Inleiding Jeugd
, Week 1 - Inleiding Adolescentie (H1)
Tussen kinderjaren en volwassenheid in; vervolgopleiding, bijbaan, op jezelf, lichamelijke
verandering etc. Periode waar heel veel gebeurd in een vrij korte tijd.
Leeftijdsaanduiding (kan per cultuur verschillen):
- 10-13 jaar: vroege adolescentie
- 14-18 jaar: midden adolescentie
- 19-23 jaar: late adolescentie
→ in dit vak wordt er met name gericht op 12-23 jaar.
Psychosociale ontwikkelingstheorie, Erikson (1968)
verschillende fases
Adolescentie: identity vs role confusion
Young adulthood: intimacy vs isolation
etc.
zie ook infographic PP
Emerging adulthood, Arnett (2007)
Arnett beschrijft het net weer anders dan Erikson. Arnett focust zich echt alleen op de
adolescentie:
- identiteit verkenning
- fase van instabiliteit (onzekerheid; waar wil je wonen, wat voor studie, wat voor werk)
- fase waarin je veel focust op jezelf; zelfontdekking
- fase waarin je het gevoel kunt hebben dat je in-between bent. Soms voel je je
volwassen en soms valt dat wel mee.
- een fase waarin je veel mogelijkheden hebt en keuzes maakt; kan veel stress
opleveren bij jongeren en adolescenten
Fasen adolescentie:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte van
de ouders
- Manieren van omgang met bepaalde innerlijke conflicten
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren
Thema’s en ontwikkelingstaken, Spanjaard en Slot (2015) - Wat je ‘zou moeten’ doorlopen
tijdens deze tijd:
- positie tov ouders
- onderwijs of werk
- vrije tijd
- eigen woonsituatie
- autoriteit en instanties
- gezondheid en uiterlijk
- sociale contacten en vriendschappen
- sociale media en internet
- intimiteit en seksualiteit (aangaan van diepere relaties met mensen om je heen;
vriendschap en relatie)
- bij cultuurverschillen
,Is adolescentie een moeilijke leeftijd?
→ Periode van veel stress door veel keuzes die moeten worden gemaakt. Kan ook positief
zijn natuurlijk. Kunnen wel soms problemen ontstaan omdat dit allemaal teveel bij elkaar
wordt, en dus kan het soms een lastige leeftijd zijn.
Probleem vs Stoornis
bij het beantwoorden van deze vraag benoemd Steinberg (2008) drie aandachtspunten:
1. Noodzaak onderscheid maken tussen eenmalige stemmingen of gedragingen en een
meer langdurend patroon
2. Noodzaak om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een symptoom
kunnen zijn van een stoornis
3. Timing van het probleemgedrag, wanneer manifesteert het zich
Life-course persistent; gedrag vertoont zich gedurende het hele leven
Adolescence limited; gedrag vertoont zich alleen tijdens de adolescentie
Ontwikkelproces met continue en discontinue momenten
Samenspel tussen individu en omgeving
Ontwikkelingspsychopathologie:
= gericht op condities waardoor stoornissen in de ontwikkeling ontstaan, in stand blijven of
verdwijnen en op individuele verschillen in aanpassing daarbij.
Dynamisch interactionisme
= mensen geven hun eigen omgeving vorm, maar worden ook door de omgeving
vormgegeven. Dit wordt ook transactionele modellen genoemd. BV individuele kenmerken,
ouderlijk gedrag, school en sociale omgeving: er is sprake van wederzijdse beïnvloeding.
Hoe beïnvloedt iemand zijn/haar omgeving?
Caspi en Shiner (2006) onderscheiden drie manieren van persoon-omgeving interactie:
1. Passieve interactie: een omgeving waarin je niet veel invloed hebt. bv je ouders
bepalen waar je heengaat als je jong bent
2. Evocatieve interactie: als individu beïnvloed je de omgeving als een reactie jij bij
iemand anders oproept. bv je komt de bus binnen met je capuchon op en zegt de
buschauffeur geen gedag; deze wilt dan je kaartje zien.
3. Actieve interactie: jij als individu selecteert je eigen omgeving
Adolescentie: van passieve naar actieve interacties
Verandering tijdens adolescentie
veranderingen binnen de adolescent zelf en in relatie tot diens omgeving:
1. Biologisch domein →snelle veranderingen van het uiterlijk en de seksuele
ontwikkeling (h3, 4, 5)
2. Cognitief domein →adolescenten leren abstract en hypothetisch denken, begrijpen
daardoor het perspectief van anderen (h6, 7)
3. Sociaal domein →adolescenten verwerven een andere sociale status omdat ze van
rol veranderen en omdat ze andere interesses krijgen in hun relaties (h8, 11, 12)
4. Specifieke problemen →er kunnen internaliserende en externaliserende problemen
ontstaan (h 13, 14, 15)
, Theorieën over adolescentie (H2)
Ontwikkelingspsychologen proberen drie dingen te doen:
1. Beschrijven van veranderingen die zich voordoen in de loop van de ontwikkeling
2. Veranderingen verklaren door aan te tonen welke gebeurtenissen aan de basis
liggen van een bepaald verloop van het ontwikkelingsproces
3. Ontwikkeling optimaliseren door bv interventie-programma’s op te zetten
De rol van theorieën over de ontwikkeling
ontwikkelingstheorieën richten zich op de volgende twee vragen:
1. Wat is het dat zich ontwikkelt?
2. Op welke manier dragen individu (nature) en omgeving (nurture) eraan bij
Ontwikkelingstaak; of een ontwikkeltaak wordt doorlopen hangt af van verschillende
invloeden.
Ontwikkelinglingstaken worden door verschillende invloeden bepaald:
- Lichamelijke ontwikkeling
- Verwachtingen vanuit de omgeving
- Vanuit de persoon zelf
Theorie kan verder uitgebreid worden door stil te staan bij invloeden die gekoppeld zijn aan:
- Leeftijd (normatieve invloeden = geld voor iedereen)
- Geschiedenis (normatief)
- Individuele levensgebeurtenissen (bv corona had invloed op de ontwikkeling)
(niet-normatief = soms maak je iemand iets wel mee en soms ook niet, verschilt per
persoon)
Vier theoretische benaderingen van de adolescentie: (zie ook brightspace voor filmpjes)
1. Psychoanalytische theorieën
2. Cognitieve theorieën
→ deze twee kijken naar persoon- en klassieke ontwikkelingstaken
3. Contextuele theorieën
4. Dynamische systeemtheorie en positieve ontwikkeling
→ deze twee kijken naar de rol van de omgeving
Waarom zijn theoretische benaderingen belangrijk?
Theoretische benaderingen zorgen voor theoretische inzichten, die ervoor zorgen dat de
psychologische ontwikkeling tijdens de adolescentie beter begrepen wordt. Het helpt je om
kritisch en onderbouwt na te denken wat je moet gaan doen.
Psychoanalytische theorieën
De stichter van de psychoanalyse is Sigmund Freud.
Ontwikkelen van emoties tijdens de adolescentie:
- leren omgaan met onbewuste neigingen
- vormgeven aan relaties; gevoelens en relaties van nu worden sterk beïnvloed met
wat je in het verleden hebt meegemaakt.
, Week 1 - Inleiding Adolescentie (H1)
Tussen kinderjaren en volwassenheid in; vervolgopleiding, bijbaan, op jezelf, lichamelijke
verandering etc. Periode waar heel veel gebeurd in een vrij korte tijd.
Leeftijdsaanduiding (kan per cultuur verschillen):
- 10-13 jaar: vroege adolescentie
- 14-18 jaar: midden adolescentie
- 19-23 jaar: late adolescentie
→ in dit vak wordt er met name gericht op 12-23 jaar.
Psychosociale ontwikkelingstheorie, Erikson (1968)
verschillende fases
Adolescentie: identity vs role confusion
Young adulthood: intimacy vs isolation
etc.
zie ook infographic PP
Emerging adulthood, Arnett (2007)
Arnett beschrijft het net weer anders dan Erikson. Arnett focust zich echt alleen op de
adolescentie:
- identiteit verkenning
- fase van instabiliteit (onzekerheid; waar wil je wonen, wat voor studie, wat voor werk)
- fase waarin je veel focust op jezelf; zelfontdekking
- fase waarin je het gevoel kunt hebben dat je in-between bent. Soms voel je je
volwassen en soms valt dat wel mee.
- een fase waarin je veel mogelijkheden hebt en keuzes maakt; kan veel stress
opleveren bij jongeren en adolescenten
Fasen adolescentie:
- Het vormen van een eigen identiteit en het bereiken van autonomie ten opzichte van
de ouders
- Manieren van omgang met bepaalde innerlijke conflicten
- Een bepaald niveau van cognitief functioneren
Thema’s en ontwikkelingstaken, Spanjaard en Slot (2015) - Wat je ‘zou moeten’ doorlopen
tijdens deze tijd:
- positie tov ouders
- onderwijs of werk
- vrije tijd
- eigen woonsituatie
- autoriteit en instanties
- gezondheid en uiterlijk
- sociale contacten en vriendschappen
- sociale media en internet
- intimiteit en seksualiteit (aangaan van diepere relaties met mensen om je heen;
vriendschap en relatie)
- bij cultuurverschillen
,Is adolescentie een moeilijke leeftijd?
→ Periode van veel stress door veel keuzes die moeten worden gemaakt. Kan ook positief
zijn natuurlijk. Kunnen wel soms problemen ontstaan omdat dit allemaal teveel bij elkaar
wordt, en dus kan het soms een lastige leeftijd zijn.
