Kwantitatief criminologisch
onderzoek
Inhoudsopgave
1 Wat zijn je onderzoeksprobleem, doelstelling en onderzoeksvraag?...................7
1.1 Wat is mijn probleemstelling?........................................................................7
1.2 Is al informatie aanwezig?............................................................................. 8
1.2.1 Is er bestaande informatie?.....................................................................8
1.2.2 Wat is het nut van het gebruik van bestaande informatie?.....................8
1.2.3 Hoe ga je op zoek naar informatie?.........................................................9
1.3 Wat is mijn onderzoeksvraag?.....................................................................10
1.4 Wie of wat zijn de onderzoekseenheden?....................................................10
1.5 Wat zijn de kenmerken en wat is hun onderlinge relatie?...........................11
1.6 Welke ethische problemen kunnen zich voordoen?.....................................12
1.6.1 Wat zijn ethische problemen?...............................................................12
1.6.2 Welke partijen hebben belang bij een onderzoek?................................13
1.6.3 Wanneer is onderzoek ethisch verantwoord?........................................13
1.7 Is het onderzoek haalbaar?.........................................................................14
1.7.1 Is er voldoende tijd?.............................................................................. 14
1.7.2 Is er voldoende geld?............................................................................ 15
1.7.3 Is er voldoende bereidheid om aan het onderzoek mee te werken?.....15
1.7.4 Welke risico’s zijn er?............................................................................ 15
2 Hoe kies je het onderzoeksonderwerp?.............................................................16
2.1 Welke soorten onderzoeksvragen zijn er?...................................................16
2.1.1 Frequentieonderzoeksvragen................................................................16
2.1.2 Verschilonderzoeksvragen....................................................................16
2.1.3 Samenhangonderzoeksvragen..............................................................16
2.2 Is er sprake van causaliteit?........................................................................17
1
, 2.3 Is er sprake van een derde beïnvloedbare variabele?.................................17
2.4 Welke typen onderzoek zijn er?...................................................................18
2.4.1 Beschrijvend onderzoek........................................................................18
2.4.2 Exploratief onderzoek........................................................................... 18
2.4.3 Toetsend onderzoek.............................................................................. 19
2.5 Kies je een survey of een experimenteel onderzoeksontwerp?...................21
2.6 Wat is een surveyonderzoek?......................................................................22
2.7 Wat is experimenteel onderzoek?...............................................................24
2.7.1 Wat zijn de kenmerken van experimenteel onderzoek?........................24
2.7.2 Wat is een zuiver experiment?..............................................................25
2.7.3 Wat is een quasi-experiment?...............................................................26
2.7.4 Wat is een pre-experiment?..................................................................28
2.7.5 Wat zijn mogelijk verstorende factoren?...............................................28
3 Gebruik je een populatie of een steekproef?.....................................................34
3.1 Wat zijn onderzoekseenheden, een populatie en een steekproef?..............34
3.2 Wat zijn aselecte en selecte steekproeven?................................................34
3.2.1 Aselecte steekproeven..........................................................................35
3.2.2 Selecte steekproeven (niet kanssteekproeven).....................................36
3.3 Hoe groot moet mijn steekproef zijn?..........................................................38
3.4 Hoe werf je respondenten en zorg je voor een goede respons?..................38
3.4.1 Hoe werf je respondenten?...................................................................38
3.4.2 (Non)respons......................................................................................... 39
3.4.3 Hoe ga je na of jouw non-respons selectief is?......................................40
4 Hoe verzamel je gegevens?............................................................................... 41
4.1 Wat is operationaliseren?............................................................................ 41
4.2 Hoe operationaliseer je centrale begrippen?...............................................41
4.3 Wanneer gebruik je welke dataverzamelingsmethode?..............................42
4.4 Wanneer verzamel je data gestructureerd en wanneer ongestructureerd?.43
2
, 4.4.1 Het verschil tussen gestructureerd en ongestructureerd gegevens
