Datastructuren kunnen herkennen!
INHOUD
Inleiding ..............................................................................................................................................2
De wetenschappelijke methode............................................................................................................3
De empirische cyclus .......................................................................................................................3
STAP 1: formuleren interessante vraag ...........................................................................................4
STAP 2: hypothesen formuleren .....................................................................................................4
Stap 3: algemene hypothese vertalen naar specifieke onderzoekspredicities ...................................5
Meetschalen.................................................................................................................................8
Meet”modaliteiten” ......................................................................................................................9
Andere aspecten van metingen .....................................................................................................9
stap 4: identificeer en selecteer participanten .............................................................................. 11
stap 5: selecteer een onderzoeksstrategie .................................................................................... 13
stap 6: experimenteel design ....................................................................................................... 18
stap 6: non- en quasi experiment ................................................................................................. 28
Stap 6: Factoriële designs ........................................................................................................... 33
Les 8: open science ........................................................................................................................ 38
publiceren .................................................................................................................................. 38
Deel 1: waarom open science (wat gaat er mis?) ........................................................................... 39
Deel 2: open science in de praktijk ............................................................................................... 41
LES 9: Correlationele onderzoeksstrategie ....................................................................................... 45
Verschil tussen andere… ............................................................................................................. 46
The data and statistical analysis for correlational studies .............................................................. 47
Toepassingen ............................................................................................................................. 48
Voor- en nadelen ........................................................................................................................ 49
Meerdere variabelen ................................................................................................................... 50
Beschrijvend onderzoeksstrategie ............................................................................................... 50
Logica en causaal redeneren ....................................................................................................... 56
Causaal redeneren ..................................................................................................................... 59
LES 10 ........................................................................................................................................... 64
Case study designs ..................................................................................................................... 64
Single-case experimental designs ................................................................................................ 65
Kwantitatieve en kwalitatieve methoden ...................................................................................... 71
1
,INLEIDING
Niet wetenschappelijke methoden om kennis te vergaren:
• Vasthoudendheid (tenacity) = we gaan ervanuit dat de kennis gewoon waar is, omdat het altijd zo
is geweest of bijgeloof → gewoontes
o Vb. tegengestelden trekken elkaar aan
o MAAR: Informatie kan foutief zijn en het corrigeren is zeer moeilijk
• Intuïtie = we accepteren informatie als waar, omdat dit ‘juist aanvoelt’. Het is gebaseerd op
buikgevoel, voorgevoel of instinct = GEVOEL
→ als we geen data kunnen raadplegen of rationele rechtvaardigheid hebben
o Ethische of morele dilemma’s worden zo opgelost.
o Vb. ik voel aan dat mijn vriend een slechte dag heeft
o MAAR: geen enkele manier om accurate en foutieve info te onderscheiden
• Autoriteit = we accepteren informatie als waar, omdat de informatie afkomstig is van een expert
rond het onderwerp
o Methode van geloof = extremer, expert blind geloven.
o Vb. google, boeken, tv, internet…
o MAAR: levert niet altijd accurate info op: experts kunnen gebiast zijn, info kan een
subjectieve opinie reflecteren, expertise wordt gegeneraliseerd naar andere domeinen, de
expertise wordt niet in vraag gesteld, expert is niet echt een expert
• Rationalisme = antwoorden zoeken door logisch te redeneren
o We vertrekken van een set gekende feiten of assumpties (= premissen) en gebruiken logica
(= deductie) om tot een conclusie of antwoorden te komen
o MAAR:
▪ Alles valt of staat bij de juistheid van de premissen (e.g., een angstaanjagende
ervaring met een hond veroorzaakt angst voor honden in de toekomst)
▪ Alles valt of staat bij de juistheid van het logisch redeneren, maar we zijn niet zo
goed in logisch redeneren
Bijvoorbeeld (was een letterlijke examenvraag in augustus!)
Premise 1: all flowers have petals
Premise 2: roses have petals
Conclusion: roses are flowers
→ de conclusie is niet correct: de premisse sluit niet uit dat er niet-bloemobjecten
bestaan die blaadjes hebben
Alle A zijn B
C is B A→B←C
Dus: C is A
Bijvoorbeeld
Premisse 1: all things that are smoked are good for the health
Premisse 2: cigarettes are smoked
Conclusion: cigarettes are good for your heath
→ deze conclusie volgt het logisch redereneren vanuit de premissen maar toch geloven
mensen deze niet, omdat de eerste premisse onjuist is.
