Lesweek 1 – Introductie + Leefbaarheid, criminaliteit en publieke
familiariteit
De student kan uitleggen hoe de openbare ruimte fungeert als een meer
of minder gecontroleerde en vanzelfsprekende ontmoetingsplek voor
burgers.
De openbare ruimte (straat, plein, park) is een plek waar mensen elkaar
tegenkomen. Maar die plek kan meer gecontroleerd zijn (veel toezicht en
veel regels) of die kan minder gecontroleerd zijn (vrijer en minder
toezicht).
Openbare ruimte = een plek die voor iedereen toegankelijk is. Het is een
plek waar mensen elkaar zien, elkaar ontmoeten en het gedrag van elkaar
beïnvloeden. Bijvoorbeeld in de jaren ’80 bij Zeedijk. Daar waren veel
drugsgebruikers en weinig toezicht. Het was een minder gecontroleerde
ontmoetingsplek dus het was onveilig. Na het ingrijpen waren de
ondernemers zelf aanwezig, kozen ze betere huurders uit en waren er
meer normale bezoekers. Hierdoor was het een meer gecontroleerde
ontmoetingsplek en daardoor dus veiliger.
Hoe meer toezicht, betrokken bewoners/ ondernemers, sociale
samenhang, hoe veiliger en normaler de ontmoetingsplek wordt. Dit sluit
aan bij de situationele theorie: criminaliteit ontstaat bij weinig toezicht.
De student kan uitleggen wat openbare ruimte is, welke veiligheidsissues
zich daarin voordoen en welke interventies daarin plaatsvinden door
private en publieke partijen.
In een openbare ruimte doen zich nog weleens veiligheidsissues voor:
Criminaliteit Diefstal, drugs en geweld.
Overlast Vuil, lawaai en intimidatie. Dit beïnvloedt sterk hoe veilig
mensen zich voelen. Broken Windows Theorie: rommelige omgeving =
meer criminaliteit.
Hier vinden interventies in plaats door private en publieke partijen:
1. Fysieke interventies (gebouwen en inrichting)
Het opknappen van gebouwen, schoonmaken en slimme ontwerpen.
2. Economische interventies n(winkels en bedrijven)
Winkels selecteren (geen junkshops maar kwaliteit) en het
aantrekken van de “goede” doelgroep (creatieve klasse).
, 3. Sociale interventies (mensen en gedrag)
Bewoners betrekken, sociale cohesie versterken, mensen elkaar
laten kennen.
Dit doen de gemeente (regie), politie, OM, ondernemers en zorginstanties.
Veiligheid is samenwerking van publieke en private partijen.
De student kan uitleggen hoe sociale identificatie en informele sociale
controle in de openbare ruimte in zijn werk gaat.
Sociale identificatie is dat mensen elkaar herkennen in de openbare
ruimte. Dit noemen we ook wel “bekende vreemden”. Je ziet bijvoorbeeld
elke dag dezelfde buurman, winkelier of fietser. Je kent ze niet echt, maar
herkent ze wel. Dit is belangrijk want het zorgt voor voorspelbaarheid,
vertrouwen en minder angst.
Informele sociale controle is dat mensen zelf op elkaar letten, zonder
hulp van politie. Bijvoorbeeld dat een winkelier iemand aanspreekt,
buurtbewoners toezicht houden of mensen gedrag corrigeren. Hoe werkt
dit samen?
1. Herkenning Je ziet steeds dezelfde mensen.
2. Sociale kennis Je weet wie “normaal” is en wie niet.
3. Controle Je grijpt sneller in of voelt je veiliger.
Bijvoorbeeld Zeedijk: vroeger was er geen herkenning en veel
onbekenden. Er was dus weinig sociale controle. Nu zijn er ondernemers
aanwezig, vaste bewoners en dus kennen de mensen elkaar.
Sociale controle theorie Mensen doen minder snel iets crimineels als
ze binding hebben (werk, buurt en relaties).
Chicago School Slechte buurten – minder controle – meer criminaliteit.