Beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties
Inzichten uit gehechtheidsonderzoek
1. Gehechtheid
1.1 Theorie en wetenschappelijk onderzoek
Gehechtheid ontstaat bij ieder kind van nature. Zolang het kind niet op eigen benen kan staan, heeft
hij een volwassene nodig om te overleven. Gehechtheid is dan ook een evolutionair gegeven. De
ouder beschermt het kind niet alleen tegen honger, kou en uitdroging, maar ook tegen allerlei
gevaren in de fysieke en sociale omgeving. Bovendien kan het kind ervaringen opdoen en dingen
leren in de beschermende aanwezigheid van de ouder en zich zo cognitief en sociaalemotioneel
ontwikkelen. De kern van John Bowlby, grondlegger van de gehechtheidstheorie, zijn gedachtegoed
is dat ouders die sensitief inspelen op de signalen van hun kind daarmee bijdragen aan het tot stand
komen van een veilige ouder-kindgehechtheidstheorie. Bowlby stelde dat veilige gehechtheid een
voorspellende waarde heeft voor een meer optimale sociaalemotionele ontwikkeling van het kind op
latere leeftijd. Onveilige gehechtheid kan leiden tot diverse gedragsproblemen, problemen met
zelfwaardering en eigenwaarde en moeite met het aangaan van relaties. De huidige stand van
empirisch onderzoek naar de gehechtheid van kinderen bevestigt de centrale principes en
uitgangspunten van de gehechtheidstheorie.
1.2 Wanneer ontstaat gehechtheid?
Bij pasgeboren baby’s spreken we nog niet over gehechtheid aan een specifieke ouder of verzorger,
deze zijn min of meer nog inwisselbaar voor de baby. Baby’s zijn al wel meer gericht op mensen dan
op dingen. Wel is het in deze periode enorm belangrijk hoe er voor de baby wordt gezorgd. Vanaf de
geboorte vindt er een proces van wederzijdse afstemming plaats tussen ouders en kind, iets dat
gezien kan worden als het voorwerk voor de latere gehechtheidsrelatie. Wanneer deze afstemming
echter niet in harmonie plaatsvindt of als er helemaal geen afstemming is, kunnen de signalen van
het kind vervormd raken of uitdoven. Baby’s stoppen bijvoorbeeld met huilen als ze nooit getroost
worden. Kinderen verschillen echter wel in de mate waarin ze ontvankelijk zijn voor invloeden uit de
sociale omgeving.
Op de leeftijd van ongeveer zes maanden gaat het kind een uitgesproken voorkeur krijgen voor één
of beide ouders of een vertrouwde ouderfiguur. Het kind wil vanaf dan het liefst in de fysieke
nabijheid van de ouders blijven en niet van hen gescheiden worden. Een baby laat deze voorkeur en
gerichtheid op een specifieke persoon zien door het tonen van eenkennigheid en scheidingsangst.
Voor jonge kinderen is de fysieke aanwezigheid van de gehechtheidsfiguur erg belangrijk, als
kinderen ouder worden (4/5 jaar) kunnen ze korte scheidingen wat beter overzien, het perspectief
van hun ouders beter begrijpen en zo nodig met de ouders overleggen of onderhandelen over een
scheiding.
1.3 Gehechtheidsgedrag
Kinderen tonen gehechtheid door contact te zoeken met hun ouder als ze bang, verdrietig, onzeker
of ziek zijn. Bij gehechtheidsgedrag van het kind gaat het erom dat het kind voeling wil houden met
de veilige basis die de ouder biedt. Die secure base biedt het kind een uitvalsbasis om te gaan
exploreren en een toevluchtshaven om naar terug te keren in geval van nood. Als je de fysieke
afstand tussen ouder en kind zou tekenen, zou het eruit zien als een bloem: een hart (de ouder die
ergens zit) en de bloembaden (de rondjes die het kind maakt van en naar de ouder).
