Theorieën en modellen die je moet kennen voor de toets
Inhoudsopgave
Theorieën:
Psychodynamische theorieën ......................................................................................................................... 3
Behaviorisme / leertheorieën ......................................................................................................................... 4
Neuropsychologische kaders .......................................................................................................................... 5
Ontwikkelingstheorieën ................................................................................................................................. 6
Cognitieve theorieën ...................................................................................................................................... 7
Hechtingstheorie ............................................................................................................................................ 8
Systeemtheorieën .......................................................................................................................................... 9
Opvoedingstheorieën (ouderschapstheorie)................................................................................................. 10
Modellen:
Ecologisch model van Bronfenbrenner ......................................................................................................... 11
Diathese-stressmodel ................................................................................................................................... 12
Model van Pennington (bidirectionele causaliteit) ....................................................................................... 13
Transactioneel model ................................................................................................................................... 14
Model van Knorth ........................................................................................................................................ 15
Causaal model van ASS................................................................................................................................. 16
Informatieverwerkingsmodel ....................................................................................................................... 18
Praktijkmodellen: de autismecirkel .............................................................................................................. 20
Klinische cyclus van De Bruyn et al. .............................................................................................................. 21
Twee belangrijke diagnostische modellen/strategieën van handelingsgerichte diagnostiek ......................... 23
1. NVO richtlijnen (De Bruyn)...................................................................................................................... 23
2. Handelingsgerichte diagnostiek (Pameijer) ............................................................................................ 23
Multidimensioneel model van functioneren (AIIDD) ..................................................................................... 26
Ondersteuningscontextmodel ...................................................................................................................... 27
1
,Ontwikkelingsperspectief van psychopathologie / ontwikkelingsmodel ....................................................... 28
Het model van zelfregulatie ......................................................................................................................... 29
Fysiologische regulering: Arousal ................................................................................................................. 30
Window of Tolerance (venster van tolerantie) ............................................................................................. 31
Verklaringsschema ....................................................................................................................................... 32
2
,Psychodynamische theorieën
• Onbewuste processen beïnvloeden gedrag
Volgens psychodynamische theorieën worden veel van onze gevoelens en gedragingen
gestuurd door gedachten en emoties waar we ons niet bewust van zijn.
Voorbeeld: Iemand wordt ineens boos op een docent die kritiek geeft. Later blijkt dat die
kritiek hem onbewust doet denken aan een ouder die vroeger vaak streng was.
• Vroege jeugdervaringen zijn heel belangrijk
Ervaringen in de kindertijd hebben volgens deze theorieën veel invloed op hoe iemand later
denkt, voelt en zich gedraagt.
Voorbeeld: Een kind dat weinig steun kreeg van ouders kan later als volwassene moeite
hebben om anderen te vertrouwen.
• Innerlijke conflicten sturen gedrag
Mensen kunnen innerlijke conflicten hebben tussen verschillende behoeften of normen. Het
idee komt uit het model van Sigmund Freud met het id (driften), ego (realistisch denken) en
superego (normen en geweten).
Voorbeeld: Je wilt eigenlijk spieken bij een toets (id), maar je weet dat het niet mag
(superego). Uiteindelijk besluit je het niet te doen omdat je de gevolgen overziet (ego).
• Afweermechanismen beschermen tegen spanning
Mensen gebruiken vaak onbewuste strategieën om met moeilijke gevoelens om te gaan. Dit
noem je afweermechanismen.
Voorbeeld: Een leerling die een slecht cijfer haalt zegt: “Die toets was gewoon oneerlijk.” Zo
beschermt hij zichzelf tegen het gevoel dat hij misschien niet goed genoeg heeft geleerd.
• Relaties uit de jeugd beïnvloeden latere relaties
Hoe iemand zich voelde bij belangrijke personen (zoals ouders of verzorgers) kan later
invloed hebben op hoe iemand relaties aangaat.
Voorbeeld: Iemand die als kind vaak werd afgewezen kan later in vriendschappen of relaties
bang zijn dat anderen hem ook zullen verlaten.
Kort samengevat: Psychodynamische theorieën proberen gedrag te begrijpen door te kijken naar
onbewuste processen, jeugdervaringen, innerlijke conflicten en afweermechanismen.
3
, Behaviorisme / leertheorieën
• Gedrag wordt geleerd door ervaringen
Behavioristen gaan ervan uit dat gedrag vooral wordt gevormd door wat iemand leert uit
zijn omgeving. Het gaat minder om gedachten of gevoelens en meer om observeerbaar
gedrag.
Voorbeeld: Een kind leert “dank je wel” zeggen omdat ouders dit steeds aanmoedigen.
• Belonen vergroot de kans dat gedrag terugkomt (bekrachtiging)
Als gedrag een positief gevolg heeft, is de kans groter dat iemand het opnieuw doet. Dit idee
komt o.a. uit het werk van B. F. Skinner.
Voorbeeld: Een leerling krijgt complimenten wanneer hij stil werkt in de klas. Daardoor gaat
hij dit gedrag vaker laten zien.
• Straffen kan gedrag verminderen
Als gedrag een negatief gevolg heeft, kan de kans kleiner worden dat iemand het opnieuw
doet.
Voorbeeld: Een kind moet eerder naar bed als het blijft schreeuwen tijdens het eten.
Daardoor kan het schreeuwen afnemen.
• Leren door associaties (klassieke conditionering)
Soms leren mensen gedrag doordat twee dingen steeds samen voorkomen. Dit idee komt uit
onderzoek van Ivan Pavlov.
Voorbeeld: Een kind dat ooit door een hond is gebeten kan bang worden wanneer het later
alleen al een hond ziet.
• Leren door observatie (modeling)
Mensen leren ook door naar anderen te kijken en hun gedrag na te doen. Dit werd sterk
beschreven door Albert Bandura.
Voorbeeld: Een kind ziet dat een ouder rustig blijft tijdens een conflict en leert daardoor zelf
ook rustiger reageren.
Kort samengevat: Behaviorisme en leertheorieën stellen dat gedrag vooral ontstaat door leren uit de
omgeving, bijvoorbeeld door beloning, straf, associaties en het nadoen van anderen.
4