Paragraaf 1, Fifo
Voorraden moeten worden gewaardeerd tegen de daadwerkelijke betaalde prijs.
Bij het fifo-systeem (first in, first out) boeken we de goederen bij verkoop af tegen de prijs
van de langst aanwezige partij. De onderneming gaat er administratief van uit dat de
goederen die het eerst zijn ingekocht, het eerst worden verkocht. Als inkoopprijs van de
verkochte goederen geldt bij het fifo-systeem de inkoopwaarde van de goederen die (op
papier) het langst in het magazijn aanwezig zijn. Naarmate er meer transacties zijn, worden
de berekeningen bij het fifo-systeem lastiger.
Het bepalen van de inkoopprijs kan veel werk zijn. Dit neemt toe naarmate een onderneming
een groter aantal artikelen op deze manier moet waarderen. Door automatisering wordt er
voor gezorgd dat deze methode toch praktisch toepasbaar blijft.
Paragraaf 2, Lifo
Bij het lifo-systeem (last in, first out) wordt de inkoopwaarde van de verkopen bepaalt door
de inkoopprijs van de laatst ingekochte goederen. Bij het lifo-systeem wordt er dus
administratief vanuit gegaan dat de goederen die het laatst zijn binnengekomen, er bij
verkoop als eerste uitgaan.
Het lifo-systeem geeft ook meer werk naarmate het aantal transacties toeneemt.
Bij lifo is de waarde van de voorraad gelijk aan die van een ‘oude’ partij. Vooral als een
onderneming uit voorzichtigheid altijd een bepaald aantal stuks in voorraad heeft, kan de
waardering bij lifo volgens prijzen van jaren terug zijn.
(Handig om eventueel alle voorbeelden uit paragraaf 2 te bekijken!!)
Paragraaf 3, Vaste verrekenprijs
Een bezwaar van de lifo- en fifo-methode is dat ze veel werk met zich mee kunnen brengen.
De artikelen moeten goed uit elkaar worden gehouden om te weten tegen welke prijzen ze
zijn ingekocht → Barcode kan oplossing zijn.
De vaste verrekenprijs is een schatting van de gemiddelde inkoopprijs.
Stel dat de ondernemer op 1 januari de vaste verrekenprijs voor het kalenderjaar wil
berekenen en dat op 1 januari de inkoopprijs van een bepaald artikel € 4 is. Hij verwacht dat
de prijs in de loop van het jaar gelijkmatig zal oplopen en op 31 december € 6 per artikel zal
zijn. Om te bepalen wat dan de vaste verrekenprijs is, wordt er uitgegaan van de gemiddelde
inkoopprijs van € 5.
Na het vaststellen van een vaste verrekenprijs voor een bepaalde periode, nemen we die
prijs als inkoopprijs verkopen gedurende die bepaalde periode. De waarde van de voorraad
moeten we berekenen volgens de historische uitgaafprijs (de daadwerkelijke betaalde prijs).
Als over de ‘vvp-periode’ een verschil blijkt te zijn met de berekenden kosten volgens de
vvp, wordt er achteraf het totaal van de inkoopprijs verkopen gedurende die periode
gecorrigeerd, zodat ook deze weer gelijk is aan de historische uitgaafprijs.