1.4 Veilige en onveilige gehechtheid
Kinderen kunnen veilig of onveilig gehecht zijn en daarmee weerspiegelt hun gedrag hoe zij door hun
ouder zijn behandeld en wat zij van deze ouder geleerd hebben te verwachten. Veilig gehechte
,kinderen zoeken contact of lichamelijke nabijheid als zij bijvoorbeeld na een korte scheiding weer
met hun ouder herenigd worden. Door de scheiding kunnen ze van streek zijn geraakt, maar bij de
terugkeer van de ouder kunnen ze door de ouder gerustgesteld worden en na een tijdje hun spel
weer opvatten.
Onveilig gehechte kinderen hebben meer moeite met het vinden van een goede balans tussen het
aan de ene kant gerustgesteld willen worden en het weer gaan spelen aan de andere kant. Onveilig
vermijdend gehechte kinderen zijn vooral gericht op het exploreren en lijken weinig geruststelling
nodig te hebben in een spannende situatie. Een vermijdend kind negeert of vermijdt de ouder na een
scheiding en toont geen actieve toenadering of contact om de spanning te verlichten. Onveilig
ambivalent gehechte kinderen zijn vooral gericht op het krijgen van geruststelling van de ouder en
hebben juist moeite met het exploreren. Al voor een scheiding maar zeker daarna, zoeken zij
nadrukkelijk de nabijheid en de aandacht van de ouder. Na een korte scheiding kunnen deze
kinderen niet echt gerustgesteld worden. Onveilig gedesorganiseerd gehechte kinderen laten gedrag
zien dat niet rijmt met hun verdere gehechtheidsgedrag, zoals tegenstrijdig gedrag of angstig gedrag.
1.5 Gehechtheid als ontwikkelingsmijlpaal
Gehechtheid wordt gezien als een ontwikkelingsmijlpaal. Elk kind raakt gehecht aan een of meer
belangrijke volwassenen of ouderfiguren tijdens zijn eerste levensjaar, zelfs in een problematische of
gevaarlijke opvoedingsomgeving (al is de kwaliteit dan natuurlijk minder/onveilig). Door gehecht te
raken bouwt het kind ook een beeld op van mensen in het algemeen. In de gehechtheidstheorie
wordt dit het interne werkmodel van gehechtheid genoemd. In het interne werkmodel van
gehechtheid liggen verwachtingen over anderen en over het kind zelf opgeslagen.
1.6 Gehechtheidsnetwerk
Onderzoek heeft laten zien dat (on)veilige gehechtheid niet genetisch wordt overgedragen van ouder
naar kind. Bij het ontstaan van veilige of onveilige gehechtheidsrelatie gaat het dus niet om erfelijke
aanleg (nature), maar om de opvoedingsomgeving (nurture). Hoewel elk kind van nature geneigd is
om zich te hechten aan een verzorgende volwassene, bepaalt de opvoeding van en omgang met de
volwassene of het kind zich veilig of onveilig gaat hechten aan deze persoon. Gehechtheid is dus
geen kenmerk van een kind, ze ‘hebben’ niet een veilige of onveilige gehechtheid. Kinderen laten in
hun gedrag zien dat zij veilig of onveilig gehecht ’zijn’ aan een bepaalde persoon. Kinderen kunnen
veilig gehecht zijn aan de ene ouder en onveilig aan de andere ouder. De gehechtheidskwaliteit geldt
dus voor de specifieke, unieke band die het kind met een bepaalde gehechtheidsfiguur heeft. Het
hebben van een veilige gehechtheidsrelatie met een van de ouders geldt als een beschermende
factor voor de verdere ontwikkeling van het kind.
Kinderen hebben meestal meerdere gehechtheidsrelaties -> gehechtheidsnetwerk. Tegenwoordig
wordt er ook in Nederland in de hulpverlening vaker gebruikt gemaakt van het netwerk van een
gezin.
