Hoofdstuk 5: Disorders in early childhood
Fysiologisch functioneren: groei in fysiek emotioneel, intellectueel en sociaal functioneren
Biobehavioral shifts:
1) 2-3 maanden : overgang naar buiten baarmoeder, ritmische routines van voeden/troosten
2) 7-9 maanden : communiceren van gevoelens/intenties door gebaren, spelen en schema’s
3) 18-20 maanden: lopen, praten en de omgeving onafhankelijk ontdekken
Slaap-waaksysteem verandert drastisch: goede slaap wordt geassocieerd met cognitieve
ontwikkeling, gedrag, emotieregulatie en welzijn
Temperament: vroeg ontstane trekken op het gebied van activiteit, affectiviteit, aandacht en
zelfregulatie, komt uit interacties tussen genetische, biologische en omgevingsfactoren door de tijd
- Reactiviteit reactievermogen en prikkelbaarheid van kind (snel boos?)
- Regulatie hoe controleren kinderen hun reactiviteit (snel kalm?)
Hoge reactiviteit & goede regulatie > emoties sterk ervaren, gaat er goed mee om
Hoge reactiviteit & slechte regulatie > snel boos, moeite met kalmeren
Lage reactiviteit & goede regulatie > blijft kalm en kan goed aanpassen
Lage reactiviteit & slechte regulatie > kalm en kan niet goed aanpassen (teruggetrokken)
Dimensies van temperament
- Surgency: sociabiliteit en positieve emotionaliteit, vrolijk (extraversie, neiging toenadering)
- Negative affectivity: aanleg voor ervaren van angst, frustratie en boosheid (gevoelig stress)
- Effortful control: reguleren van stimulatie en respons (zelfregulatie, controle)
Temperamentprofielen (categorische benadering)
1) Typische patronen van emotie, activiteit en regulatie
2) Hoge reactiviteit, hoog negatief affect, regulatiemoeilijkheden > moeilijk temperament
3) Hoge reactiviteit, hoge angst, regulatiemoeilijkheden > slow-to-warm-up
4) Hoge reactiviteit, positief affect, meerdere regulatieresponses > extravert (makkelijk)
Factoren op temperament
- Genetica temperament heeft een genetische basis
- Fysiologische processen neurobiologische processen en hormonale processen
Reactiviteit > limbisch systeem en dopaminerge/serotonerge systemen
Regulatie > PFC en dopaminerge/serotonerge systemen
- Biologische gedragsfactoren prenatale risico’s invloed op stress-responssystemen
Ondervoeding, moederlijke stress, blootstelling aan alcohol
- Ouders eigenschappen, persoonlijkheid en opvoedstijl van ouders
Impactvolle eigenschappen warmte (behoefte aan affectie) en positieve en negatieve
controle (behoefte aan autonomie en zelfregulatie)
Kind ondersteunen met pogingen tot zelfregulatie
Goodness of fit: interactie tussen temperament van kind en de opvoeding (goede match)
Differential susceptibility: kinderen met moeilijk temperament grotere kans om negatief
beïnvloedt te worden door problematische opvoeding/contexten, ook om positief beïnvloedt
te worden door responsieve opvoeding/contexten
- Gender en cultuur verschilt per cultuur hoe temperament wordt gevormd
Jongens eerder kenmerken van surgency | meisjes eerder kenmerken van effortful control
Weinig verschil in negative affectivity
Hechtingsrelaties: band tussen kind en verzorgers (ervaren van veiligheid, comfort en affectie)
Basis van hechting: begrijpen dat er voor je gezorgd wordt en dat de wereld een fijne plek is