De middeleeuwen beslaan een periode van ongeveer 1000 jaar, tussen 500 en 1500. Het
staat bekend als een achterhaalde en barbaarse periode, mede mogelijk gemaakt door de
humanisten. Ook de term renaissance, "wedergeboorte", voegde toe aan het slechte
karakter van de middeleeuwen. Toch werd er in de middeleeuwen een basis gelegd voor
veel moderne verschijnselen. Ook over het begin en einde van de middeleeuwen bestaat
discussie, een aantal veelgebruikte start en eindpunten zijn:
start:
- 284: splitsing Romeinse Rijk door Diocletianus
- 378: Christendom staatsgodsdienst door Theodosius
- 410: Visigoten onder Alarik plunderen Rome
- 476: odoaker zet laatste west romeinse keizer af
- 732: slag bij poitiers
- ca. 1000: moderne staatsvorming
eind:
- ca. 1450: uitvinding boekdrukkunst
- 1453: val constantinopel, eind 100-jarige oorlog
- 1492: herontdekking Amerika
- 1517: stellingen Luther
- 1568: begin opstand in de Nederlanden
- Laat 1800: Grote revoluties
Het daadwerkelijke begin en eindpunt is afhankelijk van interpretatie en regio!
In deze cursus wordt ca. 300 (het verzwakken van het Romeinse rijk) tot ca. 1500 (reeks
gebeurtenissen die leiden tot ingrijpende veranderingen) gehandhaafd.
Aan het begin van de middeleeuwen staan wel een reeks ontwikkelingen centraal, deze zijn
onder anderen:
- verzwakking Romeinse Rijk
- Vestiging van het Christendom
- Grootschalige migraties
- vergroting handelsrelaties
- ontwikkeling van handelsrelaties
,Hoofdstuk 1
I - De eindfase van het Romeinse Rijk
bestuursstructuur
Rond 230-300 was het Romeinse rijk het grootste rijk in Europa (zo’n 50-60 Mil inwoners),
echter ontstaan er in deze tijd ook diverse problemen binnen het rijk onder andere door een
epidemie, druk vanuit Perzië en barbaarse stammen en een reeks van staatsgrepen. Hierop
besluit Dioceltianus dat het rijk te groot en complex was om door één man bestuurd te
worden, de tetrarchie wordt in 293 ingevoerd met oog op vrede, eenheid en voorspoed.
Tetrarchie: hervorming van Diocletianus waarin het rijk niet alleen in twee helften werd
gesplitst maar er 4 regeerders kwamen, 2 Caesares (onderkeizers) en 2 Augusti
(hoofdkeizers). Het idee was dat de augusti de Caesares zouden opvolgen om zo een
duidelijke en vreedzame opvolging te garanderen.
Daarnaast begon Diocletianus met de codificatie van het Romeinse recht, werd het
belastingstelsel gestroomlijnd, de belastinginning georganiseerd, kwam er een Romeinse
staatsgodsdienst en kregen prijzen een wettelijk maximum.
Deze tetrarchie eindigde officieel in 324 toen keizer Constantijn alleenheerser werd. Dit komt
doordat er in de loop der jaren steeds meer hoofdkeizers en onderkeizers verslagen worden
waardoor de macht weer bij een steeds kleiner aantal mensen kwam te liggen. Uiteindelijk
zijn er twee over Constantijn in het westen en Licinius in het oosten. In 320 ging Licinius in
tegen de, in het edict van Milaan (313) afgesproken, godsdienstvrijheid wat zou uitlopen tot
een grote burgeroorlog die wordt gewonnen door constantijn. Wellicht was Constantijn meer
uit op verdeeldheid zaaien dan daadwerkelijk opkomen voor de Christenen.
Na 2 alleenheersers te hebben gehad nam Valentinianus onder druk zijn broer als
medekeizer waardoor er een diarchie ontstond die zou leiden tot de definitieve splitsing van
het Romeinse Rijk. De uitbreiding van de bureaucratie nam ook problemen met zich mee, zo
was het lastig om iedereen loyaal te houden waardoor het vatbaar was voor corruptie en
lokale belangen.
het lokale bestuur was geconcentreerd in stedelijke centra door een stadsraad of curia.