Probleem vs Stoornis
bij het beantwoorden van deze vraag benoemd Steinberg (2008) drie aandachtspunten:
1. Noodzaak onderscheid maken tussen eenmalige stemmingen of gedragingen en een
meer langdurend patroon
2. Noodzaak om de diagnostische vraag te stellen of de problemen een symptoom
kunnen zijn van een stoornis
3. Timing van het probleemgedrag, wanneer manifesteert het zich
Life-course persistent; gedrag vertoont zich gedurende het hele leven
Adolescence limited; gedrag vertoont zich alleen tijdens de adolescentie
Ontwikkelproces met continue en discontinue momenten
Samenspel tussen individu en omgeving
Ontwikkelingspsychopathologie:
= gericht op condities waardoor stoornissen in de ontwikkeling ontstaan, in stand blijven of
verdwijnen en op individuele verschillen in aanpassing daarbij.
Dynamisch interactionisme
= mensen geven hun eigen omgeving vorm, maar worden ook door de omgeving
vormgegeven. Dit wordt ook transactionele modellen genoemd. BV individuele kenmerken,
ouderlijk gedrag, school en sociale omgeving: er is sprake van wederzijdse beïnvloeding.
Hoe beïnvloedt iemand zijn/haar omgeving?
Caspi en Shiner (2006) onderscheiden drie manieren van persoon-omgeving interactie:
1. Passieve interactie: een omgeving waarin je niet veel invloed hebt. bv je ouders
bepalen waar je heengaat als je jong bent
2. Evocatieve interactie: als individu beïnvloed je de omgeving als een reactie jij bij
iemand anders oproept. bv je komt de bus binnen met je capuchon op en zegt de
buschauffeur geen gedag; deze wilt dan je kaartje zien.
3. Actieve interactie: jij als individu selecteert je eigen omgeving
Adolescentie: van passieve naar actieve interacties
Verandering tijdens adolescentie
veranderingen binnen de adolescent zelf en in relatie tot diens omgeving:
1. Biologisch domein →snelle veranderingen van het uiterlijk en de seksuele
ontwikkeling (h3, 4, 5)
2. Cognitief domein →adolescenten leren abstract en hypothetisch denken, begrijpen
daardoor het perspectief van anderen (h6, 7)
3. Sociaal domein →adolescenten verwerven een andere sociale status omdat ze van
rol veranderen en omdat ze andere interesses krijgen in hun relaties (h8, 11, 12)
4. Specifieke problemen →er kunnen internaliserende en externaliserende problemen
ontstaan (h 13, 14, 15)
, Theorieën over adolescentie (H2)
Ontwikkelingspsychologen proberen drie dingen te doen:
1. Beschrijven van veranderingen die zich voordoen in de loop van de ontwikkeling
2. Veranderingen verklaren door aan te tonen welke gebeurtenissen aan de basis
liggen van een bepaald verloop van het ontwikkelingsproces
3. Ontwikkeling optimaliseren door bv interventie-programma’s op te zetten
De rol van theorieën over de ontwikkeling
ontwikkelingstheorieën richten zich op de volgende twee vragen:
1. Wat is het dat zich ontwikkelt?
2. Op welke manier dragen individu (nature) en omgeving (nurture) eraan bij
Ontwikkelingstaak; of een ontwikkeltaak wordt doorlopen hangt af van verschillende
invloeden.
Ontwikkelinglingstaken worden door verschillende invloeden bepaald:
- Lichamelijke ontwikkeling
- Verwachtingen vanuit de omgeving
- Vanuit de persoon zelf
Theorie kan verder uitgebreid worden door stil te staan bij invloeden die gekoppeld zijn aan:
- Leeftijd (normatieve invloeden = geld voor iedereen)
- Geschiedenis (normatief)
- Individuele levensgebeurtenissen (bv corona had invloed op de ontwikkeling)
(niet-normatief = soms maak je iemand iets wel mee en soms ook niet, verschilt per
persoon)
Vier theoretische benaderingen van de adolescentie: (zie ook brightspace voor filmpjes)
1. Psychoanalytische theorieën
2. Cognitieve theorieën
→ deze twee kijken naar persoon- en klassieke ontwikkelingstaken
3. Contextuele theorieën
4. Dynamische systeemtheorie en positieve ontwikkeling
→ deze twee kijken naar de rol van de omgeving
Waarom zijn theoretische benaderingen belangrijk?
Theoretische benaderingen zorgen voor theoretische inzichten, die ervoor zorgen dat de
psychologische ontwikkeling tijdens de adolescentie beter begrepen wordt. Het helpt je om
kritisch en onderbouwt na te denken wat je moet gaan doen.
Psychoanalytische theorieën
De stichter van de psychoanalyse is Sigmund Freud.
Ontwikkelen van emoties tijdens de adolescentie:
- leren omgaan met onbewuste neigingen
- vormgeven aan relaties; gevoelens en relaties van nu worden sterk beïnvloed met
wat je in het verleden hebt meegemaakt.