Hoofdstuk 2. Primeros encuentros.
Opdracht:
- Stel dat u een vriend begroet. Wat zegt u dan?
Hola, ¿qué tal?
Afkorting in schrijftaal:
Ud = usted.
Uds = ustedes.
Woordenschat.
Spaans Nederlands
¡Adelante! Komt u verder!
Trabajo Ik werk.
Trabajar Werken
El trabajo Het werk
La empresa Het bedrijf
Vivo Ik woon
Vivir Wonen, leven
Mi mujer Mijn vrouw
Peruana/o Peruaans
La compañia holandesa Het Nederlandse bedrijf
Igualmente Insgelijks
¿Cuál es tu/ su nombre? Wat is je / uw naam?
Estoy castado/a Ik ben getrouwd
Tener hijos Kinderen hebben
Tengo un hijo Ik heb een zoon
Vivir en … Wonen in …
Trabajar en …. Werken in …
Persoonlijke voornaamwoorden – pronombres personales.
Vorm:
Enkelvoud 1ste persoon yo ik
de
2 persoon tú jij
3de persoon él hij
ella zij
usted u (enkelvoud)
Meervoud 1ste persoon nosotros wij (mannelijk)
nosotros wij (vrouwelijk)
2de persoon vosotros jullie (mannelijk)
vosotras jullie (vrouwelijk)
3de persoon ellos zij (mannelijk)
ellas zij (vrouwelijk)
ustedes u (meervoud)
- Yo soy de madrid y ella es de Granada.
Ik kom uit Madrid en zij komt uit Granada.
- ¿Cómo se llama usted?
Hoe heet u? (enkelvoud)
- ¿Cómo se llaman ustedes?
1
, Hoe heet u? (meervoud)
- ¿Dónde trabajas? – Waar werk je?
- ¿Dónde trabaja usted? – Waar werkt u?
- ¿Sois comañeros de trabjao? – Zijn jullie collega’s?
- ¿Es usted el director? – Bent u de directeur?
Woordenschat.
Spaans nederlands
Encantada/ o mucho gusto Aangenaam om kennis te maken
El apellido De achternaam
Vecina Buurvrouw
El jefe De baas
Departamento Afdeling
Conocerte Leren kennen
Werkwoorden- llamerse, vivir en tener.
Yo me llamo ik heet
Tú te llamas jij heet
Él/ ella/ usted se llama hij/ zij/ u heet
Nosotros/ nosotras nos llamamos wij heten
Vosotros/ vosotras os llamáis jullie heten
Ellos/ ellas/ ustedes se llaman zij heten/ u heet (meervoud)
Yo vivo ik leef/ woon
Tú vives jij leeft/ woont
Él/ ella/ usted vive hij/ zij/ u leeft/ woont
Nosotros/ nosotras vivimos wij leven/ wonen
Vosotros/ vosotras vivís jullie leven/ wonen
Ellos/ ellas/ ustedes viven zij leven/ wonen, u leeft/ woont (meervoud)
Yo tengo ik heb
Tú tienes jij hebt
Él/ ella/ usted tiene hij/ zij heeft/ u hebt
Nosotros/ nosotras tenemos wij hebben
Vosotros/ vosotras tenéis jullie hebben
Ellos/ ellas/ ustedes tienen zij hebben, u hebt (meervoud)
Control de comunicación – zinnen ter verduidelijking.
¿Cómo se escribe? Hoe schrijf je dat?
¿Qué significa? Wat betekent dat?
¿Cómo se pronuncia? Hoe spreek je dat uit?
¿Cómo se dice? Hoe zeg je dat?
¿Cómo se deletrea? Hoe spel je dat?
No entiendo. Ik begrijp het niet.
No comprendo. Ik begrijp het niet.
¿Cómo? Wat zeg je/ zegt u?
Creo que … Ik denk dat …
2
Opdracht:
- Stel dat u een vriend begroet. Wat zegt u dan?
Hola, ¿qué tal?
Afkorting in schrijftaal:
Ud = usted.
Uds = ustedes.
Woordenschat.
Spaans Nederlands
¡Adelante! Komt u verder!
Trabajo Ik werk.
Trabajar Werken
El trabajo Het werk
La empresa Het bedrijf
Vivo Ik woon
Vivir Wonen, leven
Mi mujer Mijn vrouw
Peruana/o Peruaans
La compañia holandesa Het Nederlandse bedrijf
Igualmente Insgelijks
¿Cuál es tu/ su nombre? Wat is je / uw naam?
Estoy castado/a Ik ben getrouwd
Tener hijos Kinderen hebben
Tengo un hijo Ik heb een zoon
Vivir en … Wonen in …
Trabajar en …. Werken in …
Persoonlijke voornaamwoorden – pronombres personales.
Vorm:
Enkelvoud 1ste persoon yo ik
de
2 persoon tú jij
3de persoon él hij
ella zij
usted u (enkelvoud)
Meervoud 1ste persoon nosotros wij (mannelijk)
nosotros wij (vrouwelijk)
2de persoon vosotros jullie (mannelijk)
vosotras jullie (vrouwelijk)
3de persoon ellos zij (mannelijk)
ellas zij (vrouwelijk)
ustedes u (meervoud)
- Yo soy de madrid y ella es de Granada.
Ik kom uit Madrid en zij komt uit Granada.
- ¿Cómo se llama usted?
Hoe heet u? (enkelvoud)
- ¿Cómo se llaman ustedes?
1
, Hoe heet u? (meervoud)
- ¿Dónde trabajas? – Waar werk je?
- ¿Dónde trabaja usted? – Waar werkt u?
- ¿Sois comañeros de trabjao? – Zijn jullie collega’s?
- ¿Es usted el director? – Bent u de directeur?
Woordenschat.
Spaans nederlands
Encantada/ o mucho gusto Aangenaam om kennis te maken
El apellido De achternaam
Vecina Buurvrouw
El jefe De baas
Departamento Afdeling
Conocerte Leren kennen
Werkwoorden- llamerse, vivir en tener.
Yo me llamo ik heet
Tú te llamas jij heet
Él/ ella/ usted se llama hij/ zij/ u heet
Nosotros/ nosotras nos llamamos wij heten
Vosotros/ vosotras os llamáis jullie heten
Ellos/ ellas/ ustedes se llaman zij heten/ u heet (meervoud)
Yo vivo ik leef/ woon
Tú vives jij leeft/ woont
Él/ ella/ usted vive hij/ zij/ u leeft/ woont
Nosotros/ nosotras vivimos wij leven/ wonen
Vosotros/ vosotras vivís jullie leven/ wonen
Ellos/ ellas/ ustedes viven zij leven/ wonen, u leeft/ woont (meervoud)
Yo tengo ik heb
Tú tienes jij hebt
Él/ ella/ usted tiene hij/ zij heeft/ u hebt
Nosotros/ nosotras tenemos wij hebben
Vosotros/ vosotras tenéis jullie hebben
Ellos/ ellas/ ustedes tienen zij hebben, u hebt (meervoud)
Control de comunicación – zinnen ter verduidelijking.
¿Cómo se escribe? Hoe schrijf je dat?
¿Qué significa? Wat betekent dat?
¿Cómo se pronuncia? Hoe spreek je dat uit?
¿Cómo se dice? Hoe zeg je dat?
¿Cómo se deletrea? Hoe spel je dat?
No entiendo. Ik begrijp het niet.
No comprendo. Ik begrijp het niet.
¿Cómo? Wat zeg je/ zegt u?
Creo que … Ik denk dat …
2