Samenvatting Strafrecht
2.1 Inleiding straftheorieën
Strafrechtelijke sancties kunnen worden onderscheiden in straffen en
maatregelen. Een traditionele definitie van de straf is het toebrengen van
als zodanig beoogd leed. In dit verband spreken we van punitieve sancties.
De strafrechter deelt in zijn veroordeelde vonnis leed toe aan degene die
door hem schuldig is bevonden. De vraag is hoe effectief straffen is. Elke
enigszins geordende samenleving kent regels die alleen functioneren
indien zij worden gehandhaafd. Hier klinkt de gedachte door dat het
strafrecht enerzijds vanzelfsprekend bestaansrecht heeft, maar anderzijds
als ultimum remedium moet worden beschouwd.
2.4 Doel en zin van het straffen
Er zijn straftheorieën ontwikkeld. Deze theorieën kunnen worden
onderscheiden in absolute en relatieve theorieën. Absolute theorieën
zoeken de rechtvaardiging van de straf in de vergelding, er wordt gestraft,
omdat de dader die straf heeft verdiend. De strafoplegging is daardoor op
het verleden gericht. In de zwaarte van de opgelegde straf behoren alleen
de ernst van het feit en de ernst van het verwijt dat aan de dader gemaakt
kan worden. Er wordt geen rekening gehouden met de effecten die de
straf heeft voor de dader en de maatschappij. Een zwakte van de absolute
theorie is dat zij geen houvast biedt bij de vraag hoeveel leed de dader
moet worden toegevoegd om het strafbare feit vergolden te achten.
Relatieve leren zijn juist wel op de toekomst gericht. Cesare Beccaria geldt
als initiator van deze richting. Zij zoeken de rechtvaardiging van de straf
in het effect dat de straf heeft op de dader en de maatschappij. Het gaat
bij dat effect vooral om beveiliging door middel van generale preventie en
speciale preventie. Bij generale preventie gaat het om de
afschrikwekkende werking die van de straf in het algemeen uitgaat. Bij
speciale preventie is het doel te voorkomen dat de dader recidiveert. Deze
doelgerichtheid brengt mee dat bestraffing niet gerechtvaardigd is als
daarvan geen nuttig effect uitgaat. Een bezwaar dat tegen de relatieve
straftheorieën is ingebracht, is dat de bestraffing tot grote ongelijkheden
kan leiden (twee medeplegers zouden verschillende straffen kunnen
krijgen, omdat een van hen sneller op het rechte pad kan komen). De
meeste schrijvers tegenwoordig hanteren een verenigingstheorie. Het gaat
hierbij steeds om een compromis tussen de absolute en relatieve
theorieën.
2.8 Opvattingen in Nederland
In de vorige eeuw werd er een nieuw accent gelegd op de persoon van de
delinquent als volwaardig medemens. De maatregel van
, terbeschikkingstelling kwam daardoor veel meer in het licht. De te
bestrijden criminaliteit werd grootschaliger. Nederland kende tot de jaren
80 een verhoudingsgewijs mild strafklimaat, sindsdien zijn de rechters
zwaardere straffen gaan opleggen. Ook kreeg het slachtoffer meer plaats
in de strafprocedure.
3.1 Nulla poena-regel sine praevia lege poenali
Tot de grondbeginselen van het Nederlandse strafrecht behoort de
rechtszekerheidsgedachte, dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van
een daaraan voorafgegane wettelijke bepaling. Om preventief te kunnen
werken is noodzakelijk dat de strafbedreiging de burgers bekend is. Von
Feuerbach vatte zijn leer samen in drie regels:
1. Iedere toepassing van straf kan slechts gebaseerd zijn op een
voorafgegane strafwet.
2. De toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet
met straf bedreigde gedraging heeft plaatsgevonden.
3. De wettelijk met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg,
dat door de wet daarop gestelde straf wordt toegepast.
Hij verwachtte daarbij dat de burgers hun gedrag op de strafwet zouden
afstemmen als gevolg van psychologische dwang.
Uit de nulla poena-regel kunnen een viertal sub-regels worden afgeleid.
a. De straf moet berusten op een wet in formele zin. Voor strafbaarheid
naar Nederlands recht blijft een wettelijke delictsomschrijving
vereist.
b. Het verbod van terugwerkende kracht. De wettelijke strafbepaling
moet aan het feit zijn voorafgegaan.
c. Het ‘Bestimmtheitsgebot’. De rechtszekerheid is gediend met een
nauwkeurige omschrijving van de strafbare feiten en de op te leggen
straffen.
d. Het verbod van analogie. Analogische (overeenkomstigheid of
gelijkenis) toepassing van strafbepaling is daarmee uitgesloten.
Iedere strafbepaling vraagt om uitleg (interpretatie). In hoofdzaak zijn vier
methoden te onderscheiden:
1. De grammaticale, waarbij de rechter op de betekenis van een
woord let.
2. De teleologische, waarbij hij kijkt naar de bedoeling van de
wetgever.
3. De systematische, waarbij de rechter de uitleg van een
bepaling laat afhangen van het systeem van de regeling
waarin deze bepaling staat.
