Oorzaken van criminaliteit
Wetenschappelijke theorieën m.b.t. oorzaken van criminaliteit:
• 1. Bindingstheorie
• 2. Etiketteringstheorie
• 3. Sociale ongelijkheidstheorie
• 4. Overige oorzaken van criminaliteit
Bindingstheorie
Deze theorie gaat ervan uit dat de mens in principe geneigd is tot asociaal/crimineel gedrag.
Bindingen kunnen dat gedrag voorkomen en hebben in ieder geval een remmende werking
hierop; bijvoorbeeld op crimineel gedrag. Een jongere die voldoet aan kenmerken zoals het
hebben van een:
• - goede band met de ouders
• - een positieve band met school
• - een positieve houding ten aanzien van de samenleving
• - positieve binding met een niet-criminele vriendengroep
• - een baan die goed bevalt
Etiketteringstheorie
Eens een crimineel altijd een crimineel
Daarmee wordt er bedoelt dat men dit in de samenleving vaak als waarheid ziet is dat de ex-
crimineel een etiket (stigma) krijgt opgeplakt waar hij de rest van zijn leven last van blijft
houden.
• Voorbeeld: ex-delinquent komt niet meer aan een baan, omdat hij iemand heeft
doodgeslagen.
• Voorbeeld 2: voor sommige ex-criminelen is het bijvoorbeeld ook lastiger om aan een
geschikte woonruimte te komen.
•
Daarnaast krijgen bepaalde groepen mensen soms ook bij voorbaat een stempel: denk aan
discriminatie op de arbeidsmarkt. Voorbeeld: uitzendbureaus – leidt tot frustratie
Sociale ongelijkheidstheorie
Theorie die ervan uitgaat dat als verschillen tussen mensen qua inkomen & vermogen,
kennis en macht in een samenleving te groot worden dat dit kan leiden tot criminaliteit.
Dus bij deze theorie wordt er gekeken naar de verschillen tussen inkomen, vermogen, kennis
en macht.
• Vb.: Wijlen Bisschop Muskens van Breda: “wie geen brood kan kopen steelt het
maar”.
Wetenschappelijke theorieën m.b.t. oorzaken van criminaliteit:
• 1. Bindingstheorie
• 2. Etiketteringstheorie
• 3. Sociale ongelijkheidstheorie
• 4. Overige oorzaken van criminaliteit
Bindingstheorie
Deze theorie gaat ervan uit dat de mens in principe geneigd is tot asociaal/crimineel gedrag.
Bindingen kunnen dat gedrag voorkomen en hebben in ieder geval een remmende werking
hierop; bijvoorbeeld op crimineel gedrag. Een jongere die voldoet aan kenmerken zoals het
hebben van een:
• - goede band met de ouders
• - een positieve band met school
• - een positieve houding ten aanzien van de samenleving
• - positieve binding met een niet-criminele vriendengroep
• - een baan die goed bevalt
Etiketteringstheorie
Eens een crimineel altijd een crimineel
Daarmee wordt er bedoelt dat men dit in de samenleving vaak als waarheid ziet is dat de ex-
crimineel een etiket (stigma) krijgt opgeplakt waar hij de rest van zijn leven last van blijft
houden.
• Voorbeeld: ex-delinquent komt niet meer aan een baan, omdat hij iemand heeft
doodgeslagen.
• Voorbeeld 2: voor sommige ex-criminelen is het bijvoorbeeld ook lastiger om aan een
geschikte woonruimte te komen.
•
Daarnaast krijgen bepaalde groepen mensen soms ook bij voorbaat een stempel: denk aan
discriminatie op de arbeidsmarkt. Voorbeeld: uitzendbureaus – leidt tot frustratie
Sociale ongelijkheidstheorie
Theorie die ervan uitgaat dat als verschillen tussen mensen qua inkomen & vermogen,
kennis en macht in een samenleving te groot worden dat dit kan leiden tot criminaliteit.
Dus bij deze theorie wordt er gekeken naar de verschillen tussen inkomen, vermogen, kennis
en macht.
• Vb.: Wijlen Bisschop Muskens van Breda: “wie geen brood kan kopen steelt het
maar”.