H1: WAT IS SOCIOLOGIE?
(2)
1.1 Sociologisch perspectief (4)
Sociologie--> het systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
- sociologisch perspectief --> eigen gezichtspunt hierop
1.1.1 hoe we het algemene ih bijzondere kunnen zien
Peter Berger --> generalisatie (sociologisch perspectief = algemene ih
bijzondere zien)
--> in het gedrag van bepaalde mensen algemene patronen zien
1.1.2 hoe we het ongewone ih bekende kunnen zien
Defamiliarisatie (sociologisch perspectief = vreemde ih bekende zien)
--> het ‘normale’ in twijfel trekken
1.1.3 persoonlijke keuzes in hun sociale context
Emile Durkheim --> uiterst persoonlijke handeling als zelfdoding is onderhevig
ad invloed van sociale factoren (bv. mannen meer dan vrouwen, vaker als je
eenzaam bent, ...)
1.1.4 kijken als socioloog: marginaliteit en crisis
Sciologische verbeelding (C Wright Mills)
= de gave onszelf en anderen te zien als knooppunt van sociale bindingen
en maatschappelijke structuren die ons denken, handelen en leven dus
vormgeeft.
- dus ook verbinding persoonlijke problemen met maatschappelijke issues
2 verschijnselen die helpen voor sociologisch perspectief:
1. id marges vd samenleving leven
2. doormaken sociale crisis
1.2 Het belang van een mondiale visie (9)
Mondiaal/globaal perspectief: het bestuderen vd wereld in zijn geheel en de
plaats die onze samenleving daarin inneemt.
a. hoge-inkomenslanden (bv. West-Europa)
b. middeninkomenslanden (bv. Oost-Europa)
c. lage-inkomenslanden (bv. Afrika)
4 REDENEN:
1. je leven wordt gevormd door land waarin we leven
2. contacten tussen samenlevingen zijn sterk toegenomen
, 3. sociale problemen van westerse wereld, zijn elders nog erger
4. globaal denken geeft inzicht in onszelf
1.3 Het sociologisch perspectief in de praktijk (11)
1.3.1 sociologie en overheidsbeleid
Sociologische kennis--> ontwikkeling beleid overheden, wetten en regels (bv.
lgbtq)
1.3.2 sociologie en persoonlijke groei
4 EFFECTEN VAN SOCIOLOGIE:
1. wat er al dan niet klopt aan alledaags denken
2. beter inzicht id mogelijkheden en hindernissen die we in dagelijks leven
tegenkomen
3. mogelijkheid actieve rol te spelen id samenleving
4. hulp om te leven in een diverse wereld
1.3.3 de voordelen van sociologie voor de arbeidsmarkt
GEWOON LEZEN
1.4 Het ontstaan van de sociologie (14)
1.4.1 sociale veranderingen en sociologie
3 BELANGRIJKE VERANDERINGEN:
1. Industrialisering (scheiding werk en privé, vertrouwde omgeving
verlaten)
2. Groei van steden (veel sociale problemen als je naar stad verhuisde)
3. Politieke veranderingen (accentverschuiving door Hobbes, Locke, Smith,
...)
1.4.2 wetenschap en sociologie
3 ONTWIKKELINGSFASEN vooraf aan sociologie (Comte):
1. theologische fase (ontstaan mens tot einde middeleeuwen)
--> samenleving brengt Gods wil tot uitdrukking
2. metafysische fase (renaissance)
--> samenleving reflecteert het menselijk tekort (Hobbes)
3. wetenschappelijke fase
--> analyseren fysieke wereld (Copernicus, Galilei, Newton, ...)
Comtes benadering--> positivisme (inzicht verwerven door wetenschappelijk
onderzoek)
, - functioneren samenleving door bepaalde wetten gereguleerd
- wetenschappelijke kennis = enige kennis --> filosofie is geen wetenschap
1.5 Sociologie en de moderne samenleving (16)
1.5.1 Moderniteit
Moderniteit: sociale patronen die het resultaat zijn van industrialisering.
--> Modernisering: sociale veranderingsproces in gang gezet door
industrialisering.
4 belangrijke kenmerken modernisering (Peter Berger):
1. Verdwijnen kleine, traditionele gemeenschappen
- Ferdinand Tönnies: van een Gemeinschaft (samenhorigheid)
naar Gesellschaft (individualisme)
2. Uitbreiding persoonlijke keuzemogelijkheden
- individualisering kan leiden tot keuzestress
3. Grotere sociale diversiteit
- urbanisatie (platteland-->stad) en diversiteit stedelijke
samenleving
- differentiatie: uiteenvallen samenleving in zelfstandige
eenheden die zich toeleggen op vervullen 1 maatschappelijke functie.
