Hoofdstuk 1 Gedrag
Gedrag: alles wat een dier of mens doet of nalaat
Ritueel gedrag: om de spanning te verminderen gebruiken mensen een speciaal type gedrag
waarmee ze aangeven wat ze van een ander willen
Signalen: prikkels die voor soortgenoten informatie bevatten
Dominante wolven houden in roedel staart omhoog en ondergeschikte houden hem laag
Aan de hoogte valt de rangorde af te lezen
Rangorde: geeft de plaats van de wolven in de roedel aan
Een rangorde brengt voordeel voor de roedel en individu
Ieder individu doet een eigen onderdeel daardoor verloopt de jacht georganiseerd
Goede communicatie is onder wisselde omstandigheden extra nodig
Territorium: een gebied waarin een mens of dier heer en meester is
Dieren doen dat soms met dreigende houding, dieren gebruiken allerlei signalen.
Herten: groot gewei, vogelzang: geluidssignalen, andere dieren: geursignalen
Dreiggedrag: een agressieve houding die aangeeft wie de baas is
Bij dieren vooral op de grens van hun territorium
Dit territoriumgedrag is bedoeld op territorium in stand te houden
De verandering in de omgeving is de prikkel waarop het dier reageert
Hommels: geurstoffen spelen een belangrijke rol
Bepaalde geurstoffen remmen de ontwikkeling van de eierstokken van de werksters daardoor zijn ze
onvruchtbaar
Later in de zomer verandert de kolonie de koningin legt onvruchtbare eitjes waaruit mannetjes
ontstaan. De productie van haar geurstoffen neemt af, remmende werking vermindert en er
ontstaan vruchtbare vrouwtjes.
Mannetjes verlaten het nest en laten in bomen/planten een geurspoor achter om vrouwtjes te
lokken.
Geslachtshormonen veroorzaken bij de jonge koningin de voortplantingsdrang ontstaat door de
inwendige prikkels vanuit het dier zelf
Uitwendige prikkel is vanuit de omgeving zintuigen vangen deze prikkel op en beinvloeden het
gedrag van het dier
Vooral temperatuur, voedselvoorraad en geuren bepalen het gedrag van hommels
Gedrag: alles wat een dier of mens doet of nalaat
Ritueel gedrag: om de spanning te verminderen gebruiken mensen een speciaal type gedrag
waarmee ze aangeven wat ze van een ander willen
Signalen: prikkels die voor soortgenoten informatie bevatten
Dominante wolven houden in roedel staart omhoog en ondergeschikte houden hem laag
Aan de hoogte valt de rangorde af te lezen
Rangorde: geeft de plaats van de wolven in de roedel aan
Een rangorde brengt voordeel voor de roedel en individu
Ieder individu doet een eigen onderdeel daardoor verloopt de jacht georganiseerd
Goede communicatie is onder wisselde omstandigheden extra nodig
Territorium: een gebied waarin een mens of dier heer en meester is
Dieren doen dat soms met dreigende houding, dieren gebruiken allerlei signalen.
Herten: groot gewei, vogelzang: geluidssignalen, andere dieren: geursignalen
Dreiggedrag: een agressieve houding die aangeeft wie de baas is
Bij dieren vooral op de grens van hun territorium
Dit territoriumgedrag is bedoeld op territorium in stand te houden
De verandering in de omgeving is de prikkel waarop het dier reageert
Hommels: geurstoffen spelen een belangrijke rol
Bepaalde geurstoffen remmen de ontwikkeling van de eierstokken van de werksters daardoor zijn ze
onvruchtbaar
Later in de zomer verandert de kolonie de koningin legt onvruchtbare eitjes waaruit mannetjes
ontstaan. De productie van haar geurstoffen neemt af, remmende werking vermindert en er
ontstaan vruchtbare vrouwtjes.
Mannetjes verlaten het nest en laten in bomen/planten een geurspoor achter om vrouwtjes te
lokken.
Geslachtshormonen veroorzaken bij de jonge koningin de voortplantingsdrang ontstaat door de
inwendige prikkels vanuit het dier zelf
Uitwendige prikkel is vanuit de omgeving zintuigen vangen deze prikkel op en beinvloeden het
gedrag van het dier
Vooral temperatuur, voedselvoorraad en geuren bepalen het gedrag van hommels