verzamelen?................................................................................................... 43
4.4.2 Gestructureerde of ongestructureerde dataverzameling......................44
4.5 Wanneer verzamel je gegevens direct en wanneer indirect?......................44
4.5.1 Het verschil tussen direct en indirect gegevens verzamelen................44
4.5.2 Directe of indirecte metingen?..............................................................45
4.6 Welk meetniveau hebben de kenmerken die je meet?................................45
4.7 Waar let je op bij het maken van antwoordschalen?...................................46
4.7.1 Wat voor soort antwoordschaal?...........................................................46
4.7.2 De keuze voor een passend meetniveau...............................................46
4.7.3 Het combineren van itemscores tot een totaalscore.............................46
4.7.4 Het gebruik van bestaande instrumenten/vragenlijsten.......................47
4.8 Hoe betrouwbaar en valide is mijn mening?................................................47
4.8.1 De betrouwbaarheid van een meting....................................................47
4.8.2 De validiteit van een meting.................................................................48
4.8.3 De relatie tussen de betrouwbaarheid en validiteit...............................50
5 Hoe analyseer je bestaande gegevens?............................................................51
5.1 Wanneer gebruik je bestaande gegevens?..................................................51
5.1.1 Wat zijn bestaande gegevens?..............................................................51
5.1.2 Verschillende manieren van het gebruik van bestaande gegevens......51
5.2 Interne of externe bestaande gegevens......................................................53
5.2.1 Interne bestaande gegevens.................................................................53
5.2.2 Externe bestaande gegevens................................................................53
5.2.3 Externe verrijken van interne bestaande gegevens..............................54
5.2.4 Big data................................................................................................. 54
5.3 Voor- en nadelen van onderzoek met bestaande gegevens........................54
5.3.1 Voordelen van het gebruik van bestaande gegevens............................54
5.3.2 Nadelen van het gebruik van bestaande gegevens..............................55
5.4 Het verzamelen van bestaande gegevens met social media......................57
3
, 5.5 Kwaliteitsbeoordeling van bestaande gegevens.........................................57
6 Hoe gebruik je interviews en vragenlijsten in je onderzoek?.............................59
6.1 Wat zijn de voor- en nadelen van interviews en vragenlijsten?...................59
6.2 Hoe neem je een interview af en wat zijn de voor – en nadelen?................60
6.2.1 De verschillende vormen van afname...................................................60
6.2.2 Voor- en nadelen van de verschillende afnamevormen.........................60
6.3 Hoe kun je computerondersteund interviewen/enquêteren?.......................63
6.3.1 Interviewen en enquêteren via de computer........................................63
6.3.2 Synchroon in de tijd enquêteren...........................................................63
6.3.3 Asynchroon in de tijd enquêteren.........................................................64
6.4 Stel je open of gesloten vragen?.................................................................64
6.4.1 Gesloten vragen.................................................................................... 64
6.4.2 Open vragen......................................................................................... 65
6.5 Waarop moet je letten bij het formuleren van vragen?...............................67
6.6 Hoe formuleer je antwoordmogelijkheden?.................................................68
6.6.1 Antwoordmogelijkheden voor nominale gegevens................................68
6.6.2 Antwoordmogelijkheden voor ordinale, interval- en ratiogegevens......68
6.7 Waarop moet je letten bij het maken van antwoordschalen?......................69
6.7.1 Waarop moet je letten bij de inhoud van antwoordschalen?.................69
6.7.2 Waar moet je op letten bij de vormgeving van antwoordschalen?........70
6.8 Het definitief maken en afnemen van de vragenlijst...................................71
6.8.1 Volgorde van de vragen in de vragenlijst..............................................71
6.8.2 De voorbereiding op de afname............................................................71
6.8.3 Het uittesten van de vragenlijst............................................................72
6.8.4 Achterafcontrole bij online onderzoek...................................................73
6.8.5 AVG....................................................................................................... 73
7 Hoe observeer je?.............................................................................................. 74
7.1 Wat zijn de voor- en nadelen van observeren?............................................74
7.2 Welke vormen van observatie zijn er?.........................................................74