4. Rationalisering
- Max Weber: samenleving gekenmerkt door doelrationaliteit
(zie 1.5.4)
1.5.2 Ferdinand Tönnies: de teloorgang vd gemeenschap
Modernisering--> Gemeinschaft (samenhorigheid) naar Gesellschaft
(individualisme)
1.5.3 Emile Durkheim: arbeidsverdeling
Arbeidsverdeling: gespecialiseerde economische activiteit (elke werknemer 1
taak)
Mechanische solidariteit: collectief bewustzijn, samenhang is vanzelfsprekend
(pre-modern)
Organische solidariteit: cohesie door differentiatie en afhankelijkheid
(modern)
Kanttekening: gevaar anomie
--> situatie waarin samenleving het individu weinig morele richtlijnen te
bieden heeft
1.5.4 Max Weber: rationalisering
, Doelrationaliteit: doordachte omgang met middelen en hun gekende
neveneffecten met het oog op het bereiken van een bepaald doel.
--> moderne wereld omgetoverd tot ijzeren kooi (samenleving zo
georganiseerd dat de vrijheid beperkt wordt)
1.5.5 Karl Marx: kapitalisme
Modernisering = kapitalistische revolutie
+/- eens met T, D & W --> dit zijn condities die kapitalisme tot ontwikkeling
brengen
1.5.6 Drie hoofdvragen van de sociologie
3 hoofdvragen:
a. hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk? (M)
b. hoe is sociale (wan)orde mogelijk? (D)
c. hoe werkt het proces van rationalisering van de wereld? (W)
1.6 Groei en bloei van sociologie (23)
H2: SOCIOLOGISCHE THEORIEËN EN
METHODEN (28)
2.1 Sociologische theorie (29)
Theorie--> stelsel uitspraken die met elkaar samenhangen
Theoretische benadering/perspectief of paradigma--> fundamenteel beeld
vd samenleving dat als richtlijn dient voor theorie en onderzoek
Sterkte sociologische brillen:
--> actorcentrisch (agency/individu) of sociocentrisch
(structuur/maatschappij)
4 HOOFDVRAGEN VD SOCIOLOGIE:
1. Hoe is de samenleving geordend en georganiseerd?
2. Hoe wordt het individuele beïnvloed door het maatschappelijke?
3. Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
4. Hoe bestuderen we dit allemaal?
2.1.1 het structureel functionalisme (macroniveau)
= kader voor theorievorming waarin samenleving als complex systeem wordt
gezien, waarin er sprake is van onderlinge samenwerking tussen verschillende
delen en dat solidariteit en stabiliteit beoogt. --> gericht op sociale structuur
(= relatief stabiele sociale gedragspatronen)
(2)
1.1 Sociologisch perspectief (4)
Sociologie--> het systematisch onderzoek van de menselijke samenleving.
- sociologisch perspectief --> eigen gezichtspunt hierop
1.1.1 hoe we het algemene ih bijzondere kunnen zien
Peter Berger --> generalisatie (sociologisch perspectief = algemene ih
bijzondere zien)
--> in het gedrag van bepaalde mensen algemene patronen zien
1.1.2 hoe we het ongewone ih bekende kunnen zien
Defamiliarisatie (sociologisch perspectief = vreemde ih bekende zien)
--> het ‘normale’ in twijfel trekken
1.1.3 persoonlijke keuzes in hun sociale context
Emile Durkheim --> uiterst persoonlijke handeling als zelfdoding is onderhevig
ad invloed van sociale factoren (bv. mannen meer dan vrouwen, vaker als je
eenzaam bent, ...)
1.1.4 kijken als socioloog: marginaliteit en crisis
Sciologische verbeelding (C Wright Mills)
= de gave onszelf en anderen te zien als knooppunt van sociale bindingen
en maatschappelijke structuren die ons denken, handelen en leven dus
vormgeeft.
- dus ook verbinding persoonlijke problemen met maatschappelijke issues
2 verschijnselen die helpen voor sociologisch perspectief:
1. id marges vd samenleving leven
2. doormaken sociale crisis
1.2 Het belang van een mondiale visie (9)
Mondiaal/globaal perspectief: het bestuderen vd wereld in zijn geheel en de
plaats die onze samenleving daarin inneemt.
a. hoge-inkomenslanden (bv. West-Europa)
b. middeninkomenslanden (bv. Oost-Europa)
c. lage-inkomenslanden (bv. Afrika)
4 REDENEN:
1. je leven wordt gevormd door land waarin we leven
2. contacten tussen samenlevingen zijn sterk toegenomen
, 3. sociale problemen van westerse wereld, zijn elders nog erger
4. globaal denken geeft inzicht in onszelf
1.3 Het sociologisch perspectief in de praktijk (11)
1.3.1 sociologie en overheidsbeleid
Sociologische kennis--> ontwikkeling beleid overheden, wetten en regels (bv.
lgbtq)
1.3.2 sociologie en persoonlijke groei
4 EFFECTEN VAN SOCIOLOGIE:
1. wat er al dan niet klopt aan alledaags denken
2. beter inzicht id mogelijkheden en hindernissen die we in dagelijks leven
tegenkomen
3. mogelijkheid actieve rol te spelen id samenleving
4. hulp om te leven in een diverse wereld
1.3.3 de voordelen van sociologie voor de arbeidsmarkt
GEWOON LEZEN
1.4 Het ontstaan van de sociologie (14)
1.4.1 sociale veranderingen en sociologie
3 BELANGRIJKE VERANDERINGEN:
1. Industrialisering (scheiding werk en privé, vertrouwde omgeving
verlaten)
2. Groei van steden (veel sociale problemen als je naar stad verhuisde)
3. Politieke veranderingen (accentverschuiving door Hobbes, Locke, Smith,
...)