1.7 Gehechtheid en opvoeding
Hoe de gehechtheidsrelatie zich ontwikkelt en de uiteindelijke kwaliteit van de gehechtheid, hangt af
van hoe de ouder met het kind omgaat tijdens de gewone dagelijkse interacties. Er bestaat een
belangrijk verband tussen de ouderlijke sensitiviteit en de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind,
waarbij meer sensitiviteit bijdraag aan een veiliger gehechtheid. Sensitiviteit wordt omschreven als
het vermogen van ouders om de signalen van hun kind accuraat waar te nemen en de vaardigheid
om direct en adequaat op deze signalen in te gaan. De gehechtheid van een kind weerspiegelt in
feite de opvoedingsgeschiedenis van datzelfde kind met zijn ouders.
Bij gedesorganiseerde gehechtheid gaat het om andere aspecten in de opvoeding. Onderzoek heeft
een verband aangetoond tussen de gedesorganiseerde gehechtheid van het kind en de signalen van
beangstigend of angstig gedrag van de opvoeder die tot uiting komen in bijvoorbeeld gebaren of
verandering van stem tijdens de omgang met het kind. Vooral ouders die persoonlijke verliezen of
, trauma’s uit hun verleden niet goed hebben verwerkt, blijken dit gedrag in de omgang met hun kind
te vertonen.
1.8 Gevolgen van gehechtheid
Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die in hun eerste kinderjaren veilig gehecht waren, later op
sociaalemotioneel gebied een streepje voor hebben op kinderen die als jong kind onveilig gehecht
waren. Er blijkt een significant verband te bestaan tussen onveilige gehechtheid en externaliserende
gedragsproblemen. Hoewel een onveilig vermijdende of ambivalente gehechtheidsrelatie een wat
minder optimale ontwikkeling voorspelt, wordt ernstige psychopathologie echter niet verwacht. Dat
ligt duidelijk anders voor onveilig gedesorganiseerde gehechtheid. Onveilig gedesorganiseerde
gehechtheid in de eerste kinderjaren gaat gepaard met latere ontwikkelingsproblemen en
psychopathologie.
In diverse onderzoeken werd continuïteit van gehechtheid gevonden, kinderen die als baby veilig
gehecht waren zijn tijdens de adolescentie nog steeds veilig gehecht. Tegelijkertijd werd in andere
onderzoeken een voorspelbare discontinuïteit gevonden die verklaard kon worden door belangrijke
of ingrijpende levensgebeurtenissen die zich tussentijds hadden voorgedaan. Dit is een aanwijzing
dan gehechtheid veranderbaar is.
2. Interventies in de praktijk
2.1 De kans op veilige gehechtheid verkeken?
In de praktijk wordt er soms van uitgegaan dat het opbouwen van een veilige gehechtheid slechts
mogelijk is in de eerste kinderjaren. Er is bij gehechtheid van kinderen echter nog nooit een
dergelijke kritische periode aangetoond. Integendeel, de gehechtheidstheorie gaat ervan uit dat
kinderen uit problematische opvoedingssituaties geholpen zijn met positieve, correctieve
gehechtheidservaringen. En er is niet een bepaalde leeftijd waarop dat stopt. Het is wel zo dat het in
de loop der jaren moeilijker kan gaan en langer zal duren om alsnog een veilige gehechtheid bij
kinderen te realiseren. Dit zou dan duiden op het bestaan van een sensitieve periode. Duidelijk moet
echter zijn dat de mogelijkheid tot beïnvloeding blijft bestaan, ook ver na de eerste kinderjaren.