Alle A zijn B
C is A C→A→B
DUS: C is B
• Empirie = antwoorden zoeken door directe observatie of directe sensorische ervaring
o Vb. in de zomer is het warmer dan in de winter
o MAAR: onze waarneming en interpretatie van de wereld rond ons zijn niet altijd correct
▪ Sensorische ervaringen kan ons misleiden (zoals ‘visuele illusies’)
2
, ▪ Invloed van voorkennis, verwachtingen, gevoelens, overtuigingen op perceptie
▪ Misinterpretatie van sensorische ervaring
• Vb. stel dat je voorkeur moet uiten tussen noedels en chips en jouw
voorkeur is de noedels. Maar dan zegt iemand dat het eigenlijk wormen
zijn
→ nu staan je ervaring (empirie) en tenacity in conflict met elkaar
▪ Kost tijd: met de empirische methode ga je bij een probleem verschillende
oplossingen uitproberen ( → rationele methode) = trial-and-error
• VB. mijn trein rijdt niet op de dag van een examen, ik ga elke mogelijke
route uitproberen (fiets, auto, bus, iemand brengen…)
▪ Kan gevaarlijk zijn (e.g., zijn deze paddenstoelen eetbaar of giftig?
DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE
= de manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden en er vervolgens
systematisch naar antwoorden gezocht wordt
• Bevat verschillende elementen van de niet-wetenschappelijke methoden
• Deze combinatie tracht de beperkingen van individuele methoden te vermijden
• Doel = zo accuraat mogelijke antwoorden
bekomen
• Bevat verschillende stappen
De 3 belangrijke principes van de wetenschappelijke
methode zijn: het is empirical, publiek en objectief.
De wetenschappelijke methode =/= aparte methode,
ze combineert de niet-wetenschappelijke methoden.
Maar probeert beperkingen te vermijden.
DE EMPIRISCHE CYCLUS
= onderzoeksproces, manier waarop de
wetenschappelijke methode toegepast wordt om een
interessante vraag te beantwoorden
= circulair proces dat geen vaststaand antwoord
oplevert, maar een voorlopig tentatieve verklaring.
3
, Stap Stapnaam Wat beslis / overweeg je hier concreet? (alles wat in rekening komt)
1 Find a Research • Keuze van onderwerp
Idea • Afbakening van het probleem
• Relevantie (theoretisch & maatschappelijk)
• Bestaande literatuur en hiaten
• Type vraag: beschrijvend / verklarend
• Algemene onderzoeksvraag
2 Form a Hypothesis • Aan- of afwezigheid van hypothesen
• Richting (directioneel / niet-directioneel)
• Type relatie (verschil, verband, effect)
• Onafhankelijke & afhankelijke variabelen
• Theoretische onderbouwing
• Falsifieerbaarheid
3 Define & Measure • Operationalisatie van IV en DV
Variables • Keuze meetinstrumenten
• Meetniveau (nominaal → ratio)
• Betrouwbaarheid (test-hertest, interne consistentie,
interbeoordelaars)
• Meetvaliditeit (inhouds-, criterium-, constructvaliditeit)
• Meetfouten
• Sensitiviteit van de meting
4 Identify • Doelpopulatie
Participants • Steekproefkader
• Steekproefmethode (random, gestratificeerd, convenience)
• Steekproefgrootte (power)
• Inclusie- & exclusiecriteria
• Representativiteit
• Ethische aspecten (informed consent, anonimiteit)
5 Select a Research • Welke onderzoeksstrategie?
Strategy • Manipuleerbaarheid van OV
• Randomisatie mogelijk of niet
• Controle over confounders
• Interne validiteit & Externe validiteit
• Causale uitspraken mogelijk?
• Trade-off controle vs generaliseerbaarheid
6 Select a Research • Binnen- vs tussen-subject
Design • Factorieel of enkelvoudig design
• Single-case design mogelijk?
• Orde-effecten : Contrabalanceren / matching
• Praktische haalbaarheid
STAP 1: FORMULEREN INTERESSANTE VRAAG
/
STAP 2: HYPOTHESEN FORMULEREN
• Op basis van je interessante vraag MAAR is geen onderzoeksvraag of theorie
• De resultaten van een empirische studie zullen de hypothese ondersteunen of weerleggen
• Wat is een goede hypothese
o Logisch = de hypothese moet een logische conclusie zijn van een logisch argument,
gebaseerd op voorgaand onderzoek.
4