2.1 Inleiding straftheorieën
Strafrechtelijke sancties kunnen worden onderscheiden in straffen en
maatregelen. Een traditionele definitie van de straf is het toebrengen van
als zodanig beoogd leed. In dit verband spreken we van punitieve sancties.
De strafrechter deelt in zijn veroordeelde vonnis leed toe aan degene die
door hem schuldig is bevonden. De vraag is hoe effectief straffen is. Elke
enigszins geordende samenleving kent regels die alleen functioneren
indien zij worden gehandhaafd. Hier klinkt de gedachte door dat het
strafrecht enerzijds vanzelfsprekend bestaansrecht heeft, maar anderzijds
als ultimum remedium moet worden beschouwd.
2.4 Doel en zin van het straffen
Er zijn straftheorieën ontwikkeld. Deze theorieën kunnen worden
onderscheiden in absolute en relatieve theorieën. Absolute theorieën
zoeken de rechtvaardiging van de straf in de vergelding, er wordt gestraft,
omdat de dader die straf heeft verdiend. De strafoplegging is daardoor op
het verleden gericht. In de zwaarte van de opgelegde straf behoren alleen
de ernst van het feit en de ernst van het verwijt dat aan de dader gemaakt
kan worden. Er wordt geen rekening gehouden met de effecten die de
straf heeft voor de dader en de maatschappij. Een zwakte van de absolute
theorie is dat zij geen houvast biedt bij de vraag hoeveel leed de dader
moet worden toegevoegd om het strafbare feit vergolden te achten.
Relatieve leren zijn juist wel op de toekomst gericht. Cesare Beccaria geldt
als initiator van deze richting. Zij zoeken de rechtvaardiging van de straf
in het effect dat de straf heeft op de dader en de maatschappij. Het gaat
bij dat effect vooral om beveiliging door middel van generale preventie en
speciale preventie. Bij generale preventie gaat het om de
afschrikwekkende werking die van de straf in het algemeen uitgaat. Bij
speciale preventie is het doel te voorkomen dat de dader recidiveert. Deze
doelgerichtheid brengt mee dat bestraffing niet gerechtvaardigd is als
daarvan geen nuttig effect uitgaat. Een bezwaar dat tegen de relatieve
straftheorieën is ingebracht, is dat de bestraffing tot grote ongelijkheden
kan leiden (twee medeplegers zouden verschillende straffen kunnen
krijgen, omdat een van hen sneller op het rechte pad kan komen). De
meeste schrijvers tegenwoordig hanteren een verenigingstheorie. Het gaat
hierbij steeds om een compromis tussen de absolute en relatieve
theorieën.
2.8 Opvattingen in Nederland
In de vorige eeuw werd er een nieuw accent gelegd op de persoon van de
delinquent als volwaardig medemens. De maatregel van
, terbeschikkingstelling kwam daardoor veel meer in het licht. De te
bestrijden criminaliteit werd grootschaliger. Nederland kende tot de jaren
80 een verhoudingsgewijs mild strafklimaat, sindsdien zijn de rechters
zwaardere straffen gaan opleggen. Ook kreeg het slachtoffer meer plaats
in de strafprocedure.
3.1 Nulla poena-regel sine praevia lege poenali
Tot de grondbeginselen van het Nederlandse strafrecht behoort de
rechtszekerheidsgedachte, dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van
een daaraan voorafgegane wettelijke bepaling. Om preventief te kunnen
werken is noodzakelijk dat de strafbedreiging de burgers bekend is. Von
Feuerbach vatte zijn leer samen in drie regels:
1. Iedere toepassing van straf kan slechts gebaseerd zijn op een
voorafgegane strafwet.
2. De toepassing van straf is slechts mogelijk, wanneer de door de wet
met straf bedreigde gedraging heeft plaatsgevonden.
3. De wettelijk met straf bedreigde gedraging heeft tot rechtsgevolg,
dat door de wet daarop gestelde straf wordt toegepast.
Hij verwachtte daarbij dat de burgers hun gedrag op de strafwet zouden
afstemmen als gevolg van psychologische dwang.
Uit de nulla poena-regel kunnen een viertal sub-regels worden afgeleid.
a. De straf moet berusten op een wet in formele zin. Voor strafbaarheid
naar Nederlands recht blijft een wettelijke delictsomschrijving
vereist.
b. Het verbod van terugwerkende kracht. De wettelijke strafbepaling
moet aan het feit zijn voorafgegaan.
c. Het ‘Bestimmtheitsgebot’. De rechtszekerheid is gediend met een
nauwkeurige omschrijving van de strafbare feiten en de op te leggen
straffen.
d. Het verbod van analogie. Analogische (overeenkomstigheid of
gelijkenis) toepassing van strafbepaling is daarmee uitgesloten.
Iedere strafbepaling vraagt om uitleg (interpretatie). In hoofdzaak zijn vier
methoden te onderscheiden:
1. De grammaticale, waarbij de rechter op de betekenis van een
woord let.
2. De teleologische, waarbij hij kijkt naar de bedoeling van de
wetgever.
3. De systematische, waarbij de rechter de uitleg van een
bepaling laat afhangen van het systeem van de regeling
waarin deze bepaling staat.