Week 1
Superdiverse stad → door migratie steeds meer diversiteit in grote steden.
De-familiarisering → vertrouwde verschijnselen opnieuw bevragen en niet als
vanzelfsprekend worden gezien. Door anders te kijken naar dezelfde realiteit, zien we
nieuwe betekenissen en machtsverhoudingen. Dit is cruciaal voor superdiversiteit.
Kernperspectieven
Superdiversiteit wordt uit drie samenhangende invalshoeken bekeken.
1. Stadssociologisch perspectief: opgroeien in een stad of in een landelijke omgeving
maakt verschil. De stedelijke context beïnvloedt kansen, socialisatie en
identiteitsontwikkeling van kinderen.
2. Onderwijssociologisch perspectief: richt zich op onderwijs als plek waar
kansenongelijkheid en etnische segregatie zichtbaar worden. Scholen functioneren
als mini-samenlevingen waarin maatschappelijke ongelijkheid wordt gereproduceerd
of juist doorbroken.
3. Sociaal-pedagogisch perspectief: focus op de persoonlijke ontwikkeling van kinderen
en jongeren.
Etnische concentratie → de fysieke aanwezigheid van een groep in een bepaald gebied.
Etnische segregatie → groepen leven gescheiden van elkaar.
Kenmerken van superdiversiteit
1. Het is geen normatief concept, maar het beschrijft de verandering van de
bevolkingssamenstelling.
2. Er is sprake van majority-minority cities, hierbij is geen enkele culturele groep een
meerderheid.
3. Er is sprake van diversification of diversity, hierbij worden de verschillen tussen
mensen binnen een groep steeds groter.
Nieuwe verscheidenheid
❖ Er is steeds meer vlottendheid, er komen veel mensen en er gaan veel mensen.
❖ Er was sprake van diversiteitsdenken, waarbij Nederlanders niet als groep worden
gezien maar juist door anderen. Nu doen we aan superdiversiteitsdenken, waarbij
Nederlanders wel als etnische groep worden gezien.
Verschillende effecten
1. Het migratie-effect: de impact van het migreren zelf.
2. Het compositie-effect: kenmerken van specifieke groepen, zoals opleidingsniveau.
3. Het diversitetiseffect: de invloed van het samenleven van mensen uit verschillende
herkomstlanden binnen één gebied.
,Sociale codes
❖ Regels die bepalen hoe je je hoort te gedragen in een bepaalde sociale setting. Denk
aan taalgebruik, houding, kleding en humor.
1. Parental codes: de codes die je thuis leert, zoals waarden en taalgebruik.
2. School codes: verwachtingen binnen het onderwijs, zoals stilzitten en plannen.
3. Peer group codes: codes van leeftijdgenoten, zoals kleding en wat ‘cool’ is.
Code-switching
❖ Het vermogen om tussen de verschillende codes te schakelen afhankelijk van de
context. Dit is geen aanpassen of jezelf verliezen, maar juist een vaardigheid.
❖ Gert Biesta noemt positief code-switching onderdeel van subjectificatie. Je blijft
dezelfde persoon, maar toont verschillende kanten van jezelf.
Sociale uitsluiting → wanneer iemand er niet in kan slagen om succesvol te switchen tussen
codes. Hierdoor ontstaat sociale pijn, dit kan even echt voelen als fysieke pijn.
Need to belong → het gevoel ergens bij te moeten horen.
Discontinuïteit → door het verschil in codes kan je fouten maken in verwachtingen, waardoor
je klimt op de ene ladder, maar daalt op de ander.
Reflex
❖ Een automatische reactie van individuen of groepen op superdiversiteit.
Globalisering → toenemende wereldwijde verbondenheid.
Glocalisering → het lokaal verwerken van mondiale invloeden.
Schildpad-effect → bij toenemende diversiteit trekken mensen zich soms terug in de
eigen groep en krijgen ze minder vertrouwen in anderen.
Sociale boulimia → mensen passen zich wel aan de nieuwe samenleving aan, maar
identificeren zich er niet mee.