Vergeleken met volwassenen is de ontwikkeling van jonge kinderen nog plastisch en flexibel en
kunnen zij relatief snel dingen oppikken uit een verbeterde opvoedingssituatie. Een kind dat
slachtoffer is van een verwaarlozende opvoeding of mishandelende ouder, wordt wel
‘hechtingsgestoord’ genoemd. Zo’n kind zou echter beter op een andere manier getypeerd kunnen
worden. Het kind had geen andere keus dan zich te hechten in ongunstige omstandigheden, aan
deze mishandelende ouder of in dit verwaarlozende tehuis.
2.2 Gehecht aan pleegouders en adoptieouders
Er blijkt geen verschil te zijn in gehechtheid tussen kinderen in biologische gezinnen en pleeg- of
adoptiegezinnen. Wel blijken kinderen die na hun eerste verjaardag geadopteerd zijn vaker onveilig
gehecht te zijn, dit is te begrijpen vanuit de langere blootstelling van deze kinderen aan een
problematische opvoedingssituatie vóór de adoptie. Kinderen die voor hun eerste verjaardag
geadopteerd werden, waren even vaak veilig gehecht als kinderen in biologische verwante gezinnen.
De kwaliteit van de gehechtheid is dus niet afhankelijk van het hebben van een bloedband. Op grond
van deze uitkomsten is er bij pleeg- en adoptiekinderen aan de ene kant een risico te verwachten wat
betreft gehechtheid, maar aan de andere kant is de verwachting van een inhaalslag beslist ook aan
de orde. Een opmerkelijk grote inhaalslag is bij adoptiekinderen eveneens aangetoond op andere
terreinen van de ontwikkeling, zoals groei, cognitie, zelfwaardering etc.
2.3 Inzet van vervangende ouders en gehechtheid
Kinderen hechten zich ook aan vervangende ouderfiguren. Maar is het wel goed als kinderen zich
voluit gaan hechten aan tijdelijke, vervangende ouderfiguren en na een tijdje misschien weer
teruggaan naar hun eigen ouders? Voor een eventuele terugkeer naar biologische ouders is het van
groot belang om frequent contact te laten bestaan tussen ouder en kind. Vroeger vond hem dat
Inzichten uit gehechtheidsonderzoek
1. Gehechtheid
1.1 Theorie en wetenschappelijk onderzoek
Gehechtheid ontstaat bij ieder kind van nature. Zolang het kind niet op eigen benen kan staan, heeft
hij een volwassene nodig om te overleven. Gehechtheid is dan ook een evolutionair gegeven. De
ouder beschermt het kind niet alleen tegen honger, kou en uitdroging, maar ook tegen allerlei
gevaren in de fysieke en sociale omgeving. Bovendien kan het kind ervaringen opdoen en dingen
leren in de beschermende aanwezigheid van de ouder en zich zo cognitief en sociaalemotioneel
ontwikkelen. De kern van John Bowlby, grondlegger van de gehechtheidstheorie, zijn gedachtegoed
is dat ouders die sensitief inspelen op de signalen van hun kind daarmee bijdragen aan het tot stand
komen van een veilige ouder-kindgehechtheidstheorie. Bowlby stelde dat veilige gehechtheid een
voorspellende waarde heeft voor een meer optimale sociaalemotionele ontwikkeling van het kind op
latere leeftijd. Onveilige gehechtheid kan leiden tot diverse gedragsproblemen, problemen met
zelfwaardering en eigenwaarde en moeite met het aangaan van relaties. De huidige stand van
empirisch onderzoek naar de gehechtheid van kinderen bevestigt de centrale principes en
uitgangspunten van de gehechtheidstheorie.
1.2 Wanneer ontstaat gehechtheid?
Bij pasgeboren baby’s spreken we nog niet over gehechtheid aan een specifieke ouder of verzorger,
deze zijn min of meer nog inwisselbaar voor de baby. Baby’s zijn al wel meer gericht op mensen dan
op dingen. Wel is het in deze periode enorm belangrijk hoe er voor de baby wordt gezorgd. Vanaf de
geboorte vindt er een proces van wederzijdse afstemming plaats tussen ouders en kind, iets dat
gezien kan worden als het voorwerk voor de latere gehechtheidsrelatie. Wanneer deze afstemming
echter niet in harmonie plaatsvindt of als er helemaal geen afstemming is, kunnen de signalen van
het kind vervormd raken of uitdoven. Baby’s stoppen bijvoorbeeld met huilen als ze nooit getroost
worden. Kinderen verschillen echter wel in de mate waarin ze ontvankelijk zijn voor invloeden uit de
sociale omgeving.