4
onderzoek
Inhoudsopgave
1 Wat zijn je onderzoeksprobleem, doelstelling en onderzoeksvraag?...................7
1.1 Wat is mijn probleemstelling?........................................................................7
1.2 Is al informatie aanwezig?............................................................................. 8
1.2.1 Is er bestaande informatie?.....................................................................8
1.2.2 Wat is het nut van het gebruik van bestaande informatie?.....................8
1.2.3 Hoe ga je op zoek naar informatie?.........................................................9
1.3 Wat is mijn onderzoeksvraag?.....................................................................10
1.4 Wie of wat zijn de onderzoekseenheden?....................................................10
1.5 Wat zijn de kenmerken en wat is hun onderlinge relatie?...........................11
1.6 Welke ethische problemen kunnen zich voordoen?.....................................12
1.6.1 Wat zijn ethische problemen?...............................................................12
1.6.2 Welke partijen hebben belang bij een onderzoek?................................13
1.6.3 Wanneer is onderzoek ethisch verantwoord?........................................13
1.7 Is het onderzoek haalbaar?.........................................................................14
1.7.1 Is er voldoende tijd?.............................................................................. 14
1.7.2 Is er voldoende geld?............................................................................ 15
1.7.3 Is er voldoende bereidheid om aan het onderzoek mee te werken?.....15
1.7.4 Welke risico’s zijn er?............................................................................ 15
2 Hoe kies je het onderzoeksonderwerp?.............................................................16
2.1 Welke soorten onderzoeksvragen zijn er?...................................................16
2.1.1 Frequentieonderzoeksvragen................................................................16
2.1.2 Verschilonderzoeksvragen....................................................................16
2.1.3 Samenhangonderzoeksvragen..............................................................16
2.2 Is er sprake van causaliteit?........................................................................17
1
, 2.3 Is er sprake van een derde beïnvloedbare variabele?.................................17
2.4 Welke typen onderzoek zijn er?...................................................................18
2.4.1 Beschrijvend onderzoek........................................................................18
2.4.2 Exploratief onderzoek........................................................................... 18
2.4.3 Toetsend onderzoek.............................................................................. 19
2.5 Kies je een survey of een experimenteel onderzoeksontwerp?...................21
2.6 Wat is een surveyonderzoek?......................................................................22
2.7 Wat is experimenteel onderzoek?...............................................................24
2.7.1 Wat zijn de kenmerken van experimenteel onderzoek?........................24
2.7.2 Wat is een zuiver experiment?..............................................................25
2.7.3 Wat is een quasi-experiment?...............................................................26
2.7.4 Wat is een pre-experiment?..................................................................28
2.7.5 Wat zijn mogelijk verstorende factoren?...............................................28
3 Gebruik je een populatie of een steekproef?.....................................................34
3.1 Wat zijn onderzoekseenheden, een populatie en een steekproef?..............34
3.2 Wat zijn aselecte en selecte steekproeven?................................................34
3.2.1 Aselecte steekproeven..........................................................................35
3.2.2 Selecte steekproeven (niet kanssteekproeven).....................................36
3.3 Hoe groot moet mijn steekproef zijn?..........................................................38
3.4 Hoe werf je respondenten en zorg je voor een goede respons?..................38
3.4.1 Hoe werf je respondenten?...................................................................38
3.4.2 (Non)respons......................................................................................... 39
3.4.3 Hoe ga je na of jouw non-respons selectief is?......................................40
4 Hoe verzamel je gegevens?............................................................................... 41
4.1 Wat is operationaliseren?............................................................................ 41
4.2 Hoe operationaliseer je centrale begrippen?...............................................41
4.3 Wanneer gebruik je welke dataverzamelingsmethode?..............................42
4.4 Wanneer verzamel je data gestructureerd en wanneer ongestructureerd?.43
2
, 4.4.1 Het verschil tussen gestructureerd en ongestructureerd gegevens
verzamelen?................................................................................................... 43