Maatschappelijke vervreemding → je niet langer verbonden voelen met de
samenleving.
Transnationals: mensen die zich tegelijkertijd verbonden voelen met meerdere
landen.
Multitaligheid: het spreken van meerdere talen en het mixen van talen.
Culturele hybridisering: door het mixen van talen ontstaan nieuwe jeugdtalen.
, Week 2
Identiteit
Sociale identiteit → het zelf als onderdeel van een geheel.
Etnische identiteit → het zelf als onderdeel van een etnische groep.
Persoonsidentiteit → wie je objectief bent, zoals je naam en geboortedatum.
Psychologische identiteit → het innerlijke verhaal dat mensen over zichzelf vertellen.
➔ Tussen deze twee ligt de sociale identiteit.
Aangeboren of aangeleerd?
❖ Baby’s van 3 maanden staren langer naar gezichten van de eigen etnische groep en
hebben hier dus een visuele voorkeur voor.
❖ Deze voorkeur is afhankelijk van de omgeving van de baby’s. Kinderen die in diverse
omgevingen opgroeien, tonen namelijk geen visuele voorkeur.
Associatief leerproces → alledaagse ervaringen leggen bouwstenen voor de ontwikkeling
van sociale en etnische identiteit.
Sociale categorisatie → opdelen van mensen in groepen, zoals leeftijd of beroep. Hierdoor
kan informatie sneller verwerkt worden. Ook ontstaan er sneller stereotypen.
Sociale vergelijking → het vergelijken van de eigen sociale groep met andere groepen.
Sociale identificatie → de emotionele waarde die we hechten aan een groep. Dit kan een
positieve zelfwaarde vormen, omdat het een middel is om onzekerheid te verzwakken.
Positieve etnische identiteit
Hoe sterker de positieve etnische identiteit, hoe…
1. Minder internaliserende problemen: depressie, angst en eenzaamheid.
2. Minder externaliserende problemen: risicovol gedrag.
3. Betere academische uitkomsten: hogere cijfers en meer positieve houding over
school.
Superdiverse stad → door migratie steeds meer diversiteit in grote steden.
De-familiarisering → vertrouwde verschijnselen opnieuw bevragen en niet als
vanzelfsprekend worden gezien. Door anders te kijken naar dezelfde realiteit, zien we
nieuwe betekenissen en machtsverhoudingen. Dit is cruciaal voor superdiversiteit.
Kernperspectieven
Superdiversiteit wordt uit drie samenhangende invalshoeken bekeken.
1. Stadssociologisch perspectief: opgroeien in een stad of in een landelijke omgeving
maakt verschil. De stedelijke context beïnvloedt kansen, socialisatie en
identiteitsontwikkeling van kinderen.
2. Onderwijssociologisch perspectief: richt zich op onderwijs als plek waar
kansenongelijkheid en etnische segregatie zichtbaar worden. Scholen functioneren
als mini-samenlevingen waarin maatschappelijke ongelijkheid wordt gereproduceerd
of juist doorbroken.
3. Sociaal-pedagogisch perspectief: focus op de persoonlijke ontwikkeling van kinderen
en jongeren.
Etnische concentratie → de fysieke aanwezigheid van een groep in een bepaald gebied.
Etnische segregatie → groepen leven gescheiden van elkaar.
Kenmerken van superdiversiteit
1. Het is geen normatief concept, maar het beschrijft de verandering van de
bevolkingssamenstelling.
2. Er is sprake van majority-minority cities, hierbij is geen enkele culturele groep een
meerderheid.
3. Er is sprake van diversification of diversity, hierbij worden de verschillen tussen
mensen binnen een groep steeds groter.
Nieuwe verscheidenheid
❖ Er is steeds meer vlottendheid, er komen veel mensen en er gaan veel mensen.
❖ Er was sprake van diversiteitsdenken, waarbij Nederlanders niet als groep worden
gezien maar juist door anderen. Nu doen we aan superdiversiteitsdenken, waarbij
Nederlanders wel als etnische groep worden gezien.