Op de leeftijd van ongeveer zes maanden gaat het kind een uitgesproken voorkeur krijgen voor één
of beide ouders of een vertrouwde ouderfiguur. Het kind wil vanaf dan het liefst in de fysieke
nabijheid van de ouders blijven en niet van hen gescheiden worden. Een baby laat deze voorkeur en
gerichtheid op een specifieke persoon zien door het tonen van eenkennigheid en scheidingsangst.
Voor jonge kinderen is de fysieke aanwezigheid van de gehechtheidsfiguur erg belangrijk, als
kinderen ouder worden (4/5 jaar) kunnen ze korte scheidingen wat beter overzien, het perspectief
van hun ouders beter begrijpen en zo nodig met de ouders overleggen of onderhandelen over een
scheiding.
1.3 Gehechtheidsgedrag
Kinderen tonen gehechtheid door contact te zoeken met hun ouder als ze bang, verdrietig, onzeker
of ziek zijn. Bij gehechtheidsgedrag van het kind gaat het erom dat het kind voeling wil houden met
de veilige basis die de ouder biedt. Die secure base biedt het kind een uitvalsbasis om te gaan
exploreren en een toevluchtshaven om naar terug te keren in geval van nood. Als je de fysieke
afstand tussen ouder en kind zou tekenen, zou het eruit zien als een bloem: een hart (de ouder die
ergens zit) en de bloembaden (de rondjes die het kind maakt van en naar de ouder).
1.4 Veilige en onveilige gehechtheid
Kinderen kunnen veilig of onveilig gehecht zijn en daarmee weerspiegelt hun gedrag hoe zij door hun
ouder zijn behandeld en wat zij van deze ouder geleerd hebben te verwachten. Veilig gehechte
,kinderen zoeken contact of lichamelijke nabijheid als zij bijvoorbeeld na een korte scheiding weer
met hun ouder herenigd worden. Door de scheiding kunnen ze van streek zijn geraakt, maar bij de
terugkeer van de ouder kunnen ze door de ouder gerustgesteld worden en na een tijdje hun spel
weer opvatten.
Onveilig gehechte kinderen hebben meer moeite met het vinden van een goede balans tussen het
aan de ene kant gerustgesteld willen worden en het weer gaan spelen aan de andere kant. Onveilig
vermijdend gehechte kinderen zijn vooral gericht op het exploreren en lijken weinig geruststelling
nodig te hebben in een spannende situatie. Een vermijdend kind negeert of vermijdt de ouder na een
scheiding en toont geen actieve toenadering of contact om de spanning te verlichten. Onveilig
ambivalent gehechte kinderen zijn vooral gericht op het krijgen van geruststelling van de ouder en
hebben juist moeite met het exploreren. Al voor een scheiding maar zeker daarna, zoeken zij
nadrukkelijk de nabijheid en de aandacht van de ouder. Na een korte scheiding kunnen deze
kinderen niet echt gerustgesteld worden. Onveilig gedesorganiseerd gehechte kinderen laten gedrag
zien dat niet rijmt met hun verdere gehechtheidsgedrag, zoals tegenstrijdig gedrag of angstig gedrag.
