Oefenstaatsexamen VMBO GL/TL
2026
Maatschappijleer
Voor dit examen zijn maximaal 50 punten te behalen;
het examen bestaat uit 50 meerkeuzevragen.
Beantwoord alle vragen op het antwoordblad.
Kies telkens het beste antwoord.
1p 1 Wat is een kenmerk van een democratie?
A De regering hoeft geen verantwoording af te leggen.
B Burgers hebben via verkiezingen invloed op de politiek.
C Er is maar één politieke partij toegestaan.
D Rechters bepalen de wetten zonder parlement.
1p 2 Welke taak hoort bij de Tweede Kamer?
A Het uitvoeren van wetten.
B Het controleren van de regering.
C Het benoemen van burgemeesters.
D Het leiden van rechtszaken.
1p 3 Wat is een waarde?
A Een geschreven wet van de overheid.
B Een boete voor verkeerd gedrag.
C Iets wat mensen belangrijk vinden.
D Een afspraak tussen politieke partijen.
1p 4 Welke uitspraak over normen is juist?
A Normen zijn altijd vastgelegd in de Grondwet.
B Normen zijn regels voor gedrag.
C Normen gelden alleen voor jongeren.
D Normen veranderen nooit.
1p 5 Wat is een voorbeeld van een ongeschreven regel?
A Je betaalt belasting voor 1 mei.
B Je steekt je hand op voordat je iets zegt in de klas.
C Je mag niet door rood licht rijden.
D Je moet een identiteitsbewijs hebben vanaf 14 jaar.
1p 6 Welke organisatie is een socialiserende institutie?
pagina 1
, A Het gezin
B De rechtbank
C De Eerste Kamer
D De Raad van State
1p 7 Wat bedoelen we met socialisatie?
A Het stijgen op de maatschappelijke ladder.
B Het aanleren van normen, waarden en gedrag.
C Het oplossen van maatschappelijke problemen.
D Het verdelen van macht in de politiek.
1p 8 Wat is een voorbeeld van discriminatie?
A Een winkel sluit om 18.00 uur.
B Een werkgever wijst iemand af vanwege afkomst.
C Een docent geeft straf na spieken.
D Een voetbalclub selecteert op talent.
1p 9 Welke uitspraak over vooroordelen is juist?
A Een vooroordeel is altijd op feiten gebaseerd.
B Een vooroordeel kan leiden tot discriminatie.
C Een vooroordeel is hetzelfde als een wet.
D Een vooroordeel bestaat alleen in de media.
1p 10 Wat bedoelen we met sociale ongelijkheid?
A Dat mensen verschillende hobby's hebben.
B Dat niet iedereen dezelfde kansen heeft.
C Dat sommige mensen onbeleefd zijn.
D Dat jongeren en ouderen anders stemmen.
1p 11 Welke politieke stroming legt veel nadruk op vrijheid en eigen verantwoordelijkheid?
A De ecologische stroming
B De liberale stroming
C De sociaaldemocratische stroming
D De extreemrechtse stroming
1p 12 Welke politieke stroming vindt het verkleinen van inkomensverschillen belangrijk?
A De sociaaldemocratische stroming
B De liberale stroming
C De extreemrechtse stroming
D De conservatieve stroming
1p 13 Wat is een compromis?
A Een besluit van één partij zonder overleg.
pagina 2
2026
Maatschappijleer
Voor dit examen zijn maximaal 50 punten te behalen;
het examen bestaat uit 50 meerkeuzevragen.
Beantwoord alle vragen op het antwoordblad.
Kies telkens het beste antwoord.
1p 1 Wat is een kenmerk van een democratie?
A De regering hoeft geen verantwoording af te leggen.
B Burgers hebben via verkiezingen invloed op de politiek.
C Er is maar één politieke partij toegestaan.
D Rechters bepalen de wetten zonder parlement.
1p 2 Welke taak hoort bij de Tweede Kamer?
A Het uitvoeren van wetten.
B Het controleren van de regering.
C Het benoemen van burgemeesters.
D Het leiden van rechtszaken.
1p 3 Wat is een waarde?
A Een geschreven wet van de overheid.
B Een boete voor verkeerd gedrag.
C Iets wat mensen belangrijk vinden.
D Een afspraak tussen politieke partijen.
1p 4 Welke uitspraak over normen is juist?
A Normen zijn altijd vastgelegd in de Grondwet.
B Normen zijn regels voor gedrag.
C Normen gelden alleen voor jongeren.
D Normen veranderen nooit.
1p 5 Wat is een voorbeeld van een ongeschreven regel?
A Je betaalt belasting voor 1 mei.
B Je steekt je hand op voordat je iets zegt in de klas.
C Je mag niet door rood licht rijden.
D Je moet een identiteitsbewijs hebben vanaf 14 jaar.
1p 6 Welke organisatie is een socialiserende institutie?
pagina 1
, A Het gezin
B De rechtbank
C De Eerste Kamer
D De Raad van State
1p 7 Wat bedoelen we met socialisatie?
A Het stijgen op de maatschappelijke ladder.
B Het aanleren van normen, waarden en gedrag.
C Het oplossen van maatschappelijke problemen.
D Het verdelen van macht in de politiek.
1p 8 Wat is een voorbeeld van discriminatie?
A Een winkel sluit om 18.00 uur.
B Een werkgever wijst iemand af vanwege afkomst.
C Een docent geeft straf na spieken.
D Een voetbalclub selecteert op talent.
1p 9 Welke uitspraak over vooroordelen is juist?
A Een vooroordeel is altijd op feiten gebaseerd.
B Een vooroordeel kan leiden tot discriminatie.
C Een vooroordeel is hetzelfde als een wet.
D Een vooroordeel bestaat alleen in de media.
1p 10 Wat bedoelen we met sociale ongelijkheid?
A Dat mensen verschillende hobby's hebben.
B Dat niet iedereen dezelfde kansen heeft.
C Dat sommige mensen onbeleefd zijn.
D Dat jongeren en ouderen anders stemmen.
1p 11 Welke politieke stroming legt veel nadruk op vrijheid en eigen verantwoordelijkheid?
A De ecologische stroming
B De liberale stroming
C De sociaaldemocratische stroming
D De extreemrechtse stroming
1p 12 Welke politieke stroming vindt het verkleinen van inkomensverschillen belangrijk?
A De sociaaldemocratische stroming
B De liberale stroming
C De extreemrechtse stroming
D De conservatieve stroming
1p 13 Wat is een compromis?
A Een besluit van één partij zonder overleg.
pagina 2