfde als wetten
1p 10 Om te mogen stemmen voor de Tweede Kamer moet iemand:
A 16 jaar zijn
B 18 jaar zijn
C een diploma hebben
D lid zijn van een politieke partij
1p 11 Wie vormen samen het parlement?
A de koning en de ministers
B de Eerste Kamer en de Tweede Kamer
C de ministers en de staatssecretarissen
1p 12 Welke taak hoort bij het parlement?
A rechters benoemen
B de regering controleren
C gemeenten besturen
D lesgeven over politiek
1p 13 Wat is een kenmerk van een democratie?
A Er is maar één politieke partij toegestaan.
B Burgers hebben invloed op politieke besluiten.
C De media mogen niet vrij berichten.
1p 14 Een politieke partij:
A doet mee aan verkiezingen
B komt alleen op voor één actie
C bestaat tijdelijk en verdwijnt daarna altijd
D is onderdeel van de rechterlijke macht
1p 15 Een actiegroep is meestal gericht op:
A het vormen van een regering
B één bepaald doel of onderwerp
C het maken van wetten
1p 16 Welk machtsmiddel gebruikt een burgemeester vooral bij het verbieden van een
evenement?
A functie
B aantal
C geld
D media-aandacht
1p 17 Welk voorbeeld past het best bij het machtsmiddel kennis?
A Een deskundige arts geeft advies over gezondheid.
B Een grote groep mensen staakt.
C Een rijke ondernemer koopt reclame.
1p 18 Welke politieke stroming vindt bescherming van natuur en milieu het belangrijkst?
A ecologische stroming
B liberale stroming
C extreemrechtse stroming
D confessionele stroming
1p 19 Welke uitspraak over sociale mobiliteit is juist?