Verschillende effecten
1. Het migratie-effect: de impact van het migreren zelf.
2. Het compositie-effect: kenmerken van specifieke groepen, zoals opleidingsniveau.
3. Het diversitetiseffect: de invloed van het samenleven van mensen uit verschillende
herkomstlanden binnen één gebied.
,Sociale codes
❖ Regels die bepalen hoe je je hoort te gedragen in een bepaalde sociale setting. Denk
aan taalgebruik, houding, kleding en humor.
1. Parental codes: de codes die je thuis leert, zoals waarden en taalgebruik.
2. School codes: verwachtingen binnen het onderwijs, zoals stilzitten en plannen.
3. Peer group codes: codes van leeftijdgenoten, zoals kleding en wat ‘cool’ is.
Code-switching
❖ Het vermogen om tussen de verschillende codes te schakelen afhankelijk van de
context. Dit is geen aanpassen of jezelf verliezen, maar juist een vaardigheid.
❖ Gert Biesta noemt positief code-switching onderdeel van subjectificatie. Je blijft
dezelfde persoon, maar toont verschillende kanten van jezelf.
Sociale uitsluiting → wanneer iemand er niet in kan slagen om succesvol te switchen tussen
codes. Hierdoor ontstaat sociale pijn, dit kan even echt voelen als fysieke pijn.
Need to belong → het gevoel ergens bij te moeten horen.
Discontinuïteit → door het verschil in codes kan je fouten maken in verwachtingen, waardoor
je klimt op de ene ladder, maar daalt op de ander.
Reflex
❖ Een automatische reactie van individuen of groepen op superdiversiteit.
Globalisering → toenemende wereldwijde verbondenheid.
Glocalisering → het lokaal verwerken van mondiale invloeden.
Schildpad-effect → bij toenemende diversiteit trekken mensen zich soms terug in de
eigen groep en krijgen ze minder vertrouwen in anderen.
Sociale boulimia → mensen passen zich wel aan de nieuwe samenleving aan, maar
identificeren zich er niet mee.
Maatschappelijke vervreemding → je niet langer verbonden voelen met de
samenleving.
Transnationals: mensen die zich tegelijkertijd verbonden voelen met meerdere
landen.
Multitaligheid: het spreken van meerdere talen en het mixen van talen.
Culturele hybridisering: door het mixen van talen ontstaan nieuwe jeugdtalen.
, Week 2
Identiteit
Sociale identiteit → het zelf als onderdeel van een geheel.
Etnische identiteit → het zelf als onderdeel van een etnische groep.
Persoonsidentiteit → wie je objectief bent, zoals je naam en geboortedatum.
Psychologische identiteit → het innerlijke verhaal dat mensen over zichzelf vertellen.
➔ Tussen deze twee ligt de sociale identiteit.
Aangeboren of aangeleerd?
❖ Baby’s van 3 maanden staren langer naar gezichten van de eigen etnische groep en
hebben hier dus een visuele voorkeur voor.
❖ Deze voorkeur is afhankelijk van de omgeving van de baby’s. Kinderen die in diverse
omgevingen opgroeien, tonen namelijk geen visuele voorkeur.
Associatief leerproces → alledaagse ervaringen leggen bouwstenen voor de ontwikkeling
van sociale en etnische identiteit.
Sociale categorisatie → opdelen van mensen in groepen, zoals leeftijd of beroep. Hierdoor
kan informatie sneller verwerkt worden. Ook ontstaan er sneller stereotypen.
Sociale vergelijking → het vergelijken van de eigen sociale groep met andere groepen.
Sociale identificatie → de emotionele waarde die we hechten aan een groep. Dit kan een
positieve zelfwaarde vormen, omdat het een middel is om onzekerheid te verzwakken.
Positieve etnische identiteit
Hoe sterker de positieve etnische identiteit, hoe…
1. Minder internaliserende problemen: depressie, angst en eenzaamheid.
2. Minder externaliserende problemen: risicovol gedrag.
3. Betere academische uitkomsten: hogere cijfers en meer positieve houding over
school.