1.4.2 wetenschap en sociologie
3 ONTWIKKELINGSFASEN vooraf aan sociologie (Comte):
1. theologische fase (ontstaan mens tot einde middeleeuwen)
--> samenleving brengt Gods wil tot uitdrukking
2. metafysische fase (renaissance)
--> samenleving reflecteert het menselijk tekort (Hobbes)
3. wetenschappelijke fase
--> analyseren fysieke wereld (Copernicus, Galilei, Newton, ...)
Comtes benadering--> positivisme (inzicht verwerven door wetenschappelijk
onderzoek)
, - functioneren samenleving door bepaalde wetten gereguleerd
- wetenschappelijke kennis = enige kennis --> filosofie is geen wetenschap
1.5 Sociologie en de moderne samenleving (16)
1.5.1 Moderniteit
Moderniteit: sociale patronen die het resultaat zijn van industrialisering.
--> Modernisering: sociale veranderingsproces in gang gezet door
industrialisering.
4 belangrijke kenmerken modernisering (Peter Berger):
1. Verdwijnen kleine, traditionele gemeenschappen
- Ferdinand Tönnies: van een Gemeinschaft (samenhorigheid)
naar Gesellschaft (individualisme)
2. Uitbreiding persoonlijke keuzemogelijkheden
- individualisering kan leiden tot keuzestress
3. Grotere sociale diversiteit
- urbanisatie (platteland-->stad) en diversiteit stedelijke
samenleving
- differentiatie: uiteenvallen samenleving in zelfstandige
eenheden die zich toeleggen op vervullen 1 maatschappelijke functie.
4. Rationalisering
- Max Weber: samenleving gekenmerkt door doelrationaliteit
(zie 1.5.4)
1.5.2 Ferdinand Tönnies: de teloorgang vd gemeenschap
Modernisering--> Gemeinschaft (samenhorigheid) naar Gesellschaft
(individualisme)
1.5.3 Emile Durkheim: arbeidsverdeling
Arbeidsverdeling: gespecialiseerde economische activiteit (elke werknemer 1
taak)
Mechanische solidariteit: collectief bewustzijn, samenhang is vanzelfsprekend
(pre-modern)
Organische solidariteit: cohesie door differentiatie en afhankelijkheid
(modern)
Kanttekening: gevaar anomie
--> situatie waarin samenleving het individu weinig morele richtlijnen te
bieden heeft
1.5.4 Max Weber: rationalisering
, Doelrationaliteit: doordachte omgang met middelen en hun gekende
neveneffecten met het oog op het bereiken van een bepaald doel.
--> moderne wereld omgetoverd tot ijzeren kooi (samenleving zo
georganiseerd dat de vrijheid beperkt wordt)
1.5.5 Karl Marx: kapitalisme
Modernisering = kapitalistische revolutie
+/- eens met T, D & W --> dit zijn condities die kapitalisme tot ontwikkeling
brengen
1.5.6 Drie hoofdvragen van de sociologie
3 hoofdvragen:
a. hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk? (M)
b. hoe is sociale (wan)orde mogelijk? (D)
c. hoe werkt het proces van rationalisering van de wereld? (W)
1.6 Groei en bloei van sociologie (23)
H2: SOCIOLOGISCHE THEORIEËN EN
METHODEN (28)
2.1 Sociologische theorie (29)
Theorie--> stelsel uitspraken die met elkaar samenhangen
Theoretische benadering/perspectief of paradigma--> fundamenteel beeld
vd samenleving dat als richtlijn dient voor theorie en onderzoek
Sterkte sociologische brillen:
--> actorcentrisch (agency/individu) of sociocentrisch
(structuur/maatschappij)
4 HOOFDVRAGEN VD SOCIOLOGIE:
1. Hoe is de samenleving geordend en georganiseerd?
2. Hoe wordt het individuele beïnvloed door het maatschappelijke?
3. Hoe is sociale (on)gelijkheid mogelijk?
4. Hoe bestuderen we dit allemaal?
2.1.1 het structureel functionalisme (macroniveau)
= kader voor theorievorming waarin samenleving als complex systeem wordt
gezien, waarin er sprake is van onderlinge samenwerking tussen verschillende
delen en dat solidariteit en stabiliteit beoogt. --> gericht op sociale structuur
(= relatief stabiele sociale gedragspatronen)