Tijdens het maken van de attitudeopdrachten en het doorlopen van de
praktijkcasus over suïcidaliteit heb ik mijn eigen opvattingen, gevoelens en
professionele houding ten aanzien van dit onderwerp verder verdiept en
aangescherpt. Waar suïcidaliteit voorheen voor mij vooral een theoretisch en
klinisch begrip was, heeft deze opdracht ervoor gezorgd dat ik het fenomeen
meer ben gaan begrijpen als een complexe, menselijke ervaring die sterk
samenhangt met wanhoop, verlies en het ontbreken van perspectief. Deze
verschuiving van een meer abstracte naar een meer empathisch-begrijpende
benadering vormt voor mij een belangrijk leerresultaat.
Een van de belangrijkste inzichten die ik heb opgedaan, is dat suïcidale
gedachten vaak niet zozeer voortkomen uit een daadwerkelijke doodswens, maar
eerder uit een diep gevoel van wanhoop en het niet meer zien van uitwegen.
Door de theorie, oefeningen en casus werd voor mij opnieuw bevestigd dat
suïcidaliteit meestal een signaal is van ondraaglijke psychische pijn. Dit inzicht
heeft mijn eerdere gedachten aangescherpt: waar ik rationeel al wist dat
suïcidale gedachten vaak voortkomen uit lijden, heb ik nu sterker ervaren hoe
essentieel het is om deze gedachten te benaderen vanuit begrip in plaats van
vanuit angst of handelingsdrang.
Ik heb voorafgaand aan deze opdracht de preventiecursus De Vraag Maar van
113 al eens gevolgd, wat mij al praktische handvatten had gegeven om concreet
en direct te vragen naar suïcidale gedachten. De combinatie van deze training
met de huidige cursusopdracht heeft mijn vertrouwen hierin vergroot. Ik heb
geleerd dat het expliciet benoemen van suïcidaliteit, dus het daadwerkelijk
uitspreken van woorden als “zelfmoord” of “gedachten om een einde aan je
leven te maken”, niet schadelijk is, maar juist helpend kan zijn. Het verlaagt
drempels, normaliseert het gesprek en laat zien dat de hulpverlener niet schrikt
of terugdeinst. Hierdoor kan een cliënt zich veiliger voelen om open te zijn.
Wat mij vooral is bijgebleven, is dat suïcidale cliënten vaak behoefte hebben aan
gehoord worden zonder oordeel. Niet meteen oplossingen, adviezen of
geruststellingen, maar eerst erkenning van hun lijden. Deze opdracht heeft mij
doen inzien dat luisteren op zichzelf al een interventie kan zijn. De
therapeutische relatie en de manier van aanwezig zijn blijken minstens zo
belangrijk als de specifieke technieken die worden ingezet. Dit inzicht sluit aan
bij mijn groeiende besef dat psychologische behandeling niet alleen draait om
methodiek, maar ook om houding, timing en sensitiviteit.
Mijn denken en handelen als psycholoog zijn door deze opdracht verschoven in
de richting van een actievere verantwoordelijkheidsbeleving. Voorheen zag ik
mijn rol vooral als iemand die luistert, analyseert en interventies aanbiedt. Nu
besef ik sterker dat ik ook een expliciete verantwoordelijkheid heb in het
waarborgen van veiligheid. Dit betekent dat ik niet alleen passief registreer wat
een cliënt vertelt, maar ook actief inschat hoe groot het risico is en welke
stappen nodig zijn om de cliënt te beschermen. Het besef dat veiligheid prioriteit
heeft boven alles, heeft mijn professionele zelfbeeld verdiept. Ik zie mezelf nu
meer als iemand die naast de cliënt staat én tegelijkertijd het overzicht bewaart
over risico’s en noodzakelijke acties.