1. De SJD’er heeft kennis van intersectionaliteit en kan deze toepassen
op eigen identiteit
Wat betekent dit?
Intersectionaliteit is een theorie die erkent dat mensen verschillende
identiteitskenmerken hebben (zoals gender, etniciteit, klasse, seksuele
oriëntatie, religie, etc.) die elkaar kruisen en gezamenlijk invloed hebben
op iemands positie in de samenleving.
Toepassing:
Je kunt nadenken over hoe jouw eigen identiteitskenmerken samenkomen
en hoe dat jouw ervaringen beïnvloedt. Bijvoorbeeld: hoe jouw culturele
achtergrond én gender jouw perspectief op wetgeving, beleid of
dienstverlening kleuren.
2. De SJD’er snapt de verschillende aspecten van een caleidoscopische
visie op identiteit en de verschillende soorten identiteit die een persoon
kan hebben
Wat betekent dit?
De caleidoscopische visie ziet identiteit als iets dat dynamisch is en
verandert afhankelijk van context, tijd en sociale interactie. Het benadrukt
dat mensen meerdere identiteiten kunnen hebben (bijv. moeder, student,
moslima, werknemer) die in verschillende situaties op de voorgrond staan.
Toepassing:
In de praktijk kun je rekening houden met deze dynamiek bij cliënten.
Iemand is nooit alleen maar “cliënt met een schuldenprobleem”, maar
heeft ook andere rollen en identiteiten die relevant zijn voor hoe je hen
benadert.
3. De SJD’er kan intersectionele theorie toepassen op casuïstiek
Wat betekent dit?
Je kunt bij het analyseren van casussen (bijvoorbeeld in een stage of bij
een opdracht) herkennen hoe meerdere vormen van ongelijkheid of
achterstelling samen kunnen werken en hoe die relevant zijn voor het
sociaaljuridisch handelen.
Toepassing:
Bij het analyseren van een situatie waarin bijvoorbeeld een alleenstaande
moeder met een migratieachtergrond geen toegang krijgt tot bepaalde
hulp, kun je de invloed van zowel haar sociaaleconomische positie, haar
moederschap als haar etnische achtergrond meenemen in je analyse en
aanpak.
, Leerdoelen les 2
1. De SJD’er heeft kennis gemaakt met vier doelgroepen die centraal
staan in het SJD-werkveld
Wat betekent dit?
Binnen het SJD-werkveld zijn er specifieke groepen waarmee professionals
veel te maken hebben. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: mensen in armoede,
mensen met een migratieachtergrond, jongeren in kwetsbare posities, en
mensen met een beperking of psychische kwetsbaarheid.
Toepassing:
Je herkent de kenmerken, hulpvragen en positie van deze doelgroepen in
de samenleving, en weet welke wet- en regelgeving of voorzieningen voor
hen relevant zijn.
2. De SJD’er heeft kennis van de theorie over sociale positie en
verschillende vormen van kapitaal
Wat betekent dit?
Deze theorieën (zoals van Pierre Bourdieu) gaan over hoe mensen zich
bewegen in de samenleving op basis van economisch kapitaal (geld,
bezit), sociaal kapitaal (netwerken, contacten), en cultureel kapitaal
(opleiding, taalgebruik, kennis).
Toepassing:
Je kunt herkennen welke vormen van kapitaal iemand wel of niet heeft, en
hoe dit zijn of haar sociale positie bepaalt — en dus ook de toegang tot
hulp, rechten of kansen.
3. De SJD’er heeft kennis over de invloed van sociale ongelijkheid op de
levens(kansen) van mensen
Wat betekent dit?
Je begrijpt dat niet iedereen gelijke toegang heeft tot onderwijs, werk, zorg,
huisvesting, etc., en dat dit ongelijk verdeeld is op basis van o.a. afkomst,
gender, klasse of beperking.
Toepassing:
Je houdt bij je sociaaljuridisch handelen rekening met deze ongelijkheden
en probeert deze zoveel mogelijk te compenseren of rechtvaardig te
benaderen.
4. De SJD’er kan intersectionele theorie en theorieën over sociale
positie en vormen van kapitaal toepassen op casuïstiek
Wat betekent dit?
Je kunt bij een concrete cliënt- of praktijksituatie (casus) analyseren hoe
verschillende sociale factoren (zoals geslacht, etniciteit, klasse, opleiding)