Deze bestuursleden werden aangesteld uit welvarende lokale families en waren ook
verantwoordelijk voor de rijksbelastingen en de inning daarvan. De opkomst van het
Christendom zorgde voor meer anti-seculiere waarden waardoor het bestuur ‘zweveriger’
werd. Daarnaast werd de lokale politiek steeds vaker bepaald door de grootgrondbezitters
doordat de elite zich liever vestigde in de keizerlijke bureaucratie.
economie en leger
De twee belangrijkste overheidsmiddelen waren belasting en het leger, ongeveer de helft
van de belastinginkomsten ging direct naar het leger. Diocletianus voerde een aantal
drastische veranderingen door:
- de eerdere twee belastingen werden samengevoegd tot één belasting
- de aanslag in die belasting werd gestandaardiseerd en verfijnd
, De nieuwe belasting, de iugatio-captatio, werd al gauw annona genoemd, wat letterlijk de
‘aanvoer’ betekende. Dat de belasting gelijkgesteld was met de graantoevoer betekent dat
veel mensen hun belasting in graan betaalden. Opmerkelijk is dan ook dat zodra dit
belastingstelsel in elkaar stort in het het westelijke deel, de legers en leefbaarheid van Rome
onmiddellijk bedreigd werden.
De Romeinse heerschappij berustte op militaire kracht, de meeste late keizers hadden dan
ook een militaire achtergrond. gedurende de late keizertijd traden er veranderingen op in het
leger. Er kwam onderscheid tussen lichtbewapende grenstroepen en mobiele
interventielegers. Hierdoor werd het wel makkelijker voor invallers om de linie te penetreren,
dus werden er barbaarse hulptroepen ingehuurd die de streken als Romeinse bondgenoten
zouden verdedigen. Deze ‘bondgenootschappen’ werden steeds formeler en barbaren
begonnen hoge posities te beslaan. Vooral in het oosten was hier tegendruk op. De
barbaren in het Romeinse leger deden dit ook zeker deels uit economische motieven. Door
de oneindige vraag naar militairen werden zij vanuit hun woongebieden het Rijk ingezogen.
Met herschikking, verhoogde migratiedruk en plundertochten als gevolg.
II - De ineenstorting van het Romeinse gezag
In 376 verzocht een grote groep Tervingi, een oosterlijk gotisch volk, of zij de donau over
mochten steken. De lokale autoriteiten waren niet opgewassen tegen de grote
migratiestroom en er ontstond een opstand nadat de goten zich slecht behandeld voelden.
In 394 versloeg Theodosius een coup met behulp van Gotische troepen, zij werden
onvoldoende gecompenseerd voor de hulp en er ontstond nog meer onvrede. Als reactie op
de afgelopen tijd werd Athene, onder leiding van hun nieuwe leider Alarik, geplunderd. De
Goten verkregen de status van foederati en Alarik werd generaal, toch bleef soldij uit en trok
Alariks leger naar Italië. Daarnaast breidden de hunnen hun macht uit aan het begin van de
5e eeuw. Hierdoor besluiten sommige inheemse stammen het gebied te verlaten en komt er
een enorme volksverhuizing op gang. In 406 bestonden er 2 grote confederaties van
barbaren die besloten het Romeinse Rijk aan te vallen. De Goten werden verslagen bij
Florence. De tweede, bestaande uit vandalen, sueben en Alanen, trok plunderend door
Gallië wat voor chaos zorgde. In 410 slaagde Alarik erin om Rome in te nemen en te
plunderen, de goten kregen de provincie Aquitanië toegewezen. Deze goten zijn visigoten.
De essentie van de ‘val’ was het verlies van controle over de noordgrens van het Rijk,
gevolgd door de ineenstorting van centraal gezag in delen van het Westelijke deel. Er
ontstonden allerlei staatjes binnen de grote staat.
Aan het einde van deze periode droegen de inwoners van de Boven-Rijn en Zuid-Duitsland
de naam alemannen. De Salische Franken waren de baas in Noord-Frankrijk. De Hunnen
versterkten nog steeds hun macht tot het hoogtepunt onder Atilla, die in 451 het Romeinse
rijk binnenviel. Vanaf 476 werden er geen nieuwe keizers meer aangesteld. De macht lag bij
Odovaker, een allochtone generaal die zichzelf had uitgeroepen tot koning. De Oostelijke
keizer Zeno had een plan het westen weer te onderwerpen mbv. Gotische legers. Deze
Goten stichtten echter een eigen koninkrijk met de 20 jaar durende Gotische oorlog als
gevolg. Steeds meer slavische volkeren verplaatsten zich richting Griekenland en de Balkan.
Deze werden getolereerd zolang zij missionarissen zouden accepteren.