1.5 Gehechtheid als ontwikkelingsmijlpaal
Gehechtheid wordt gezien als een ontwikkelingsmijlpaal. Elk kind raakt gehecht aan een of meer
belangrijke volwassenen of ouderfiguren tijdens zijn eerste levensjaar, zelfs in een problematische of
gevaarlijke opvoedingsomgeving (al is de kwaliteit dan natuurlijk minder/onveilig). Door gehecht te
raken bouwt het kind ook een beeld op van mensen in het algemeen. In de gehechtheidstheorie
wordt dit het interne werkmodel van gehechtheid genoemd. In het interne werkmodel van
gehechtheid liggen verwachtingen over anderen en over het kind zelf opgeslagen.
1.6 Gehechtheidsnetwerk
Onderzoek heeft laten zien dat (on)veilige gehechtheid niet genetisch wordt overgedragen van ouder
naar kind. Bij het ontstaan van veilige of onveilige gehechtheidsrelatie gaat het dus niet om erfelijke
aanleg (nature), maar om de opvoedingsomgeving (nurture). Hoewel elk kind van nature geneigd is
om zich te hechten aan een verzorgende volwassene, bepaalt de opvoeding van en omgang met de
volwassene of het kind zich veilig of onveilig gaat hechten aan deze persoon. Gehechtheid is dus
geen kenmerk van een kind, ze ‘hebben’ niet een veilige of onveilige gehechtheid. Kinderen laten in
hun gedrag zien dat zij veilig of onveilig gehecht ’zijn’ aan een bepaalde persoon. Kinderen kunnen
veilig gehecht zijn aan de ene ouder en onveilig aan de andere ouder. De gehechtheidskwaliteit geldt
dus voor de specifieke, unieke band die het kind met een bepaalde gehechtheidsfiguur heeft. Het
hebben van een veilige gehechtheidsrelatie met een van de ouders geldt als een beschermende
factor voor de verdere ontwikkeling van het kind.
Kinderen hebben meestal meerdere gehechtheidsrelaties -> gehechtheidsnetwerk. Tegenwoordig
wordt er ook in Nederland in de hulpverlening vaker gebruikt gemaakt van het netwerk van een
gezin.
1.7 Gehechtheid en opvoeding
Hoe de gehechtheidsrelatie zich ontwikkelt en de uiteindelijke kwaliteit van de gehechtheid, hangt af
van hoe de ouder met het kind omgaat tijdens de gewone dagelijkse interacties. Er bestaat een
belangrijk verband tussen de ouderlijke sensitiviteit en de gehechtheidsrelatie tussen ouder en kind,
waarbij meer sensitiviteit bijdraag aan een veiliger gehechtheid. Sensitiviteit wordt omschreven als
het vermogen van ouders om de signalen van hun kind accuraat waar te nemen en de vaardigheid
om direct en adequaat op deze signalen in te gaan. De gehechtheid van een kind weerspiegelt in
feite de opvoedingsgeschiedenis van datzelfde kind met zijn ouders.
Bij gedesorganiseerde gehechtheid gaat het om andere aspecten in de opvoeding. Onderzoek heeft
een verband aangetoond tussen de gedesorganiseerde gehechtheid van het kind en de signalen van
beangstigend of angstig gedrag van de opvoeder die tot uiting komen in bijvoorbeeld gebaren of
verandering van stem tijdens de omgang met het kind. Vooral ouders die persoonlijke verliezen of
, trauma’s uit hun verleden niet goed hebben verwerkt, blijken dit gedrag in de omgang met hun kind
te vertonen.
1.8 Gevolgen van gehechtheid
Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die in hun eerste kinderjaren veilig gehecht waren, later op
sociaalemotioneel gebied een streepje voor hebben op kinderen die als jong kind onveilig gehecht
waren. Er blijkt een significant verband te bestaan tussen onveilige gehechtheid en externaliserende
gedragsproblemen. Hoewel een onveilig vermijdende of ambivalente gehechtheidsrelatie een wat
minder optimale ontwikkeling voorspelt, wordt ernstige psychopathologie echter niet verwacht. Dat
ligt duidelijk anders voor onveilig gedesorganiseerde gehechtheid. Onveilig gedesorganiseerde
gehechtheid in de eerste kinderjaren gaat gepaard met latere ontwikkelingsproblemen en
psychopathologie.
