6e druk, maart 2026
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 - De vermogensmarkt.................................................................................................3
Hoofdstuk 2 - Risico en rendement................................................................................................ 7
Hoofdstuk 3 - Nominale titels..........................................................................................................9
Hoofdstuk 4 - Aandelen................................................................................................................. 16
, Hoofdstuk 1 - De vermogensmarkt
Op de vermogensmarkt worden financiële titels verhandeld. De vermogensmarkt bestaat uit
deelmarkten. Overschotten en tekorten worden in balans gebracht. Om dit in beeld te brengen,
wordt de economie van een land ingedeeld in drie sectoren: bedrijven, gezinnen en de overheid.
Tussen deze sectoren en het binnen- en buitenland lopen twee geldstromen: bestedingen en
inkomensoverdrachten (subsidies en belastingen).
Het financieringssaldo is het verschil tussen ontvangsten en uitgaven. Het totaal van het
financieringssaldo is 0 (saldo gezinnen + bedrijven + overheid + buitenland). Het financieringssaldo
van het buitenland ten opzichte van Nederland is al 30 jaar negatief.
Financiële titels geven recht op toekomstig geld (spaardeposito's, aandelen, obligaties). Er wordt
onderscheid gemaakt tussen effecten (verhandelbare waardepapieren) en boekvorderingen. Ook
wordt onderscheid gemaakt tussen nominale (obligatie) en zakelijke financiële titels (aandeel).
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen derivaten en oorspronkelijke financiële titels.
Oorspronkelijke titels spelen een centrale rol in de overdracht van financiële middelen tussen
sectoren met een overschot of tekort; derivaten dienen vooral ter overdracht van risico.
De vermogensmarkt kan worden ingedeeld in financiële markten op basis van:
● Looptijd: geldmarkt (< 1 jaar) en kapitaalmarkt (> 1 jaar)
● Openbare markt: effecten; onderhandse markt: boekvorderingen
● Primaire markt: nieuwe titels; secundaire markt: bestaande titels
Je hebt direct rendement (percentage van het bedrag) en indirect rendement (waardeverandering).
Je hebt geldmarktrente (driemaands Euribor) en kapitaalmarktrente. Bij de kapitaalmarkt heb je
twee benchmarks: het effectieve rendement op staatsleningen en de swaprente. De hoogte wordt
vooral bepaald door vraag en aanbod op de vermogensmarkt, inflatieverwachtingen, monetair
beleid en buitenlandse rente (wisselkoers).
Gezinsbesparingen zijn te onderscheiden in contractuele besparingen (pensioen, verzekering) en
vrije besparingen (bank). De Nederlandse overheid heeft sinds 2014 een financieringsoverschot.
De invloed van vraag en aanbod op de rente speelt zich sinds 1999 (EMU) af op het niveau van de
vermogensmarkt binnen de eurozone.
De nominale rente is de rente uitgedrukt in geld. De reële rente is de rente die men ontvangt na
correctie voor de waardedaling van het vermogen. Volgens de Fisher-relatie eisen beleggers als
vergoeding een bepaalde reële rente, vermeerderd met de verwachte inflatie.
Factoren die van invloed zijn op inflatie:
● Kostenstijgingen: in de invoerprijzen, uitgedrukt in nationale valuta, is de invloed van
wisselkoersfluctuaties verwerkt. De invoerprijzen in euro’s stijgen wanneer de euro
deprecieert ten opzichte van andere valuta’s, in het bijzonder de dollar. De wisselkoers van
de euro ten opzichte van de dollar is belangrijk voor de inflatie in de eurozone, omdat veel
goederen (zoals olie) in dollars worden geïmporteerd. Als de euro daalt, worden deze
importen duurder in euro’s → inflatie stijgt.
● Toename van de bestedingen: dit is afhankelijk van conjuncturele ontwikkelingen. Een
belangrijke maatstaf hierbij is de bezettingsgraad van de productiecapaciteit.
● Geldgroei
Pariteit (gelijkheid): rentevoet binnenland (%) + verwachte appreciatie van de binnenlandse valuta
(%) = rentevoet buitenland (%).