4.4.2 Gestructureerde of ongestructureerde dataverzameling......................44
4.5 Wanneer verzamel je gegevens direct en wanneer indirect?......................44
4.5.1 Het verschil tussen direct en indirect gegevens verzamelen................44
4.5.2 Directe of indirecte metingen?..............................................................45
4.6 Welk meetniveau hebben de kenmerken die je meet?................................45
4.7 Waar let je op bij het maken van antwoordschalen?...................................46
4.7.1 Wat voor soort antwoordschaal?...........................................................46
4.7.2 De keuze voor een passend meetniveau...............................................46
4.7.3 Het combineren van itemscores tot een totaalscore.............................46
4.7.4 Het gebruik van bestaande instrumenten/vragenlijsten.......................47
4.8 Hoe betrouwbaar en valide is mijn mening?................................................47
4.8.1 De betrouwbaarheid van een meting....................................................47
4.8.2 De validiteit van een meting.................................................................48
4.8.3 De relatie tussen de betrouwbaarheid en validiteit...............................50
5 Hoe analyseer je bestaande gegevens?............................................................51
5.1 Wanneer gebruik je bestaande gegevens?..................................................51
5.1.1 Wat zijn bestaande gegevens?..............................................................51
5.1.2 Verschillende manieren van het gebruik van bestaande gegevens......51
5.2 Interne of externe bestaande gegevens......................................................53
5.2.1 Interne bestaande gegevens.................................................................53
5.2.2 Externe bestaande gegevens................................................................53
5.2.3 Externe verrijken van interne bestaande gegevens..............................54
5.2.4 Big data................................................................................................. 54
5.3 Voor- en nadelen van onderzoek met bestaande gegevens........................54
5.3.1 Voordelen van het gebruik van bestaande gegevens............................54
5.3.2 Nadelen van het gebruik van bestaande gegevens..............................55
5.4 Het verzamelen van bestaande gegevens met social media......................57
3
, 5.5 Kwaliteitsbeoordeling van bestaande gegevens.........................................57
6 Hoe gebruik je interviews en vragenlijsten in je onderzoek?.............................59
6.1 Wat zijn de voor- en nadelen van interviews en vragenlijsten?...................59
6.2 Hoe neem je een interview af en wat zijn de voor – en nadelen?................60
6.2.1 De verschillende vormen van afname...................................................60
6.2.2 Voor- en nadelen van de verschillende afnamevormen.........................60
6.3 Hoe kun je computerondersteund interviewen/enquêteren?.......................63
6.3.1 Interviewen en enquêteren via de computer........................................63
6.3.2 Synchroon in de tijd enquêteren...........................................................63
6.3.3 Asynchroon in de tijd enquêteren.........................................................64
6.4 Stel je open of gesloten vragen?.................................................................64
6.4.1 Gesloten vragen.................................................................................... 64
6.4.2 Open vragen......................................................................................... 65
6.5 Waarop moet je letten bij het formuleren van vragen?...............................67
6.6 Hoe formuleer je antwoordmogelijkheden?.................................................68
6.6.1 Antwoordmogelijkheden voor nominale gegevens................................68
6.6.2 Antwoordmogelijkheden voor ordinale, interval- en ratiogegevens......68
6.7 Waarop moet je letten bij het maken van antwoordschalen?......................69
6.7.1 Waarop moet je letten bij de inhoud van antwoordschalen?.................69
6.7.2 Waar moet je op letten bij de vormgeving van antwoordschalen?........70
6.8 Het definitief maken en afnemen van de vragenlijst...................................71
6.8.1 Volgorde van de vragen in de vragenlijst..............................................71
6.8.2 De voorbereiding op de afname............................................................71
6.8.3 Het uittesten van de vragenlijst............................................................72
6.8.4 Achterafcontrole bij online onderzoek...................................................73
6.8.5 AVG....................................................................................................... 73
7 Hoe observeer je?.............................................................................................. 74
7.1 Wat zijn de voor- en nadelen van observeren?............................................74
7.2 Welke vormen van observatie zijn er?.........................................................74
4