In diverse onderzoeken werd continuïteit van gehechtheid gevonden, kinderen die als baby veilig
gehecht waren zijn tijdens de adolescentie nog steeds veilig gehecht. Tegelijkertijd werd in andere
onderzoeken een voorspelbare discontinuïteit gevonden die verklaard kon worden door belangrijke
of ingrijpende levensgebeurtenissen die zich tussentijds hadden voorgedaan. Dit is een aanwijzing
dan gehechtheid veranderbaar is.
2. Interventies in de praktijk
2.1 De kans op veilige gehechtheid verkeken?
In de praktijk wordt er soms van uitgegaan dat het opbouwen van een veilige gehechtheid slechts
mogelijk is in de eerste kinderjaren. Er is bij gehechtheid van kinderen echter nog nooit een
dergelijke kritische periode aangetoond. Integendeel, de gehechtheidstheorie gaat ervan uit dat
kinderen uit problematische opvoedingssituaties geholpen zijn met positieve, correctieve
gehechtheidservaringen. En er is niet een bepaalde leeftijd waarop dat stopt. Het is wel zo dat het in
de loop der jaren moeilijker kan gaan en langer zal duren om alsnog een veilige gehechtheid bij
kinderen te realiseren. Dit zou dan duiden op het bestaan van een sensitieve periode. Duidelijk moet
echter zijn dat de mogelijkheid tot beïnvloeding blijft bestaan, ook ver na de eerste kinderjaren.
Vergeleken met volwassenen is de ontwikkeling van jonge kinderen nog plastisch en flexibel en
kunnen zij relatief snel dingen oppikken uit een verbeterde opvoedingssituatie. Een kind dat
slachtoffer is van een verwaarlozende opvoeding of mishandelende ouder, wordt wel
‘hechtingsgestoord’ genoemd. Zo’n kind zou echter beter op een andere manier getypeerd kunnen
worden. Het kind had geen andere keus dan zich te hechten in ongunstige omstandigheden, aan
deze mishandelende ouder of in dit verwaarlozende tehuis.
2.2 Gehecht aan pleegouders en adoptieouders
Er blijkt geen verschil te zijn in gehechtheid tussen kinderen in biologische gezinnen en pleeg- of
adoptiegezinnen. Wel blijken kinderen die na hun eerste verjaardag geadopteerd zijn vaker onveilig
gehecht te zijn, dit is te begrijpen vanuit de langere blootstelling van deze kinderen aan een
problematische opvoedingssituatie vóór de adoptie. Kinderen die voor hun eerste verjaardag
geadopteerd werden, waren even vaak veilig gehecht als kinderen in biologische verwante gezinnen.
De kwaliteit van de gehechtheid is dus niet afhankelijk van het hebben van een bloedband. Op grond
van deze uitkomsten is er bij pleeg- en adoptiekinderen aan de ene kant een risico te verwachten wat
betreft gehechtheid, maar aan de andere kant is de verwachting van een inhaalslag beslist ook aan
de orde. Een opmerkelijk grote inhaalslag is bij adoptiekinderen eveneens aangetoond op andere
terreinen van de ontwikkeling, zoals groei, cognitie, zelfwaardering etc.
2.3 Inzet van vervangende ouders en gehechtheid
Kinderen hechten zich ook aan vervangende ouderfiguren. Maar is het wel goed als kinderen zich
voluit gaan hechten aan tijdelijke, vervangende ouderfiguren en na een tijdje misschien weer
teruggaan naar hun eigen ouders? Voor een eventuele terugkeer naar biologische ouders is het van
groot belang om frequent contact te laten bestaan tussen ouder en kind. Vroeger vond hem dat